Publicaties
Vechten tegen de banaliteit
0 Reacties
© Gert Dooreman
© Gert Dooreman © Gert Dooreman
kunst

Vechten tegen de banaliteit

Dooreman als letterchoreograaf, tekstdienaar, tekenaar

Wie dertig jaar boek- en andere ontwerpen van Dooreman doorbladert, ziet een fabelachtige productie van een gestage kwaliteit, met veel piekmomenten en bepaald weinig inzinkingen. Er is de onmiskenbare evolutie naar krachtige, soevereine typografie én het overstijgen van de tijdgeest. Dooreman heeft steeds minder nodig om het gewenste effect te bereiken. Ambacht is essentieel om de sprong naar de kunst van het typografische evenwicht te maken. En altijd verweert hij zich tegen de middelmaat. Tijd voor een terugblik op een rijke carrière, inclusief een glimp van de toekomst.

In 2014 bekroond met een Henry Van de Velde Award voor zijn gehele loopbaan. Omkranst met tentoonstellingen die zijn oeuvre in hun volle ornaat toonden. Bijgezet in een monumentaal boek met de eenvoudige maar trotse titel Dooreman. Je zou voor minder denken aan een regelrechte fin de carrière. Maar Gert Dooreman gruwt van het woord én van het gevoel dat hij in een fluwelen pantheon wordt bijgezet. Hij heeft nog zoveel te doen.

Het is beslist niet vanzelfsprekend: eerbetoon en lauwerkransen voor een grafisch ontwerper in Vlaanderen. Het metier staat er nog altijd in lager aanzien dan in pakweg Nederland of Zwitserland. Vrijwel op zijn eentje heeft Gert Dooreman de Vlaamse wereld van de vormgeving en typografie in de jaren 1980 en 1990 een ferme uppercut toegediend. Om zijn slachtoffer vervolgens eigenhandig weer op te lappen én een geheel andere richting uit te sturen. Estheet Dooreman ging in het verweer tegen de banaliteit en de middelmaat – of wat hij als dusdanig beschouwde. Dat was nogal wat. Befaamd om zijn notoir moeilijke karakter en zijn eigengereidheid – maar ook om zijn zelftwijfel – sloot hij zelden compromissen. Dat wekte soms frictie.

Toch prefereert Dooreman in veel opzichten de luwte. Boekvormgeving, affiches én drukwerkontwerp, het is sowieso geen zaak voor tafelspringers. “Arrangeur van tekst, beeld, textuur en kleur, in dienst van andermans boodschap”, zo omschrijft Jan Middendorp Gert Dooreman in de aan hem gewijde monografie. Is het Dooremans eerste ambitie om scheppingen van anderen te laten opglanzen en gloriëren? Ja en neen. Ja natuurlijk, letters moeten de inhoud versterken. Maar nee, het is niet zomaar ambachtswerk. Het is véél meer dan dat. “Van bij de aanvang vond Dooreman zichzelf een begrip, en vervolgens zweette en leed hij onder die zelfgeschapen verwachting. De kortsluiting van deze schijnbare contradictie leverde de kernenergie op voor een tomeloze hoogstaande productie, die alvast in Vlaanderen amper haar gelijke kende”, noteert schrijver Tom Lanoye treffend. Dooreman beschouwt zichzelf wel degelijk als een kunstenaar pur sang.Niet voor niets wilde hij in eerste instantie tekenaar worden. “Men heeft de neiging om mijn tekeningen als een soort jeugdzonde te beschouwen en ik moet er dan altijd op hameren dat dat niet klopt. Dat ik eigenlijk een tekenaar ben die per toeval vormgeeft en helemaal geen vormgever die als hobby heeft getekend”, zo liet hij zich daarover al eens – licht korzelig - ontglippen.

Het draaide enigszins anders uit. Het tekenen en illustreren verdween langzaam naar de achtergrond. Dooreman verwierf au contraire mondjesmaat faam met zijn affiches en huisstijl voor theatergezelschappen en musea als NTGent of het toenmalige Nieuwpoorttheater, Theater Antigone (Kortrijk), het Gentse Museum Dr Guislain, de Brusselse Beursschouwburg, de Blauwe Maandagcompagnie (vanaf midden jaren tachtig tot eind jaren negentig de klokkenluider van het theaterreveil in Vlaanderen) of het Antwerpse Toneelhuis. Met boekcovers voor Tom Lanoye en vervolgens talloze andere auteurs (Saskia De Coster, Jeroen Olyslaegers, JMH Berckmans en Koen Peeters) en uitgeverijen (Kritak, Prometheus, Meulenhoff | Manteau, hetbalanseer, Polis en De Bezige Bij) groeide hij uit tot een van Vlaanderens bekendste omslagenmakers. Op zijn beurt kreeg hij navolgers en discipelen. Ze imiteerden hem, om zich vervolgens aan hem te ontworstelen of hem voorzichtig van zijn troon te stoten.

