Publicaties
Van kwaad tot erger: ‘Ik ben er niet’ van Lize Spit
3 Reacties
© Das Mag
© Das Mag © Das Mag
recensie
literatuur

Van kwaad tot erger: ‘Ik ben er niet’ van Lize Spit

De tweede roman van Lize Spit is het verhaal van een verhouding tussen twee gehavende individuen die elkaar eerst ondersteunen, maar uiteindelijk samen ten val komen. De verwikkelingen zijn tragisch, maar omdat alles zo breed wordt uitgemeten, verdwijnt de subtiliteit.

De dood verbindt de levenden. Degenen die achterblijven na een sterfgeval zoeken elkaar op, maken contact, vertellen over hun ervaringen. Verlies schept de mogelijkheid van een zeldzaam verbond; een verstandhouding tussen mensen die evenzeer doordrongen zijn van de kwetsbaarheid van het bestaan.

Wanneer Leo scenarioschrijven gaat studeren in Brussel heeft zij net kennisgemaakt met de vergankelijkheid. Haar moeder is overleden, wat de eerder al moeilijke verhouding met haar vader definitief in de war heeft geschopt. Ze is vervreemd en vereenzaamd in de grote stad en heeft behoefte aan een bondgenoot.

Op dat moment hoort ze dat de moeder van Simon Spruyt, een drie jaar oudere student animatie, op sterven ligt. Eerder was hij Leo nog niet opgevallen, maar dit nieuws schept meteen een band: “Plots kende ik Simon beter dan eender wie. Hij was een punttekening in het kleurboek geweest, nu was ik in staat de lijn te trekken die al die punten op de juiste manier verbond: ik zag wie hij was, en niet alleen dat, ik zag wie hij zou worden, omdat ik precies wist welke gevoelens hem te wachten stonden.”

De twee zoeken toenadering, en al snel ontstaat er een innige relatie. In eerste instantie staat Leo haar nieuwe vriend vooral bij in een zware periode, maar op de avond na de uitvaart van Simons moeder gaan ze met elkaar naar bed. Leo trekt vrijwel onmiddellijk bij Simon in. Samen met poes Daan vormen ze een sterk driemanschap, dat elkaar liefdevol ondersteunt en uitblinkt in even knullige als aandoenlijke huiselijke rituelen: “Dat we, als we uitgeteld in de zetel lagen en geen zin hadden om de afwasmachine in te laden, om de vrijstelling streden: om het eerst een boer laten die zo luid was dat de slapende Daan haar oortjes ervoor oprichtte. Dat we de machine toch meestal samen inlaadden.” De sociale en fysieke ongemakken die Leo eerder met romantiek associeerde, zijn definitief verleden tijd.

Als lezer van Ik ben er niet, de tweede roman van Lize Spit (1988), voel je al aan dat de schrijfster deze idylle opbouwt om haar vakkundig weer af te breken. Vroeg in het boek legt Leo haar visie op hun relatie uit aan de hand van een metafoor: “Het zou goed komen met ons, zolang we samen bleven. Wij waren de twee scheefgezakte pilaren die, zodra je ze tegen elkaar aan deed leunen, steviger zouden staan dan één ongeschonden, op zichzelf staande pilaar ooit kon.” Maar waar verzwakking is – om in lijn van dat beeld te blijven – ligt verwoesting in het verschiet.

Op verschillende manieren is ‘Ik ben er niet’ een logische opvolger van Spits veelgeprezen debuutroman ‘Het smelt’

Op verschillende manieren is Ik ben er niet een logische opvolger van Spits veelgeprezen debuutroman Het smelt (2016). Haar eerste boek ging over tieners in een Kempens dorp, haar tweede over twintigers die hun rurale geboortestreek hebben verruild voor de grote stad. Niet alleen haar personages, maar ook haar schrijfstijl lijkt met de auteur te zijn doorontwikkeld.

In een scherp essay in De Gids wees schrijver Christophe Van Gerrewey (1982) er destijds op dat Het smelt vol stond met onnauwkeurige, klungelige zinnen, en gaf terloops een hoop voorbeelden van wat Jeroen Brouwers (1940) in 1977 het “wangedrochtelijke schaduwtaaltje” van het “Zuidnederlands” noemde. Dat euvel lijkt in Ik ben er niet grotendeels te zijn verholpen: deze roman bevat voornamelijk strak, ingetogen, soms zelfs enigszins kleurloos Nederlands proza, dat zo nu en dan is opgefleurd met een alledaagse vergelijking.

