Publicaties
Schrijvers gaan gendertwijfels te lijf met de hulp van moeder natuur
0 Reacties
literatuur

Schrijvers gaan gendertwijfels te lijf met de hulp van moeder natuur

Transgenders laten steeds meer van zich horen, en ook het fictiepersonage dat worstelt met het onderscheid tussen man en vrouw stapt langzaam maar zeker in het licht. In hun recente boeken proberen Yolanda Entius, Mariken Heitman en Marieke Lucas Rijneveld gendertwijfels begrijpelijk te maken voor een groter publiek in de vorm van vergelijkingen met Moeder Natuur.

Toen ik enkele jaren geleden tijdens mijn studie literatuurwetenschap colleges volgde over gender en seksualiteit, voelde het alsof wat me daar verteld werd nog mijlenver aflag van de veronderstellingen van de gemiddelde aardbewoner: dat het mogelijk is je een man in een vrouwenlichaam te voelen of andersom, of dat je je het liefst tussen beide geslachten in beweegt.

Inmiddels zijn die ideeën gelukkig een stuk meer wijdverbreid geraakt: steeds meer bekende gezichten geven aan ooit te hebben geworsteld met hun gender of dat nu nog te doen. De eerste transgenders stapten al een tijd geleden in de spotlights: Dana International, die in 1998 namens Israël het Songfestival won, en vervolgens in media over de hele wereld verslag deed van haar leven als transseksueel. Enkele jaren daarna, in 2004, won transgender Nadia Almada in het Verenigd Koninkrijk de realityshow Big Brother, met alle media-aandacht van dien.

En wat te denken van de onthulling van de Amerikaanse tv-persoonlijkheid Bruce Jenner, die in 2015 bekendmaakte voortaan door het leven te willen gaan als Caitlyn. Deze beweging kreeg wereldwijd navolging, afgelopen jaar bijvoorbeeld nog in de vorm van de bekentenissen van make-upartiest Nikkie de Jager en acteur Elliot Page. In België is Petra De Sutter wellicht de bekendste transgender: deze hoogleraar in de gynaecologie schreef in 2015 het boek (Over) Leven. Mijn strijd als transvrouw, zat voor de partij Groen in het Europees Parlement en is minister van Overheidsbedrijven en Ambtenarenzaken in de federale regering.

De volwassen literatuur leek lange tijd nog niet klaar om met dit onderwerp aan de slag te gaan. Wel werd in jeugdboeken de afgelopen jaren steeds vaker gereflecteerd op de beweging tussen jongen en meisje – niet verwonderlijk, gezien de wijze waarop deze transformatie in het coming of age-thema past, en kan worden gezien als onderdeel van de vele identiteitsvragen waarmee jongeren worstelen. Uitgeverij Querido lanceerde in het voorjaar van 2020 op initiatief van schrijver Edward van de Vendel zelfs een aparte queer-boekenserie voor young adults. Maar een hausse aan fictie voor volwassenen bleef tot nu toe uit.

Toch wagen met name de jongste jaren steeds meer auteurs zich aan het thema. Zo verscheen in 2018 Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny van Yolanda Entius (1961), een bundeling van twee verhalen, waarvan het eerste de geschiedenis vertelt van de ontmoeting tussen een meisje en een slak die het goed met elkaar kunnen vinden omdat beiden worstelen met hun gender en seksualiteit. In 2019 volgde De wateraap van Mariken Heitman (1983), over biologiestudente Elke, die besluit in Wenen onderzoek te gaan doen naar het titeldier, dat een kruising zou vormen tussen aap en mens. Eind 2020 verscheen Mijn lieve gunsteling van Marieke Lucas Rijneveld (1991), waarin een veearts zijn pedofiele liefde voor een boerenmeisje dat verlangt naar een “jongensgeweitje” uit de doeken doet.

‘Ik trek mijn eigen kleren aan’

Verrassend genoeg maken deze drie romans stuk voor stuk gebruik van dierlijke vergelijkingen om het idee dat een mens kan worstelen met diens gender voor een bredere groep lezers begrijpelijk te maken. Het eerste deel van Entius’ bundel, ‘Het verhaal van Benito Benin’, kan in dat kader worden gelezen als een pleidooi voor de vrijheid zelf te bepalen wie je wilt zijn. Niet voor niets is het motto afkomstig van gendertherapeut Tony Zandvliet: “Wat je bent, dat zeg je zelf.”

