Publicaties
Stijn Streuvels, de landman uit het dorp
1 Reacties
© Letterenhuis, Antwerpen
© Letterenhuis, Antwerpen © Letterenhuis, Antwerpen
Wankel
literatuur

Stijn Streuvels, de landman uit het dorp

Gaston Durnez haalt herinneringen op aan Stijn Streuvels, die hij wellicht de grootste Vlaamse letterkundige uit de twintigste eeuw noemt. Streuvels overleed vijftig jaar geleden, op 15 augustus 1969.

Stijn Streuvels is in zijn lange leven twee keer overleden. En één keer verrezen. Zo leert ons de geschiedenis van De Standaard. Op 9 juni 1950, zestig jaar geleden, toen hij thuis aan zijn ontbijttafel zat, hoorde hij in het radionieuws dat hij daags voordien was overleden. Tiens, dacht Streuvels. Zijn vrouw, die in de keuken bedrijvig was, had het ook gehoord en kwam kijken of het waar was.

Meteen rinkelde de telefoon en werd er ongerust op de voordeur geklopt. De pastoor kwam haastig aangelopen met de Heilige Olie om zijn parochiaan alsnog te zalven voor de Grote Reis naar de Eeuwigheid. Rouwtelegrammen stroomden binnen met christelijke deelneming van heinde en verre. Verzamelaars smeekten om een santje, een gedachtenisprentje.

Weldra bleek dat de radioredactie het nieuws had ontleend aan De Standaard. In de late avond was het blad opgebeld door een man die zich voorstelde als de burgemeester van Ingooigem. Met ingetogen stem meldde hij het droevige nieuws over zijn geëerde inwoner. De nachtredacteur snelde er mee naar de drukkerij waar nog net een plaatsje in “de laatste berichten” vrijgemaakt kon worden.

Stijn verrezen, alleluia!

Nooit hebben wij de schuldige kunnen vinden. Streuvels, eerst overtuigd dat het om een “parochiegrap” ging die tegen hem gericht was, nam daarna aan dat “men” eerder de krant had willen treffen. Dat leek, in de toenmalige journalistieke en politieke constellatie, het meest waarschijnlijke. (Ik vreesde dat iemand de jonge rubriekleider viseerde.)

Nu wilde het toeval dat er voor diezelfde 9 juni 1959 een bezoek aan het Openluchtmuseum Bokrijk was voorzien. De kerngezonde dode werd er door de provinciegouverneur Louis Roppe feestelijk onthaald en de krant kon in haar volgend nummer een kop laten juichen : Stijn verrezen, alleluia!

Tien jaar heeft hij zijn voorbarige overlijden overleefd. Toen ik hem later eens vroeg welk recept hij volgde om zo oud te worden, glimlachte hij: “Ik zeg altijd tegen onze buren: gij doet niets anders dan gazetten lezen en televisie kijken, gij kunt gij niet oud worden…”

Met een kluitje in het riet van de Leie

Streuvels en de journalisten, dat is een hoofdstukje apart in het openbare leven van de wellicht grootste Vlaamse letterkundige uit de twintigste eeuw. Hij had het nooit goed begrepen op de publiciteit, op de snelle beeldvorming van “de openbare mening”. De dagelijkse bedrukte werkelijkheid gaf hem vaak gelijk. Misverstanden bloeiden in de media snel als onkruid. Voor je ’t wist, werd je, gewild of ongewild, gemanipuleerd. Dat had hij ondervonden toen hij als jonge beroemdheid in de actualiteit kwam. Journalisten liet hij voortaan (vaak) voor een gesloten deur staan. Allerlei verhalen deden de ronde over sterren uit ons beroep die hij met een kluitje in het riet van de Leie had gezonden. Een ongewenste gast ontving hij in zijn vermomming van tuinman en zei kortweg dat Meneer niet thuis was. Sommige reporters vonden het niet zo erg en schreven dan maar een kleurrijk verslag over hun vruchteloze reis naar Ingooigem. (Een goede pen maakt van alle hout goud.)

Als men Streuvels naar zijn beroep vroeg, noemde hij zich simpelweg landman

De streuveliaanse schuwheid tegenover de pers en haar leefwereld dateerde uit de Eerste Wereldoorlog toen hij, tegen zijn zin, in pijnlijke polemieken werd betrokken, onder meer via de weerklank van zijn oorlogsdagboek en door verklaringen aan een Vlaams-nationalistisch weekblad. Die terughoudendheid gold ook zijn deelneming aan het leven van de buitenwereld. Hij was geen man voor luidruchtige manifestaties of podia. Telkens als er een gebeurtenis in zijn leven kwam die hem al te zeer in de openbare belangstelling plaatste, verdween hij in het decor. Dan kregen bepaalde relaties wel eens kaartjes toegezonden: “Stijn Streuvels uit de ouderlijke woning verdwenen.” De Duitse bezetters hebben het bij gelegenheid mogen meemaken.

