Publicaties
Van ‘grootse daden’ tot wandaden: het koloniale debat in vier Nederlandse monumenten
2 Reacties
© Ewald Vanvugt
© Ewald Vanvugt © Ewald Vanvugt
Postkoloniaal België en Nederland
maatschappij
geschiedenis

Van ‘grootse daden’ tot wandaden: het koloniale debat in vier Nederlandse monumenten

Wat wisten de Nederlanders door de eeuwen heen van wat er echt gebeurde in de koloniën? En wat weten ze er nu van? Een schets van de veranderende kijk op de koloniale tijd aan de hand van vier monumenten.

Vijf eeuwen al voeren Europeanen onderling een debat over de vraag die ook centraal stond in het beroemde dispuut van de godgeleerde Juan Ginés de Sepúlveda en de missionaris Bartolomé de Las Casas in 1550: was de komst van de Europeanen in de andere werelddelen gunstig voor de mensen die daar woonden, of juist nadelig? Het huidige koloniale debat wordt niet alleen in Nederland gevoerd, maar in alle voormalige “moederlanden”, het meest misschien in Engeland.

Het Great Imperial Debate gaat over wat lang geleden en ver weg gebeurde, en tegelijk over wat wij elkaar daarover vandaag vertellen. Onder historici van het kolonialisme, inbegrepen de slavernij, zijn de laatste decennia twee scholen ontstaan: zij die de eeuwen durende gruwelen nog nauwkeuriger willen documenteren en in groter verband beschouwen, en zij die het beeld wensen te versterken van het kolonialisme als brenger van de beschaving, later de vooruitgang genoemd. In december 1987 vond ik mezelf compleet gegrepen door dit Groot Koloniaal Debat en het heeft me sindsdien zelden nog losgelaten.

Onvergetelijk blijft de verrassing toen in een stationskiosk mijn oog viel op een tijdschrift met een coververhaal over Nederland en Bali. Al geruime tijd deed ik onderzoek naar de Nederlandse verovering van het eiland Bali in 1906, een drama waarbij volgens het militaire verslag vier Nederlanders en “ongeveer zeshonderd Balinezen” sneuvelden.3

In de Balinese stad Singaraja, in een goed bewaarde bibliotheek met ingebonden jaargangen van ambtelijke en wetenschappelijke tijdschriften, leerde ik al een paar jaar eerder dat Bali was veroverd omdat van daaruit grootschalig tjandoe (gebruiksklare “rookopium”) werd gesmokkeld naar het naburige Java. In 1894 had de Nederlandse regering in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, de Gouvernementsopiumfabriek geopend en de concurrent moest verdwijnen.

Precies dit gezagsgetrouwe verhaal stond in bijna alle kranten en boeken sinds 1906!

In de koffiebar naast de stationskiosk las ik, zeer benieuwd naar de laatste stand van de wetenschap, het artikel in het historisch tijdschrift met toenemende walging. De radja van Zuid-Bali weigerde een door de koloniale overheid opgelegde boete te betalen. Bovendien was het “kliprecht”, het recht van de strandbewoners op de goederen in een gestrand schip, een “anachronisme”, net als de radja zelf trouwens. Het moderne bestuur kon de oude toestand niet langer toestaan.

Precies dit gezagsgetrouwe verhaal stond in bijna alle kranten en boeken sinds 1906! Niets over opium, geen woord over de Dienst der Opiumregie. Het colofon noemde de auteur: C. Fasseur, hoogleraar in Leiden. Later bekeek, las en besprak ik stapeltjes boeken over het kolonialisme en van nog menig wetenschapper kreeg ik weer zo’n weeë schok als van C. Fasseur, misselijk door de peilloze kloof tussen de duidelijke gegevens in bibliotheken en archieven en de beperkte, tendentieuze keuze daaruit door de geleerden.

Monument voor de naamloze slaven

Wat wisten de Nederlanders door de eeuwen heen eigenlijk van wat er gebeurde in de koloniën – in Oost- en West-Indië? Ik schets de actueel veranderende kijk op de koloniale tijd in Nederland aan de hand van vier foto’s, te beginnen met een monument voor de naamloze slaven op de achtergevel van het Paleis op de Dam in Amsterdam.