De vertelstructuur van deze twee boeken is echter vrijwel identiek. In Het smelt werden twee verhaallijnen afgewisseld. De ene speelde in het heden, de andere zo’n vijftien á twintig jaar eerder. Eva, de verteller, heeft in haar jeugd iets dusdanig traumatisch meegemaakt dat ze wraak wil nemen. De korte episodes in het nu lijken af te tellen naar een dramatische ontknoping, die uitgesteld wordt door lange, vaak tamelijk landerige flashbacks waarin Spit het dagelijks leven in de jaren nul in detail beschrijft. Door voortdurend heen en weer te springen en zijpaden in te slaan, wordt er uiterst traag naar de vreselijke gebeurtenis in kwestie toegewerkt.

Het idee is dat je uit morbide nieuwsgierigheid koortsachtig blijft doorlezen om erachter te komen wat er precies heeft plaatsgevonden, en de op narigheid beluste lezer van Het smelt wordt met een gruwelijke verkrachting en een publieke zelfmoord niet teleurgesteld. De roman volgt dus het recept van een thriller, en het is volgens mij niet vergezocht om het uitzinnige verkoopsucces hier direct mee in verband te brengen. Er zijn meer dan 200.000 exemplaren van Het smelt in druk (en van Spits tweede roman was de eerste oplage van 40.000 exemplaren dankzij voorbestellingen al uitverkocht nog voor het boek in de winkel lag).

Ook in Ik ben er niet wordt er weer met alternerende tijdlijnen gewerkt. De totstandkoming van de verhouding tussen Leo en Simon wordt afgewisseld met een chronologisch verslag van de periode tussen mei 2018 en februari 2019, die wederom culmineert in een rampzalige climax waarvan de lezer opnieuw middels korte, aftellende episodes langzamerhand op de hoogte wordt gebracht.

In de ruwweg negen maanden die Spit uitgebreid beschrijft, raakt de eens zo stabiele relatie van Leo ontwricht. Het begint plotseling: Simon komt een nacht laat thuis met een tatoeage achter zijn oor en vertelt uitzinnig dat hij zijn baan heeft opgezegd om als tattoo-ontwerper een eigen bedrijf op te zetten. Leo, die de stabiliteit juist koesterde en fantaseerde over een nieuw huis en een kind, ziet haar burgerlijke droombeeld verkruimelen.

Het overgrote deel van deze forse roman bestaat uit talloze scènes waarin de psychologische aftakeling van Simon minutieus beschreven wordt

Terwijl zij haar eerste successen boekt als columnist en werkt in een winkel met zwangerschapskledij, verzinkt hij in totale rusteloosheid, die het floreren van zijn start-up in de weg zit en hun vriendschappen onder druk zet. Simon begint zich steeds merkwaardiger te gedragen, vertoont paranoïde trekken en wordt uiteindelijk zelfs gevaarlijk. Hij moet worden opgenomen, en wanneer hij na enkele maanden intensieve behandeling weer wordt vrijgelaten, mag Leo hem verzorgen. Ondanks haar toewijding vervalt Simon weer in zijn oude patronen, wat ten slotte leidt tot een apotheose die onder meer de ontvoering van een baby behelst.

Het overgrote deel van deze forse roman, die nog honderd pagina’s dikker is dan Het smelt, bestaat uit talloze scènes waarin de psychologische aftakeling van Simon minutieus beschreven wordt. Het gaat Spit daarbij niet om het invoelbaar of begrijpelijk maken van Simons gedachtewereld. De lezer krijgt immers alleen het perspectief van Leo te zien, en Simons afwijkende gedrag wordt simpelweg verklaard met formele diagnostiek: bipolariteit plus een psychose. Eerder lijkt het alsof de schrijver eindeloos relationeel leed verbeeldt om het drama van dit kleine verhaal aan te zetten. Simon ventileert steeds krankzinnigere complottheorieën, verwondt zichzelf en omzwachtelt zijn hele lijf vervolgens met plasticfolie, en ook de kat moet er helaas aan geloven – het gaat allemaal van kwaad tot erger.

In een bespreking van Hanya Yanagihara’s Een klein leven (2015) noemde Joost de Vries (1983) dit opstapelen van nare gebeurtenissen “slachtofferporno”: de overdaad van leed appelleerde volgens hem al te zeer aan het medeleven van de lezer. De verwikkelingen van Ik ben er niet zijn daadwerkelijk tragisch, maar omdat alles zo breed wordt uitgemeten, verdwijnt iedere subtiliteit. Ondanks de filmische vertelstructuur en gewiekste conclusie wordt het verhaal niet spannend, maar gaat het al gauw slepen.

De enorme gedetailleerdheid van dit relatiedrama en de volledigheidsdrang van de schrijver wekken soms de indruk dat het om een getuigenis gaat. Als egodocument over leven met een bipolaire geliefde – ook een van de onderwerpen van Leo’s columns – zou Ik ben er niet misschien redelijk geslaagd zijn. Maar als literaire roman bevat het niet genoeg om bijna zeshonderd pagina’s lang interessant te blijven.

