Publicaties
Van Parijs tot in Roubaix: de kracht van de kassei
0 Reacties
maatschappij

Van Parijs tot in Roubaix: de kracht van de kassei

De kasseien van de wielerklassieker Parijs-Roubaix hebben Noord-Frankrijk op de wereldkaart gezet. Op elk van deze weerbarstige stroken is wielergeschiedenis geschreven.

Wallers-Arenberg. Een koude februaridag. Het regent oude wijven en de lucht kleurt aardedonker. Het landschap is een schilderij van asgrauwe tinten, enkel opgefleurd door het vuil bruin van verroest metaal en baksteen. Links: een overweg met slagboom. Daarachter: een oude mijnfabriek. Noord-Frankrijk op zijn best. Zeker omdat er rechts in datzelfde landschap een bordje staat. Drève des Boules d’Hérin. En daaronder tussen haakjes: pavé d’Arenberg. Dit is le forêt de Wallers-Arenberg, zeg maar het Bos van Wallers, de meest mythische kasseistrook uit de wielerklassieker Parijs-Roubaix: 2,4 middeleeuws aandoende kilometers om van te gruwen. Een standbeeld van wijlen Jean Stablinski heet je er welkom. Jean Stablinski, de Pools-Franse renner die als Jean Stablewski het levenslicht zag, nadien genaturaliseerd werd en vervolgens de harten van de Franse wielersupporters stal dankzij zeges in de Ronde van Spanje, Parijs-Brussel en de allereerste Amstel Gold Race. En dan vergeten we nog zijn wereldtitel in 1962. Toch heeft Stablinski, ondanks zijn standbeeld aan deze porfieren poort van de hel, nooit Parijs-Roubaix gewonnen. Hoewel hij gebouwd was om over de stenen te dokkeren, kwam hij nooit verder dan een zevende plaats, in 1964. De reden van het standbeeld moet je dus elders zoeken, weg van zijn Helse prestaties. Een beetje grasduinen in de geschiedenis van de koers leert ons dat het Stablinski was die toenmalig organisator Jacques Goddet op het bestaan van deze mythische kasseistrook wees. Stablinski had als veertienjarige in de mijn van Arenberg gewerkt – zijn knoestige handen als blijvend souvenir aan die stoffige dagen. Die donkere, bijna spookachtige passage vol puntige stenen door het bos van Wallers-Arenberg was hem altijd bijgebleven. En dus deed de Helleklassieker ‘het Bos’ voor het eerst aan in 1968. Winnaar die dag, hoe kan het ook anders: Eddy Merckx. Sindsdien zijn de kasseien van het Bos werelderfgoed, althans voor koersliefhebbers. Laat de naam vallen in het bijzijn van Amerikanen, Engelsen, Australiërs en Nieuw-Zeelanders: als ze iets van koers kennen, kennen ze deze plek. Logisch dat Stablinski beloond werd met een standbeeld. Hij zette dit dorp op de wereldkaart, dankzij de stenen van het Bos.

De meest mythische koers op aarde

En dat hebben de stenen eigenlijk voor heel deze regio gedaan, als het niemandsland tussen Valenciennes en Rijsel, netjes ingebed tussen de A21 van Valenciennes naar Lens en de Frans-Belgische grens. Cysoing, Orchies, Mons-en-Pévèle, Gruson, Hem, Haveluy, Wannehain… Het zijn onooglijke dorpjes, zonder al te veel geschiedenis. Behalve voor hen die ‘s nachts dromen van Roger De Vlaeminck, Johan Museeuw of Tom Boonen; behalve voor hen die elke zondagnamiddag in april thuis voor de buis zitten – koffie en éclairs bij de hand - om toch maar niks van de voorjaarsklassiekers te moeten missen; kortom, behalve voor hen die ontzag hebben voor de stenen van het Noorden. Want elk van deze dorpjes heeft het immense geluk een strook voorhistorisch wegdek te herbergen. Organisator ASO maakt er dankbaar gebruik van op weg tussen Compiègne – sinds 1968 vertrekt het peloton niet meer uit Parijs - en Roubaix. Gevolg: dorpen als Cysoing en Orchies veranderen één zondag per jaar in een met vlaggen behangen en met bier overgoten bedevaartsoord voor derailleurpelgrims en aanhangers van het groot verzet. Want net díe bonkige kasseistroken hebben van Parijs-Roubaix de meest mythische koers op aarde gemaakt. In de woorden van Jacques Goddet: ‘de laatst overblijvende vorm van waanzin die de renners moesten ondergaan.’