Zijn leermeester Ever Meulen heeft het lapidair samengevat in Dooreman: “De juiste spatie was hem aangeboren, interlinie as well. Hij koos de elegantste onderkasten en combineerde die met krachtige kapitalen. Zijn bladspiegel was de mooiste van het land.” Het klinkt wellicht als engelenmuziek in de Dooreman-oren. Want, zo ordonneerde hij in de Volkskrant:“Een sterk typografisch beeld op de omslag van een dichtbundel, dat is zo veelzeggender dan een of ander sferisch fotootje.” Tot op heden heeft Dooreman ongeveer 1.500 boekencovers ontworpen and still counting.

Frivole achteloosheid

Gert Dooreman (1958) is van oorsprong een Kempenaar. Geboren in Herentals belandde hij voor zijn studies in 1978 in Gent. Het zou zijn definitieve biotoop worden, de groot uitgevallen provinciestad waar hij zich altijd als een vis in het water scheen te voelen. Ook artistiek sloeg hij er zijn tentakels uit, al verschanste hij zich weliswaar na een poos bij voorkeur in zijn atelier.

Dooremans ouders stonden er aanvankelijk op dat hij architectuur zou studeren. Daarom volgde hij drie jaar lang voorbereidende kunsthumaniora, waarna hij een jaar animatiefilm en drie jaar vrije grafiek studeerde. Gent was op dat moment een culturele melting pot en Dooreman belandde pal in de juiste kringen. Vooral het toenmalige kunstenaarscafé De Groene Kikker bleek een ideaal broeinest. Zo hoorden schrijver Tom Lanoye, fotograaf Michiel Hendryckx, muzikant Peter Vermeersch, theatermaker Arne Sierens en architect Maarten Van Severen er tot de inner circle. “We begonnen muziekgroepjes, we startten een tijdschrift… Heel erg boyish. (…) In het begin van de jaren tachtig boomde het culturele leven in Gent. De Vooruit ging open, we organiseerden tentoonstellingen, het kon niet op. De aanwezigheid van Jan Hoet was niet onbelangrijk. Er gebeurde erg veel. Veel was mottig, dat wel. De jaren tachtig waren dramatisch voor de vormgeving, verschrikkelijk. Maar ik denk niet dat wij mottige dingen hebben gedaan.”

Spoedig vormde Dooreman een langdurige tandem met Michiel Hendryckx, met onder meer boekomslagen voor uitgeverij Kritak (van André van Halewyck). Hij moest niet meer gaan stempelen en verdiende op een “waardige” manier geld. Al snel bleek dat hij niet iedere omslag met een tekening kon oplossen en er kwamen foto’s bij, en voor hij het wist was hij een grafisch vormgever. Dat typografisch “oppimpen” van foto’s zat hem nooit helemaal lekker, met tekeningen lukte dat beter.

Zijn ontwerpen stralen zowel evenwicht als een licht frivole achteloosheid uit

De bundel “satirische kritieken”Rozegeur en maneschijn (1983) van Tom Lanoye kan geijkt worden als Dooremans eerste “officiële” omslag. Het mondde uit in een tot op heden voortdurende samenwerking met de schrijver die Dooreman al veelvuldig bewierookte. Dooreman zou de huisstijl Lanoye, in nauw overleg met de auteur, voorgoed in het collectieve grafische geheugen prenten. Eerst zouden ze zelfs samen een strip maken over de politie-inspecteur Gino Spatelli, maar die bleef in de embryofase steken, een angel die bij beiden nog altijd ergens prikt. Hoogtepunten van hun samenwerking zijn de frontale affiches voor de theatercyclus Ten oorlog van de Blauwe Maandagcompagnie (ook in boekvorm gegoten), het spectaculaire banier voor Antwerpen Boekenstad aan de Boerentoren (2004, een stadsgedicht van Lanoye), de boekenreeks Lanoye Hard Gemaakt en de cover voor de roman Sprakeloos (2009).