Altijd zichzelf gebleven

Zijn gevoel van zelfstandigheid zat diep in hem. Als men hem naar zijn beroep vroeg, noemde hij zich niet hoogdravend letterkundige, maar simpelweg landman, en dat wilde hij zo onafhankelijk mogelijk blijven. Toon Breës, die hem als geen andere streuveliaan heeft gekend, heeft een onmisbaar boek over hem geschreven en zegt: “Als bij mijn studie één zaak duidelijk is geworden, dan gaat het om de vaststelling dat de Meester van het Lijsternest altijd zichzelf is gebleven, dit wil zeggen dat hij zich ideologisch noch politiek of filosofisch bij een gemeenschappelijke groep wilde aansluiten, noch door literair-artistieke modetrends liet inpalmen”. Streuvels liep, zoals hijzelf het uitdrukte, ‘onder geen enkel vaantje’. In zijn lange leven heeft hij zich vrijwel uitsluitend gemanifesteerd als schrijver, in de beslotenheid van zijn Lijsternest”.

Was dat ook echt een besloten wereld? Breës heeft ons ten overvloede getoond, hoe breed, hoe sterk Streuvels’ visie op de werkelijkheid van tijd en volk was; hoe direct hij nog, vanuit het verleden, tot de huidige lezer kan spreken. Als die lezer maar naar hem wil luisteren.

Luistert de lezer nog naar hem ? Heeft het werk van Stijn Streuvels hem overleefd? Toen de Landman vijftig jaar geleden op een witte huifkar (de wijtewagen uit de gezelliaanse Kerkhofblommen) het Lijsternest verliet en door een zee van volk naar de kerk en het kerkhof van Ingooigem werd gereden, lag zijn Verzameld Werk te wachten op publicatie. De vier dundrukboeken, als een Vlaamse Pléiade-serie, vormden als het ware de gedenksteen op het graf van hun schepper.

Veel van wat in die editie staat, is nooit meer apart verschenen, maar de bekendste titels komen tegenwoordig af en toe weer onder de mensen: De Vlaschaard, natuurlijk, die twee keer werd verfilmd; De Teleurgang van de Waterhoek, eveneens verfilmd; Het leven en de dood in den ast: algemeen als zijn beste werk beschouwd en in de canon van onze literatuur opgenomen. Bij de herdenking van de Eerste Wereldoorlog herontdekte men zijn dagboeken In Oorlogstijd, als oorspronkelijke en spitante documenten van een levensechte waarnemer in de dodelijke strijd. Alles samen weegt dat méér dan wat de meeste andere Vlaamse auteurs uit Streuvels’ tijd in de erfgoedbibliotheek kunnen aanbieden. Ik denk hierbij ook aan recente studies over hem en aan het voortreffelijke jaarboek van het naar hem genoemde genootschap, dat binnenkort, samen met het Elsschot Genootschap, als enige zal overblijven van de vijf dergelijke studieverenigingen die jaren lang hebben bestaan: na Cyriel Buysse en Gerard Walschap verdwijnen weldra ook Felix Timmermans’ genootschap en jaarboek.

De jongste jaren kreeg men de indruk dat de waardering voor Streuvels herleeft en stijgt. De tijd dat men hem als een regionale schrijver opzijzette, lijkt voorbij. Dat is juist, zegt mij Frank Hellemans. De literaire criticus en docent aan de Thomas More Hogeschool in Mechelen spreekt van “een bescheiden revival”, maar dan alleen in de cenakels van de doorgedreven literatuurbeschouwing: “Streuvels is niet zomaar een West-Vlaamse idiomatische auteur maar à la Giono een volksschrijver met universele allures, die tijdloze ‘mythische’ verhalen brengt…”

Maar in de wereld van de alledaagse lezers is er geen sprake van vernieuwde belangstelling voor Streuvels. En al zeker niet in de wereld van de jongeren. “Ze kennen nog wel Lanoye en Brusselmans, en een enkeling ook Elsschot. Maar als ze fictie lezen, is dat meestal Engelstalige fantasy, genre Harry Potter en The Hunger Games.”

De tijd dat men Streuvels als een regionale schrijver opzijzette, lijkt voorbij

“Wij moeten Streuvels uit het museum halen!” zegt ons Toon Breës, die ons een zeer bijzondere vorm van Streuvelsbiografie bezorgt, waarin definitief een aantal misvattingen en legenden worden weggezuiverd.

Breës (81) is een Kempenaar, die jarenlang leraar was in Antwerpen. Hij noemt zijn studie “een kritische en biografische synthese”. Hij onderzocht de wijze waarop Streuvels’ werk in de loop der jaren werd ontvangen en keek er naar in het licht van documenten en getuigenissen. Privéleven, vrienden, tijdgenoten en tijdssfeer komen aan bod in zoverre ze raakpunten met het schrijverschap hebben. Hij vatte het omvangrijke werk aan toen hij student was en hij won er toen meteen de vriendschap en de medewerking van Streuvels zelf mee. Vijf jaar geleden was de studie af en is zij (984 bladzijden groot!) als jaarboek 21 van het genootschap uitgegeven.