Toch waren die kasseien in de beginjaren van Parijs-Roubaix – het einde van de 19de eeuw - allerminst het uithangbord van deze klassieker. Toen dokkerden de renners namelijk in bijna alle koersen in deze contreien – zijnde: Vlaanderen en Noord-Frankrijk - over kasseien. Niet zozeer om de wedstrijden harder of zwaarder te maken. Er waren simpelweg geen andere wegen aanwezig, behalve zand- en grindbanen die bij de minste regenval in modderpoelen herschapen werden.

The Hell of the North

Dat veranderde grondig in de jaren ’60. Overal lieten gemeentebesturen hun kasseistroken asfalteren en dat had ook zijn weerslag op de koers. De wedstrijden werden sneller, makkelijker en gingen steeds meer op elkaar lijken. Toen Peter Post in 1964 als eerste Nederlander ooit Parijs-Roubaix won met een recordsnelheid van meer dan 45 kilometer per uur en er het jaar nadien nog amper 22 kilometer kasseien in het parcours zaten, kreeg Parijs-Roubaix steeds meer weg van een voorjaarsversie van de sprintklassieker Parijs-Tours. Hetzelfde gold voor de Ronde van Vlaanderen. Daarmee was de maat vol voor de organisatoren. Ze wilden hun koers weer een eigen karakter geven. En waar de Ronde van Vlaanderen rondjes ging draaien in de Vlaamse Ardennen en vooral koos voor een snelle opeenvolging van korte, nijdige hellingen, ging de Helleklassieker voluit voor de steeds zeldzamer wordende kilometers lange kasseistroken, liefst volgens het principe: hoe slechter de staat van de stenen, hoe beter. Het werkte. Parijs-Roubaix werd een begrip, de karakteristieke kinderkopjes het symbool van de koers die Engelsen en Amerikanen zo mooi ‘the Hell of the North’ noemen. Vergis je trouwens niet: ook deze bijnaam heeft niks met de bonkige stenen op zich te maken. Enkele journalisten bedachten deze naam toen ze kort na de Eerste Wereldoorlog door het kapotgeschoten en platgebombardeerde Noord-Frankrijk trokken. Er stond amper een boom overeind, laat staan een huis. Wegen waren zo goed als onberijdbaar. Onbedoeld bedachten ze dus ook het decor van Parijs-Roubaix met een bijnaam waarvan de vlag de lading tot vandaag helemaal dekt.

En het is dus in l’Enfer du Nord dat men standbeelden neerzet voor die nietsontziende, fietsende helden die de kasseistroken en de bijbehorende dorpen in hun regio op de wereldkaart zetten. De Nederlander Hennie Kuiper heeft niet toevallig een standbeeld in het dorpje Hem. Daar, op 6 kilometer van de aankomst, ligt de kasseistrook waarop Kuiper in 1983 zijn achterwiel kapotreed toen hij alleen voorop was. Wereldberoemd zijn de beelden waarop Kuiper kwaad zijn fiets tegen de grond gooit en wanhopig in zijn verkleumde handen staat te klappen in de hoop op die manier zijn volgwagen tot spoed aan te manen om een nieuw wiel te brengen. Dat Kuiper uiteindelijk nog maar net uit de klauwen van zijn achtervolgers bleef, droeg alleen maar bij tot de legende van die dag. Op die stenen van Hem – die niet eens te boek staan als lastig of verraderlijk - werd trouwens nog meer wielergeschiedenis geschreven. In 2004 zakte Johan Museeuw, op dat moment 38, voor de allerlaatste keer naar de Hel af. De Leeuw was die dag aan de start verschenen met maar één doel: een vierde zege en een evenaring van het illustere record van Roger ‘Monsieur Paris-Roubaix’ De Vlaeminck. Lange tijd zag het ernaar uit dat het Museeuw daadwerkelijk zou lukken. Tot de uit poldergrond en zwijgzaamheid opgetrokken West-Vlaming op 6 kilometer van de streep de kasseistrook van Hem aansneed en de wielergoden besloten dat ze Museeuw die vierde kassei toch liever niet gunden. De Gistelnaar reed in een putje op een smalle strook macadam naast de kasseien en plots hoorde hij een sissend geluid. Lek! Weg zege. Weg record. Vraag Museeuw nu die vermaledijde plek in Hem aan te wijzen en hij zal geen seconde aarzelen. “Daar!” Kasseien, ze vullen moeiteloos elk gat in het geheugen.