Ook voor uitgeverij Bert Bakker (nu opgegaan in Prometheus) in Amsterdam ging Dooreman met veel branie aan de slag. Uitgevers legden in de jaren 1980 nog vaak een carcan op aan de vormgever waarvan niet te veel mocht worden afgeweken. Maar Dooreman wurmde zich daar langzaam uit en zorgde er misschien wel voor dat vormgevers nu vaker carte blanche krijgen. Simultaan bleef hij aanvankelijk nog zijn teken- en illustratiewerk bedrijven, met diverse opdrachtgevers waaronder de kranten De Morgen en De Standaard, en het tijdschrift Playboy, soms in samenwerking met stripauteur en cartoonist Erik Meynen. Die combinatie hield hij vijftien jaar vol, tot 1997, het moment waarop hij – na een paar ontgoochelingen – abrupt stopte met tekenen.

Als graficus raakte hij intussen almaar bekender. Affiches voor de Blauwe Maandag compagnieën de Beursschouwburg verbreedden zijn horizon. “De affiches van Blauwe Maandag bevatten vaak sprekende foto's waarbij ik letters bedacht, maar met enige schroom om het beeld niet weg te drukken”, getuigde hij daarover. Tot hij het heft in handen nam en resoluut typografisch overdonderende hoogstandjes maakte. Gaandeweg kwam je een “Dooreman” overal tegen in de culturele wereld en in de boekhandel, ja, zelfs op postzegels (voor een Expo 58-herdenkingsreeks). Steeds opzichtiger drukte hij zijn grafische stempel, met inventieve belettering, perfecte interlinies én ontwerpen die zowel evenwicht als een licht frivole achteloosheid uitstraalden, ook al waren ze het resultaat van zorgvuldig meet- en paswerk.

Wanneer alles op zijn plaats valt, na lang schuiven (of nét niet), ervaart hij dat als een cadeau. Je herkent een Dooreman als je hem ziet liggen, al is een Dooreman uit de jaren 1980 volstrekt anders dan een uit de jaren 1990 of de eenentwintigste eeuw. Dooreman is een kameleon.

De poëzie van het meten

Is Dooreman dan zo vaak verveld? En waarin schuilt de overtuigingskracht van zijn ontwerpen? Dat de graficus zichzelf afficheert als een “autodidact”, is in ieder geval niet onbelangrijk. Het betekent dat hij vanaf het begin van zijn carrière het naadje van de kous wilde weten over letters en de finesses van het vak. Het typografische maximum, daar was het Dooreman om te doen. Hij heeft zich altijd uitzinnig gedocumenteerd. Jan Middendorp vindt dat herkenbaar: “Grafische ontwerpers die zich het vak zelf hebben bijgebracht, lijken vaker dan hun gediplomeerde collega’s de drang te hebben hun scheppend werk met historische en theoretische studiën te onderbouwen, zich voor hun onderwerpen omstandig te documenteren. Voor Dooreman is dat in extreme mate het geval. Zijn zelfstudie is van permanente aard, geen stap wordt gezet zonder geschraagd te zijn door nieuwe kennis en kunde.”

Dooreman ging studaxen in de Gentse universiteitsbibliotheek. Of hij verzamelde frenetiek oude magazines en tijdschriften zoals Simplicissimus, het Duitse satirische blad dat tussen 1896 en 1944 verscheen. Zijn atelier – waar hij zichzelf beschouwt als een “laborant” – is een Fundgrube van papieren parafernalia. In de ontwerpen van Dooreman zindert de complete drukgeschiedenis door.

Fundamentele twijfel staat bij Dooreman naast onwankelbare zelfverzekerdheid

Ergens zat dat letterzetten hem wel in het bloed: zijn grootvader had een drukkersbedrijf, waar Dooreman als kleine jongen mocht rondsnuisteren. Dooreman promoveerde letters gaandeweg tot vernuftige schaakstukken, beeldende elementen, véél meer dan een instrumentarium. Goede en precieze belettering is voor hem niets minder dan “de poëzie van het meten”. Vandaar het uitzonderlijke belang dat hij aan spatiëring hecht. Dooreman revalideerde ook fonts als de Gill Sans en Perpetua of verrichte wonderen met de Praagse letters van Frantisek Storm. Hij eigent zich een lettertype toe. Zo friste Dooreman negentiende-eeuwse houten letters herop en dolf hij gretig in de periode van de industriële revolutie.