In de zeventiende eeuw bouwden de burgers van Amsterdam met hun stadhuis op de Dam een tempel waar zij de overzeese onderneming vereerden, met marmeren wereldkaarten in de vloer. Jacob van Campen, de architect, ontwierp ook alle gevelbeelden. Terwijl de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) rond 1660 het monopolie op de kaneelhandel in Ceylon (Sri Lanka) op de Portugezen en de plaatselijke koning veroverde, beeldhouwde de Antwerpse barokkunstenaar Artus Quellinus (of Quellijn) in Amsterdam naar het ontwerp van Van Campen een twintig meter breed driehoekig kunstwerk van wit marmer. Nog altijd versiert dit monumentale timpaanreliëf de achtergevel van het grote gebouw, nu een koninklijk paleis.

In dit langgerekte timpaanbeeld wordt de zeer oude traditie voortgezet waarbij in triomfstoeten tribuut wordt gebracht aan een veroveraar. Maar kregen de Romeinen geschenken aangeboden uit betrekkelijk nabijgelegen landen, hier ontvangt Amsterdam een afgezante, dieren en geschenken uit vier werelddelen. Dit kunstwerk is het eerste in een lange reeks waarop Europeanen zich zelfbewust voorstellen als meesters van de mensheid.

De eigen slavenhandel was in Nederland vanaf het begin geen geheim, maar het onderwerp zat in een hoek weggestopt zoals nog is te zien op het Koninklijk Paleis op de Dam. In de zeventiende eeuw draaiden de Nederlandse compagnieën in de Oost en de West deels op de slavenarbeid van Indianen, Afrikanen en Aziaten. Ook dit feit vereeuwigden de kunstenaars. In de punt richting Centraal Station zijn naast Europa en Afrika met hun dieren drie half verborgen mannen gebeeldhouwd, die zwoegen bij het vervoer van de exotische handel en buit naar Amsterdam. Zeker één van hen is een Afrikaan. Zij drieën vormen het monument voor de naamloze Afrikanen, Aziaten en Indianen die met honderdduizenden in slavernij ploeterden voor het profijt van Nederland.

Deze beeldengroep onder de dakrand van het paleis staat te popelen om deel te nemen aan het actuele koloniale debat: als jaarlijks op 1 juli met Keti Koti de afschaffing van de slavernij onder de Nederlandse wet wordt herdacht, kan dit beeld rijk versierd met bloemen en een lichtshow de aandacht van de voorbijgangers trekken, zodat zij misschien ook de rest van het jaar soms omhoog kijken en meer willen weten over de Nederlandse mensenhandel.

Eduard Douwes Dekker

We richten nu de blik op de Torensluis in Amsterdam, waar we een groot borstbeeld zien van Eduard Douwes Dekker (1820-1887). Delen van Oost-Indië werden vanuit Nederland geregeerd door een kleine, gesloten groep: eerst de hoofddirectie van de Vereenigde Oostindische Compagnie, later “regeringscomités” en vanaf 1813 het kabinet van de koning. De meeste Nederlanders wisten weinig meer over de koloniën dan het standaardverhaal: ze waren daar om de heidense of wilde inwoners bij te staan zich te ontwikkelen. Al die tijd verdienden generaties ambtenaren en lakeien in departementen en universiteiten hun brood en aanzien met toedekken en wegkijken. Vrijmoedig spreken was bij wet verboden.

Een voorvechter van openheid over de koloniale politiek en praktijk was Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879). “Van Hoëvell maakte de ‘koloniale kwestie” tot de belangrijkste in het Nederlandse parlement, maar eerst de genialiteit van Multatuli openbaarde het lot van de Javaan aan het volk van Nederland”, schreef E. du Perron in 1937.