Kasseien maken helden

Kasseien kunnen ook verdomd pijn doen. Kijk maar naar wijlen Philippe Gaumont, ex-meesterknecht van de al even wijlen Frank Vandenbroucke, én naar diezelfde Johan Museeuw. Beiden gingen onderuit op de vermaledijde stenen van het Bos van Wallers-Arenberg. Gaumont hield er een dijbeenbreuk aan over, Museeuw een gebroken knieschijf, een kwaadaardige en zelfs levensbedreigende infectie en op een haar na een beenamputatie. Maar Museeuw vocht terug. Twee jaar later reed hij als kopman van het illustere Mapei-team alweer zegevierend de legendarische Vélodrome van Roubaix binnen. Bandana op het hoofd, zijn gezicht onder een dikke laag stof en het ene been in de lucht, ondertussend ostentatief wijzend naar die geteisterde knie. Iedereen wist wat Museeuw wilde zeggen: ‘De kasseien hebben de Leeuw niet klein gekregen.’ Integendeel, ze stuwden zijn heldenstatus alleen maar naar een nog grotere hoogte. Want dat doen ze, die kasseien. Ze maken helden. En ze kraken hoogstens een ego. Of een been. Soms een carrière.

Op elke kasseistrook in de buurt van Roubaix is wielergeschiedenis geschreven. De verhalen van vroeger en nu liggen er vaak zomaar voor het oprapen. Toegegeven, soms verborgen onder een dikke laag modder of halfrotte bladeren, of tussen de wijd openstaande groeven tussen twee kasseien, maar toch. En in die geschiedenis haalt drama het vaak van triomf. Vraag dat maar aan Leif Hoste die in 2004 op de kasseien van Cysoing een Vlaamse vlag in zijn wiel zag draaien en zo de kans op die ene grote zege uit zijn carrière zag vervliegen. Een standbeeld leverde het hem niet op, ondermeer omdat Cysoing al een held te eren had, Gilbert Duclos-Lassale, een van de prototypes van de kasseikrijger. Gibus droomde er al zijn hele leven van om op het middenplein van de Vélodrome de kassei in de lucht te mogen steken. Als jonge renner was hij er twee keer dichtbij, maar pas in de nadagen van zijn carrière – zeg maar gerust: in blessuretijd – wist Duclos-Lassale zijn droom waar te maken. Tot twee keer toe, en zelfs twee keer achter elkaar, als 37- en 38-jarige zowaar. Voor de inwoners van Cysoing genoeg om hun kasseistrook om te dopen tot de Pavé Gilbert Duclos-Lassale. Kinderkopjes als garantie op eeuwig leven. Ook zo kan het.

De koers kiest zijn renner

Daarom is het jammer dat er geen wielerstandbeeld staat op Carrefour de l’Arbre, samen met het bos van Wallers en Mons-en-Pévèle het Heilige drieluik van vijfsterrenstroken in de Helleklassieker. Nochtans zagen meer dan genoeg helden en anti-helden het levenslicht op die beruchte secteur numéro quattre. Het verlengde van de Rue de Cysoing, een doodgewone weg in het dorp Camphin-en-Pévèle, buigt linksaf en verandert in een pad waar de wielergoden vanaf hun wolk een paar grillige stenen lukraak hebben neergegooid. Op die verschrikkelijke stenen reed Johan Vansummeren weg van zijn laatste tegenstanders in 2011. Hij hield er een kassei aan over, en een huwelijksaanzoek voor het oog van de internationale media. Carrefour de l’Arbre was ook het stuk venijn waar Eddy Planckaert op 9 april 1989 een zo goed als zekere zege verspeelde door onderuit te gaan in een bocht. Na de finish huilde Planckaert bittere tranen. Men moest hem troosten als een klein kind van wie ze de snoepjes hadden afgepakt. Maar wielerfans begrepen het. Eddy was al 30 en de wedstrijd die hem het nauwst aan het hart lag, had hij opnieuw niét gewonnen. Het leek wel alsof de kasseien hem klein hadden gekregen. Niet dus, het jaar nadien keerde de kleine van Nevele terug en won, na een millimeterspurt met Steve Bauer. De kassei die Eddy die dag won, staat nog steeds op de schouw van de chambres d’hotes die Eddy samen met de rest van zijn gezin uitbaat in de Ardennen. Het is er de enige verwijzing naar Eddy’s carrière. De kassei als uniek souvenir.