Niet verwonderlijk heerste er bij hem een zekere weerzin tegen de intrede van de computer, die het vormgevingsvak compleet overhoop zou gooien. Later bleek dat de computer Dooremans “ware instrument” was, zo getuigde Tom Lanoye, “zijn echte biotoop, zijn palet, zijn meesterschap”.

Gericht twijfelen

Dooreman staat binnen zijn entourage bekend als een twijfelaar. Zijn levensgezellin, jeugdschrijfster en illustratrice Gerda Dendooven is dat evenzeer. Misschien is zij daarom wel de perfecte getuige van het soms woelige denkproces. Want ook voor haar oeuvre fabriceerde hij talloze boekontwerpen- en covers. “Het is bijzonder professioneel werken met Dooreman maar ook vermoeiend: de man denkt sneller dan het gemiddelde brein en stelt hogere eisen dan de doorsnee perfectionist. Bovendien is hij een meester in het poneren van pertinenties, die hij even later met dezelfde stelligheid alweer onderuithaalt.”

Dooreman is geneigd dat bochtenwerk tegen te spreken en wijst op zijn hoge werkritme: “Als ik een dwangmatige twijfelaar was, zou ik nooit zo veel gewerkt hebben. Adrenaline werkt snel en mijn tempo is hoog. Op één dag kan ik een boekcover, een advertentie en twee prenten ontwerpen. En als ik toch twijfel, dan twijfel ik gericht. Maar ik slaag erin subjectief én objectief te zijn. Soms sla ik een weg in, het bos in en volg een pad. Het gebeurt dat ik dan in een moeras uitkom, maar ik heb wel altijd steentjes achtergelaten in mijn computer. Ik kan altijd terug”, zei hij daarover in De Morgen. “Fundamentele twijfel naast onwankelbare zelfverzekerdheid”, vatte Tom Lanoye die attitude samen.

En er is nog iets zeer opmerkelijk: Dooreman is kleurenblind. Het zorgt ervoor dat hij zijn palet op een of andere manier aan de teugels moet houden. “Dat palet is eerder sober: veel zwart, rood, grijs en vuilwit, veel aardekleuren, af en toe een felle maar meestal smaakvolle uitschieter. Een tovenaar met kleur is hij niet”, volgens Jan Middendorp. Natuurlijk: In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, Goethe wist het al. Er zijn toch ook dove componisten of redenaars met een spraakgebrek geweest, repliceerde Dooreman in 2005 al op de veelgestelde vraag hoe die kleurenblindheid zijn werk mee bepaalt. “Toch weet ik hoe ik kleuren moet maken. Omdat ik zeer vertrouwd ben met de grijswaarden, ik ken de uitstraling van de kleuren heel goed. Ik moet daar wel mijn best voor doen, in tegenstelling tot anderen, die tussen de kleuren rondlopen als was het in een bollenwinkel. Maar ik kan geen twaalf kleuren combineren. Ik houd het bij drie. Dat werd ook mijn regel: als mijn ontwerp daarmee niet overeind blijft, deugt het niet.”

Het mag merkwaardig heten dat Dooreman de boeken die hij vormgeeft helemaal niet blijkt te lezen – wat aan zijn tempo wellicht ook een schier onmogelijke opgave zou zijn. Dat staat in contrast met Dick Bruna. Die beweerde dat hij elk van een cover voorzien Zwart Beertje wel degelijk las.

Hoe dan ook is Dooreman zich welbewust van de spanning tussen het discrete binnenwerk en de aandachtszucht van het omslag, die hij bij voorkeur samen ontwerpt. “Dat zijn twee verschillende disciplines. Het binnenwerk vraagt om een hoog zengehalte. Het moet evenwichtig en harmonieus zijn, zodat het haast niet opvalt. Voor een cover geldt god noch gebod. Als hij maar opvalt.”En toch, zo voegde hij er onlangs aan toe in De Morgen: “Het is even belangrijk dat het boek in zijn geheel een toegespitste vormgeving krijgt – ook het binnenwerk. Er is meer dan enkel het omslag met zijn voornamelijk wervende functie. Je vraagt aan een architect toch ook niet om alleen de gevel te ontwerpen? Het mag geen standaardconfectie worden.”

