Publicaties
UIT HET ARCHIEF: Matthijs de Ridder over Louis Paul Boon in de eenentwintigste eeuw
0 Reacties
Foto Jo Boon / © Erven Boon
Foto Jo Boon / © Erven Boon Foto Jo Boon / © Erven Boon
Verloren en gevonden voorwerpen
literatuur

UIT HET ARCHIEF: Matthijs de Ridder over Louis Paul Boon in de eenentwintigste eeuw

In Vlaanderen heeft men het over verloren voorwerpen. In Nederland zijn ze gevonden. En als we dat verlies in deze bijzondere tijden nu eens echt omzetten in vinden?

Neem nu onze archieven. Ik wil graag één keer per twee weken een stuk uit ons archief opdiepen dat nu eens niets te maken hoeft te hebben met corona. Gewoon een goed stuk, dat ons een ander perspectief geeft op de dingen, of een nieuwe betekenis krijgt na enkele jaren. Een gevonden voorwerp.

Bladerend door de jaargang van 2012 van Ons Erfdeel vind ik in nummer 2 een mooi stuk over Louis Paul Boon (1912-1979), die toen honderd jaar zou zijn geworden. Ik zal het maar bekennen. Ik woon in Erembodegem op een stuk grond dat nog behoord heeft aan de familie De Vis, waaraan Boon zijn laatste boek, De Kasteelheertjes, Ondergang ener familie van Aalsterse grootgrondbezitters in onze 20e eeuw wilde wijden. Het werd een novelle.

Als ik mijn huis uitloop, ben ik vijf minuten later in het Osbroek, Boons “niemandsbos” uit De Kapellekensbaan waar de moerasgeest Kledden met zijn bokkepoten op meisjes jaagt om ze te onteren. Al snel zie ik een kasteeltje opdoemen tussen de bomen: het is dat van meneer achilles derenancourt, directeur van de garenfabriek de filature. Ondine, de heldin van de roman, zal er in haar tot mislukken gedoemde poging om aan haar afkomst te ontsnappen en toe te treden tot de burgerij, haar eer verliezen.

In het bos zelf stoot ik op een hek dat een reservaat afsluit dat wilde runderen en teruggefokte oerpaarden belooft. Hier is de natuur - enkele hectaren toch – aan zichzelf teruggegeven door de mens. De paarden zijn in geen velden of wegen te bekennen, de runderen grazen vredig en gunnen de wandelaar geen blik.

En buiten het bos bots ik eindelijk op de Kapellekensbaan, en zie ik de eindeloos lange muur van de dekenfabriek de labor: de muur is netjes gerestaureerd; de desolate en failliete leerlooierij met vervuilde ondergrond is nu een sportcentrum geworden. Twee fabrieksschouwen zijn gespaard. Even verder ligt ook de Kapel, met de krukken en ex-voto’s aan de muur die de Maagd Maria danken voor bewezen gunsten. Met wat goede wil kun je nog de enkele vuile huizen van het gehucht ter-muren uit de roman zien rond de kapel. Iets verder ligt het station van Erembodegem waar de schrijver elke dag de trein nam naar Gent waar hij zijn stukje schreef voor de krant Vooruit.

De ideologiëen waren toen al dood, althans de communistische, marxistische, leninistische, trotskistische, maoïstische. Lowie wist het al in 1953, toen hij zijn boek over de Kapellekensbaan eindelijk zag verschijnen, waarin de opgang en de neergang van het socialisme werd beschreven.

Wie Boon leest, ziet zijn grootheid

De slotzin van Boons Mijn kleine oorlog dat verscheen in 1947 luidt: “Schop de mensen tot zij een geweten krijgen”. In de tweede druk uit 1960, toen de wereld onherroepelijk veranderd was en het westen zich opmaakte om rijk te worden, kreeg het boek een andere slotzin: “Wat heeft het alles voor zin?” Tussen beide zinnen ligt dit oeuvre zelf van een man die meer anarchist was dan socialist, en nee, niet een tedere; een zwarte nihilist die meer en meer een eenzame, droefgeestige man werd, een viezentist die duizenden plaatjes van naakte vrouwen spaarde, en droomde van jonge meisjes.

Wie Boon leest, ziet zijn grootheid: de plas, de zee, de chaos van wat hij ter sprake brengt, niet meer of minder dan de lucebertiaanse “ ruimte van het volledig leven”. Hij heeft driftig naar “een andere vorm” gezocht - in zijn eigen woorden: “maar de welke? B.v.b. een roman waarin ge alles holderdebolder uitkeert, kwak, gelijk een kuip mortel die van een stelling valt.” Als in onze wereld alles aan stukken ligt, elke samenhang zoek is, dan moet men alles aan het woord laten, alle stemmen laten opklinken. Dat heeft Boon magistraal gedaan. Boon is beroezende polyfonie. Boon is een voortjakkerende gedrevenheid. Boon is een direct herkenbare en onnavolgbare toon, een taal van eigen vinding: Boons.

Matthijs de Ridder schreef een mooi stuk over één van onze grootste schrijvers.

Je leest het hier.

Tolle et lege.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.