Eduard Douwes Dekker, de schrijver die zich Multatuli noemde, gaf in Max Havelaar een portret van zichzelf en van de koloniale samenleving – zowel in Nederland als in Oost-Indië. De politieke strijd ging vanaf 1848 tot 1870 uitsluitend over Cultuurstelsel versus vrije arbeid. Het Cultuurstelsel betekende dat de overheid de Javanen dwong bepaalde landbouwproducten op hun vruchtbare grond te verbouwen. De afgeperste arbeid en grondgebruik voor de teelt van suiker, indigo en bovenal koffie maakten heel Java feitelijk tot één staatsslavenplantage.

Cultuurstelsel of vrije arbeid? Multatuli zag het in 1862 in zijn vlugschrift Over vrijen arbeid in Nederlandsch Indië en de tegenwoordige koloniale agitatie voor de Javanen geen verschil maken. Hij stelde noch de ene noch de andere partij in het gelijk, het ging slechts om een andere naam voor dezelfde beul.

Een ‘vergeten’ monument

Ook in Amsterdam, meer bepaald in Zuid, bevindt zich het Van Heutsz-monument. Na Multatuli kon niemand zich nog verschuilen achter onwetendheid over het geweld waarmee welvaart uit de koloniën naar Nederland werd gehaald. Toch richtten overheid en bedrijfsleven in de laatste halve eeuw van het kolonialisme (1890-1940) meer en grotere standbeelden en monumenten op ter ere van helden in de “overzeese gebiedsdelen” dan in de drie eeuwen daarvoor.

Kort nadat de gepensioneerde generaal Joannes Benedictus van Heutsz in juli 1924 in Zwitserland was gestorven en begraven, ontstonden op meerdere plaatsen plannen om hem met een monument tot symbool van het respectabele kolonialisme te maken. De meest gewelddadige generaal werd de meest gehuldigde koloniale militair, in de verering van zijn persoon kreeg zijn methode van de mechanische overkill in de overzeese oorlogen postuum nog de zegen van heel officieel Nederland.7

In de laatste halve eeuw van het kolonialisme zijn meer en grotere monumenten opgericht dan in de drie eeuwen daarvoor

Het Van Heutsz-monument op het Olympiaplein in Amsterdam-Zuid werd op 15 juni 1935 onthuld door zijn bewonderaarster koningin Wilhelmina. Op het centrale voetstuk (vier meter hoog) staat de bloedgeneraal verbeeld als een vrouwelijke reus (viereneenhalve meter groot) van beige-grijze muschelkalksteen. Ze is gekleed in een sarong en houdt met twee handen een wetsrol open. Haar gezicht is “edel”, leeg, resoluut, zowel man als vrouw. Wie is zij? Zij is het “weldoende kolonialisme”, de brenger van orde, de eerste voorwaarde voor vooruitgang.

De Van Heutsz-vereerders wisten dat een standbeeld een doeltreffende spreekbuis van propaganda kan zijn, want het is een tijdrovende taak om een standbeeld tegen te spreken en elke propaganda die niet wordt weersproken grijpt de kans om voor de waarheid door te gaan. Het Van Heutsz-monument kreeg evenwel vaak luidruchtig antwoord met demonstraties en graffiti. Tot ongeveer het jaar 2000 verwees het enorme kunstwerk van metselwerk en hardstenen beelden duidelijk naar de generaal, met zijn naam in grote letters op het voetstuk. Sinds 2004 heet het kunstwerk: Monument Indië-Nederland.

In de koloniale geschiedschrijving zijn oorlogen en geweld altijd een hoofdonderwerp geweest. Maar terwijl de monumenten voor de generaals en admiraals die daarover openlijk op straat vertelden, hun naam en betekenis verliezen, verdwijnen ook de massamoorden waarmee de welvaart naar Europa werd gehaald steeds spoorlozer uit het collectieve geheugen – op die van dé Nederlandse nationale zondebok na: Jan Pieterszoon Coen.

In Indonesië is Van Heutsz een nationale figuur, want onder zijn bewind werd het grote eilandenrijk een centraal geregeerde eenheid. In Nederland is Van Heutsz volmaakt “vergeten”. Hij is zelfs niet eens meer een naam op een monument.

Van hoogste bevelhebber tot zondebok

We verlaten Amsterdam, maar blijven in Noord-Holland. We trekken naar Hoorn, stad aan het Markermeer. Daar staat het standbeeld van de zopas genoemde Jan Pieterszoon Coen.