De tekenaar grijpt het moment

Als je Dooremans fabelachtige productie van de voorbije dertig jaar overloopt, zie je de gestage kwaliteit met veel piekmomenten en bepaald weinig inzinkingen. Er is de onmiskenbare evolutie naar krachtige, soevereine typografie én het overstijgen van de tijdgeest (die in zijn eerste ontwerpen nog opzichtiger de kop opsteekt, ondanks dat verzet tegen de eightieslelijkheid). Dooreman heeft steeds minder nodig om het gewenste effect te bereiken. Schreeuwerigheid gaat hij uit de weg, het is zijn letterarchitectuur die het werk moet doen. Die is ook tijdlozer. Gratuite esthetiek zal je niet aantreffen bij Dooreman. Letters moeten de inhoud schragen. Ambacht is essentieel om de sprong naar de kunst van het typografische evenwicht te maken. Zijn kleurenpalet mag dan bescheiden zijn, hij streeft op andere manieren naar contrastwerking. De ene keer kiest hij voor een ingetogen letter, dan weer gaat hij voor extraversie en exuberantie. Soms ontdek je hoe hij elementen uit het Russische constructivisme uit het interbellum recycleert – Kazimir Malevitsj, AlexandrRodchenko of El Lissitzky. Vooral in de ontwerpen voor Lanoye – en meer specifiek ‘De Boerentoren schrijft’ of bij de affiches van de Blauwe Maandagcompagnie – is dat waarneembaar.

Toch lijkt het of Dooreman de grootste eenheid wist te stoppen in zijn boekomslagen voor Meulenhoff | Manteau of het latere De Bezige Bij Antwerpen. Er schuilt zowel frivoliteit, inventiviteit als uitgepuurdheid in. Wanneer er foto’s in het geding zijn, heeft Dooreman zichtbaar iets meer moeite om zijn waarmerk door te drukken. En wat was tot op heden de mooiste Boekenbeursaffiche? Ongetwijfeld die uit 2006. Getekend Dooreman, ook een soort blokkendoosaffiche met letters.

Dooreman geconsacreerd, gefêteerd én netjes gecanoniseerd? Niet dus, want hij blijft zijn stempel drukken en verfrissende boekomslagen maken. Maar welke richting zal hij verder nog uitslaan? De vormgever koestert talloze plannen en laat tegenwoordig ook zijn assistent Stijn Dams naadloze verlengstukken aan zijn stijl breien. “De opwinding van vroeger is er niet meer, ik heb boeken door”, gaf Dooreman in Knacktoe. “Ik werk zeven dagen per week, tot zestien uur per dag, ik raak stilaan verzadigd.”

Hij heeft ook enige moeite met de evoluties in het boekenvak. In De Morgenzei hij daarover: “Ik merk dat de durf bij uitgevers afneemt. Er is een grote terughoudendheid, ja, zelfs een angstreflex voor wat de markt wil. Akkoord, in de regel is de consument én dus de producent conservatief. Dat leidt regelmatig tot fel verwaterde versies van knappe ontwerpen. Van groot belang vind ik de intenties van de auteur. Die probeer ik hem te ontfutselen, waarna het aan mij is om diens sensibiliteit in beeld of in letters om te zetten”, vindt hij.

Dooreman – lange tijd de vaste covermaker voor de nieuwe uitgeverij van Harold Polis en wijlen De Bezige Bij Antwerpen – werkt nu opnieuw voor De Bezige Bij in Amsterdam, maar ook voor de Vlaamse uitgeverijen Borgerhoff&Lamberigts en, sporadisch, Vrijdag.

Aan modes of trends laat hij zich daarbij weinig gelegen liggen: “Modes zijn een zwaktebod. Ik heb me er steeds ver van gehouden. Het voelt voor mij erg onpersoonlijk en oneervol aan om met de kudde mee te lopen”, poneerde Dooreman in De Morgen. “Het gevolg is dat je zo soms zelf een trend creëert. En probeer die kudde dan maar eens van je af te schudden(lacht).”

Misschien lonkt opnieuw de vrijheid van de tekenkunst. In de herziene versie van Dooreman viel het toegenomen aandeel van zijn tekenwerk en illustraties op – een klein eerherstel. Je merkte er de onmiskenbare invloed van Honoré Daumier, Hans Holbein of Egon Schiele, maar ook van de betere strip. Tekeningen met een karikaturaal trekje, vol spitse uitvergrotingen. Of zoals De Standaard ooit schreef: “Dooreman is de choreograaf van zijn personages. Er steekt in elke tekening een werveling, een kronkeling, een zwier. De tekenaar weet precies dat ene moment vast te grijpen.”

Van letterchoreografie naar elegante personages: het kan back to the roots zijn. Ook droomt hij van meubelontwerp. Welja, de ultieme Dooreman-kast, hoe zou die eruit zien?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be