Geen idee waar de vier kasseien van Roger De Vlaeminck momenteel staan, maar het zou niet mogen verbazen als ze ergens stof staan te vergaren op zijn zolder. Monsieur Paris-Roubaix houdt namelijk niet van Frankrijk. Vanwege het Franse chauvinisme, zegt hij altijd. En omdat hij de Fransen niet heel erg vriendelijk vindt. Het is de reden waarom Vlaeminck de Tour slechts drie keer reed en daarna consequent voor de Giro koos. Het is de reden waarom le Gitan nooit een vakantie heeft doorgebracht in Frankrijk. En het is de reden waarom De Vlaeminck niet graag aan de start stond van de Helleklassieker. Roger zal zuchten als je hem vraagt hoe het kan dat iemand een wedstrijd vier keer wint en hem toch niet graag rijdt. En Roger zal vervolgens vertellen dat hij liever vier keer de Ronde van Vlaanderen had gewonnen. Of il Lombardia, want Italië, daar hield hij wél van. Van het mooie weer, de vriendelijke mensen, het lekkere eten en de knappe vrouwen.

Maar goed, Parijs-Roubaix lag hem nu eenmaal het best, en dus startte hij er maar. Want dat had Roger tijdens zijn carrière wel geleerd: een renner kiest niet altijd zijn koersen. Soms kiest een koers zijn renner. En Parijs-Roubaix koos Tsjeete. De Vlaeminck reed niet over de kasseien. Hij vloog. Wie De Vlaeminck op de kinderkopjes van het Noorden aan het werk zag, zag geen robuuste, bonkige Flandrien, maar een elegante ballerina, dansend van steen naar steen. De tubes als balletschoenen. Een broek met zeemvel als tutu. Soms doen kasseien dromen.

Roger De Vlaeminck, Eddy Planckaert, Johan Museeuw, Johan Vansummeren, Greg Van Avermaet, … Het zijn maar enkele van de vele Belgische winnaars van de Helleklassieker. 56 zeges staan er op naam van de Belgen. Daarmee doen ze het zelfs beter dan de Fransen (30) én de Italianen (11) samen. Noem Parijs-Roubaix dus gerust een Belgische koers – er staan zelfs Walen op de erelijst. Toch kleurde de Helleklassieker in de begindagen allerminst zwart-geel-rood. Na de eerste Parijs-Roubaix op Paasdag 1896 – vandaar ook de bijnaam La Pascale – stond er ’s avonds geen enkele Belg op het podium. En ook de daaropvolgende jaren speelden onze landgenoten amper een rol van betekenis. Pas in 1907 piepte er voor het eerst een ‘flandrien’ aan het venster. Cyrille Van Hauwaert, een reus van een vent die geen woord Frans sprak en dan maar antwoordde met de pedalen. Hij werd tweede, achter de Fransman Georges Passerieu. Een jaar later zorgde diezelfde Van Hauwaert voor de eerste Vlaamse zege en daarmee ook voor een snelle en tot op de dag van vandaag groeiende fascinatie vanuit onze contreien voor deze Noord-Franse klassieker; zowel van renners als publiek. Jammer dat Van Hauwaert nergens een bronzen, marmeren of uit porfier opgetrokken stand- of borstbeeld kreeg langs een van de talloze kasseistroken in Noord-Frankrijk. Dat had hij wel verdiend, want wie nu op de dag van Parijs-Roubaix afzakt naar Carrefour de l’Arbre, het bos van Wallers of Mons-en-Pévèle hoort er bijna alleen maar Nederlands uit de mond van de duizenden Vlamingen die er - pintje in de hand, vlag in de aanslag - de doortocht van het peloton afwachten, intussen vol ontzag naar de kasseien starend en de wielergeschiedenis opzuigend die deze stenen in zich hebben opgeslagen.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be