Lize Spit, Ik ben er niet, Das Mag, Amsterdam, 2020, 570 p.
Andrew Van Parijs

In 2016 kocht ik 'Het smelt' kort na verschijnen en in 2020 deed ik met 'Ik ben er niet' hetzelfde. Reden daarvoor is Lize Spits vertelkunst en haar realistische manier om gebeurtenissen weer te geven en hoe uit kwaad erger ontstaat. Naar mijn mening brengen de beste vertellers variatie aan in informatie- en spanningsdichtheid in de voortstuwing van het drama. Sommige recensenten zijn echter allergisch voor voortkabbelende dialogen en alledaagse taferelen als tijdelijk zijpad van de hoofdlijn - deze zouden slechts de aandacht afleiden - maar is het niet de schrijver die het tempo bepaalt?

Lize Spit is op haar best in het schetsen van alledaagse situaties met het venijn van de kritische waarnemer, precies zoals Goethe in 'Die Leiden des jungen Werther' allerlei speldenprikjes uitdeelt naar de burgerlijke maatschappij en de omgang tussen mensen vol holle, ingesleten patronen als langzaam pulserende opmaat naar een onontkoombaar lijkende zelfmoord. De getalenteerde schrijver blinkt mijns inziens dan ook niet zozeer uit in het verhalen over Grote Onderwerpen, maar in een klare observatie van het alledaagse leven. Zo vertelt Leo in ‘Ik ben er niet’ dat ze als schrijver voor een ‘gemakkelijk’ baantje in een kledingwinkel heeft gekozen (p. 38) om haar creativiteit te sparen – ik deed hetzelfde toen ik ooit daags na mijn buluitreiking postbode werd om verder in alle rust te kunnen componeren. Even verder (p. 39) zegt Leo dat ze na een mapje losse scènes en clichématige observaties in haar verhalen niet veel verder komt, omdat ze geen zin heeft om autobiografisch te schrijven (die zit!). En dan deze: wie de rest van de wereld over een schuilkelder inlichtte, kon er nooit meer zeker van zijn dat er, bij nood, ruimte genoeg was voor zichzelf (p. 440). Het zijn deze karakteriseringen die niet zoveel zeggen over het verhaal zelf, maar des te meer over wat de schrijver om zich heen ziet.

Mensen die gebeurtenissen niet correct afhandelen lopen het risico in een boek terecht te komen, zo luidde de waarschuwing bij publicatie van 'Het smelt'. Een dankbaar thema dat al eeuwenlang meegaat, maar bij Spit knaagt het harder en bijt het meer. Wanneer Leo onder pseudoniem Zara Six in een weekblad de ziekte van haar vriend in afleveringen beschrijft, dit om toch alsnog aandacht te krijgen als schrijver en het broodnodige geld te verdienen, ontdekt haar collega Lotte dit en geeft het door. Wie is hier de grootste verrader, die moet ophouden de ander de les te spellen, of is het een voorbeeld van een katje in het nauw dat gekke sprongen maakt? De dreiging ontmaskerd te worden ligt om de hoek, wanneer de versleuteling van jouw verhaal niet waterdicht blijkt en mensen boos worden, zelf echter zo miezerig dat hun namen enkel zouden overleven dankzij dat gehate boek. Lize Spit houdt het spannend en dat deden er meer, ieder in het in het eigen tempo. En weer moet ik denken aan Goethe en aan Werther in Wetzlar, waar zich het Lottehaus bevindt…

Andrew van Parijs

JefVanStaeyen

Ik heb "Het smelt" niet gelezen, en ga dat misschien nooit doen. Ik lijd namelijk aan enige aversie ten overstaan van dingen die me opgedrongen worden. Eind 2015 begin 2016 was het onmogelijk een digitale krant open te slaan, zonder op Lize Spit of "Het smelt" te stoten. Ik huiver daarvan. [Dáármee vergeleken is het nu oorverdovend stil rond "Ik ben er niet"...]
Ik erken dat ik in het verleden al mooie dingen heb gemist, of laattijdig "ontdekt", maar allicht ben ik zo aan enige waan van de dag ontsnapt.
Edoch — "Het smelt" niet gelezen hebbende — maak ik gebruik van dit antwoordvenstertje om te reageren op (een deeltje van) wat Christophe Van Gerrewey destijds in De Gids schreef over "Het smelt". Hierboven verwijst Lodewijk Verduin immers expliciet naar diens tekst, en naar elementen ervan, omtrent Lize Spits "onnauwkeurige, klungelige zinnen".
Aan de hand van Van Gerreweys voorbeelden lijkt het me dat Spit bij Gerard Reve in de leer is gegaan. Ook deze is zoon zinnen begonnen te schrijven.
Met vriendelijke groet,

Jozef

Eindelijk een goede bespreking. Tot nu toe enkel promotietaal gelezen. Dank!

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.