Vanaf begin zeventiende eeuw dwongen officieren van de VOC de boeren in de Molukken met veel geweld om hun muskaatnoten, foelie en kruidnagel uitsluitend aan hen te verkopen. De hoogste bevelhebber in Oost-Indië, Laurens Reael, protesteerde tegen deze strafexpedities. Maar een lid van de eerste Raad van Indië, Jacques l’Hermite, stelde in 1612 in een brief aan de hoofddirectie in Amsterdam: “Mijns bedunkens hoorde men niet naar enige vrede te trachten, vooraleer men hen geheel overwonnen heeft en met goede afspraken tot rede gebracht of gans uitgeroeid heeft. Bedwongen of uitgeroeid, waarbij het laatste wel het zekerste zou zijn...” Coen heeft dit plan uitgevoerd.8

In februari 1621 landde een duizendtal soldaten op Banda Neira. Zij bezetten het eiland en Coen stuurde meteen achthonderd gevangenen in slavernij naar Batavia. In maart omsingelden troepen van de VOC het dorp Lontor, zij staken het in brand en namen de vluchtende mensen gevangen. Nog geen tien jaar nadat Jacques l’Hermite onomwonden had voorgesteld om de Bandanezen (“dit schelmachtig gedrocht”) uit te roeien, schreef Coen aan de directie van de VOC: “De inwoners zijn meest allen door de oorlog, armoede en gebrek vergaan”.

Coen werd vanwege zijn strategische en lucratieve massamoord een van de meest vereerde Nederlanders

De bevolking van de Banda-archipel werd bij de komst van de Nederlanders becijferd op vijftienduizend personen. Hoogstens een duizendtal wist naar de naburige eilanden te vluchten. Coen zelf stelde in zijn Vertoog het aantal Bandanese slachtoffers op “omtrent 2.500 zielen die (zowel) van honger en ellende als door het zwaard zijn vergaan”.

De Nederlanders deden wat de Portugezen nooit was gelukt: door de verovering van de tuinen en boomgaarden op de Molukken en de Banda-eilanden verwierven zij het monopolie op de internationale handel in nootmuskaat en kruidnagel.9 Het is een naar feit dat het Nederlandse koloniale rijk is gebouwd op een massacre.

Coen werd vanwege zijn strategische en lucratieve massamoord een van de meest vereerde Nederlanders. Zijn levensgrote standbeeld staat sinds 1893 in het centrum van Hoorn, in Amsterdam staat zijn gebeeldhouwde portret nog altijd op vijf plaatsen in de openbare ruimte.

Wis de namen van koloniale bloedjassen niet uit en onderhoud hun standbeelden goed

In de eenentwintigste eeuw is Coens imago snel verslechterd. Tijdens het Slavernijdebat en de Zwarte Piet-discussie – termen die staan voor de omslag in Nederland naar een nieuwe omgang met het koloniale verleden – kwam Coen weer tot leven in het nationale bewustzijn. Maar de eens geëerde grondlegger van het koloniale rijk werd nu herboren als duurzame zondebok en symboolfiguur voor de eeuwen van geweld en uitbuiting overzee. Sommigen voelden zo’n afkeer van zijn naam dat zij die verwijderden van een straat of een school.

Mijn raad is om de namen van koloniale bloedjassen niet uit te wissen en hun standbeelden goed te onderhouden. Want hoewel oorspronkelijk opgericht om aan de “grootse daden” te herinneren, vertellen ze nu en in de toekomst ook luid over de wandaden.

Pieter CoupeFlag

Beste Jef,

De auteur liet het volgende weten: Foto 3 is gemaakt in 1988.
Foto 4 is gemaakt in 1982 op een zomerse zaterdagochtend toen er bij het standbeeld een folkloristische dans- en zanggroep optrad. Hij ging in de buurt boodschappen doen en trof dit tafereel.

JefVanStaeyenFlag

Hartelijk dank,
Is het mogelijk de foto's 3 en 4 (benaderend) te dateren, en ook te vermelden welke scène we op foto 4 zien?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.