Breës, als filoloog bijzonder gefocust op de taalkunst in onze moderne literatuur, kun je onmiddellijk op zijn strijdros zetten. Zeg gewoon dat de Meester uit het Lijsternest dialect schreef, moeilijk West-Vlaams dialect, en dat dit de leeslust van de hedendaagse Vlaming afremt. “Nee, nee, nee, zeker geen dialect!”, zal Breës uitroepen. Streuvels, die zelfstandige persoonlijkheid, zo legt hij uit, gebruikt “een autonoom artistiek idioom”. Hij smeedt zijn eigen taal in functie van wat hij wil uitdrukken of weergeven. Zo kunnen verhalen en romans merkelijk van taalklank en kleur verschillen. Vanzelfsprekend boort Streuvels daarbij ook West-Vlaamse taalbronnen aan, in de actuele taal zowel als in het verleden. Of hij creëert het woord dat hij nodig heeft. “Dat is zijn volle artistiek recht”, zegt Breës, en hij verwijst naar grote buitenlandse voorbeelden die hetzelfde deden. Met Hugo Claus als geïnspireerde navolger. Zo zuivert de wetenschapper definitief het erf van het Lijsternest.

Het erotische is in de meeste romans en verhalen een structureel bepalende factor

Hij besteedt evenzeer aandacht aan het donkere misverstand met de verfoeide “bloed-en-bodemkunst” uit de oorlogstijd en aan de slechte en vaak moedwillig foute informatie waarmee “men” de schrijver zelfs heeft willen “nazificeren”.

Niet minder belangrijk zijn de passages over de seksualiteit in het werk van Streuvels, die vroeger nu eens als te beperkt, dan weer door sommigen als een revolutionair element werd gezien. Breës toont uitvoerig aan dat het erotische in de meeste romans en verhalen een structureel bepalende factor is. Als de “moeilijk eenvoudig te omschrijven” houding van Streuvels tegenover het bovennatuurlijke ter studie komt, is de conclusie dat het geloof bij zijn personages “bijna uitsluitend formalistische kenmerken” heeft. Streuvels zelf, de trouwe kerkganger, komt ten slotte over “als een agnost, die op een weemoedige manier troost en tederheid vindt in zijn geheugen”.

En dan is er Streuvels de Brievenschrijver, met hoofdletter! Een blije verrassing voor liefhebbers van literatuur uit het privédomein vormen enkele goed bewaarde correspondenties. Bijvoorbeeld die met zijn verstokte pennenvriend Ernest Claes. Toen de schrijver van De Witte in de jaren 1930 en ’40 ambtenaar was in het Belgisch parlement, kon je hem de privé-Wetstraatverslaggever voor het Lijsternest noemen. Een andere en zeer dierbare literaire kameraad was drie decennia lang de Nederlander Antoon (“Kinderen van ons Volk”) Coolen. Welgeteld 297 brieven, briefkaarten, prentkaarten en telegrammen telt de schat die zij samen hebben nagelaten.

Alles werd volgens de regels der kunst bestudeerd door de Vlaamse (in Hongarije wonende en werkende) specialist Stijn Vanclooster. Het resultaat is vorig jaar in een voortreffelijk boek bij Lannoo verschenen onder de veelzeggende titel: Een altijd weer vernieuwd geluk. Een aanwinst voor de Streuvelsstudie en een boeiend en warm leesboek dat kleur geeft aan wat wij weten over het leven van twee mensen die hun werk en engagement zeer ernstig opnamen, huis- en reisvrienden waren en elkaars werk openhartig beoordeelden. Streuvels de Boekenschrijver was ook Streuvels de Brievenschrijver: altijd bleef hij zichzelf.

Over een kleinere, innige verzameling brieven die ons de schrijver tonen als de bezorgde vader, wordt ons nu verteld in Zuurvrij, het voortreffelijke tijdschrift over de schatkamers van het Letterenhuis. Leentje Vandemeulebroecke, alias de dichteres Jo Gisekin, kleindochter van Streuvels, erfde een honderdtal brieven. Haar grootvader schreef ze aan zijn oudste dochter, Paula, toen die als vijftienjarige ging studeren in Amsterdam, bij Aleida Nijland, de eerste vrouwelijke Nederlandse doctor in de letteren.

Leentje richt zich tot Streuvels en zegt: “Ook hier vind ik uw smaak, uw zin voor stijl en voornaamheid terug, zoals die ook merkbaar was in uw kleding die van u, de landman uit het dorp, een heer maakte, en ons met fierheid naar u deed opkijken als we samen op stap waren.”

dirkverbeke

Indirect, via een brief aan Streuvels, en dan nog eentje van de "overkant"- en via zijn vriend André Demedts - was Streuvels ergens ergens ergens toch de aanzet tot een "beweging" i.v.m. Frans-Vlaanderen. Dat werd het weinig luidruchtige, maar efficiënte KFV (Komitee voor Frans-Vlaanderen), dat dit jaar 72 jaar bestaat. Sic!

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be