Het verhaal opent met een scène waarin slak Benito in de spiegel kijkt en ontdekt dat “wat hij daar zag […] volstrekt niet overeen[kwam] met het beeld dat hij van zichzelf gevormd had”. Hij geeft ruimte aan zijn onvrede: met zichzelf, zijn huis en zijn leven – precies op het moment dat hem een ontmoeting met de jonge Lieke te wachten staat, die met dezelfde problemen worstelt. Ze wordt gepest om haar jongensachtigheid, maar sluit vriendschap met Benito, die als slak jongen en meisje ineen is. Dat klinkt haar aanlokkelijk in de oren, na al die keren dat klasgenoten haar hebben uitgejoeld en “Lieke is een pot” op de stoeptegels voor haar huis hebben geschreven.

Beiden fantaseren over een ander lichaam: Lieke over een vorm waarin ze zich meer thuis voelt, Benito over een huisje dat meer “in overeenstemming met zijn innerlijk zou zijn”, inclusief dakkapel, danszaal en kasteeltorens met uitzicht. Aanvankelijk denkt de slak dat zijn onzekerheid weleens zou kunnen horen bij het feit dat hij simpelweg nog moet groeien: als de seizoenen maar verstrijken, zal hij zich vanzelf goed voelen in zijn lijf en huisje. Maar dat blijkt ijdele hoop: zijn onvrede blijft.

De twee ontmoeten elkaar precies wanneer Benito bij toeval terechtkomt tussen de kampeerspullen van de familie van de somberende Lieke, en zo uit Frankrijk wordt mee getransporteerd. In eerste instantie vindt ze hem een “dramaqueen”, maar zodra ze ontdekt dat slakken tegelijk mannelijk en vrouwelijk zijn, is haar interesse gewekt. Als ze Benito probeert uit te leggen dat de mensenwereld twee aparte geslachten kent, met verschillende uiterlijke kenmerken en gedragingen, concludeert de slak op basis van haar kledingkeuze dat Lieke wel een jongen moet zijn. Dat spreekt ze tegen, “maar”, zegt ze, “ik trek mijn eigen kleren aan”.

Zo reflecteren de twee verder: op de vreemdheid van bikinibovenstukjes voor meisjes, op de vraag of het verschil tussen jongens en meisjes alleen maar aan de buitenkant of ook aan de binnenzijde zit, wanneer Lieke voor het eerst het gevoel had dat ze een meisje was of hoorde te zijn, waarom mensen per se moeten kiezen om man óf vrouw te zijn.

Het zijn de jeugdige leeftijd van Lieke en de onwetende blik van slak Benito die Entius de kans geven met een open blik over deze genderkwesties na te denken. In die hoedanigheid fluistert Lieke hem ook de volgende wijze tienerwoorden toe: “Ik denk dat je bent wie je bent en dat je alleen kunt leren anders naar jezelf te kijken. Je verandering moet niet vanbuiten, maar vanbinnen komen. Als je beter naar jezelf zou kijken zou je zien dat er helemaal niets is om zo ongelukkig over te zijn.”

Meisje en slak fantaseren over een ander lichaam: Lieke over een vorm waarin ze zich meer thuis voelt, Benito over een huisje dat meer ‘in overeenstemming met zijn innerlijk zou zijn’

Tegenover Benito is Lieke standvastig, maar ze kan zichzelf nog niet zo goed bemoedigend toespreken. Ze is jaloers op de slak omdat hij niet hoeft te kiezen voor de mannelijke of de vrouwelijke kant, en ze droomt er steeds hardgrondiger van een jongen te zijn. Entius’ verhaal eindigt met het afscheid tussen de twee, waarna we vooruitspringen naar de studententijd van het menselijke hoofdpersonage, dat nu als Ben – vernoemd naar slakkenvriend Benito – door het leven gaat, en bezig is zichzelf een lichaam en houding aan te meten die prettig aanvoelen:

Achttien ben ik, bijna negentien. Ik woon nu in een andere stad, Eindhoven, en zit op een nieuwe school (vandaar die andere stad), waar ik leer om dingen vorm te geven. Ook mezelf ben ik in zekere zin (opnieuw) vorm aan het geven. Mijn schouders zijn breder, mijn spieren sterker en mijn stem is een halve octaaf gezakt.

Entius zet de natuur in als een plek waarin niet altijd in binaire opposities wordt gedacht, met dieren die zichzelf kunnen bevruchten, planten die elkaar via insecten bestuiven en allerlei andere vormen die het denken in man en vrouw als twee tegenovergestelden ondermijnen.

Ongehard en vleuggellam

Datzelfde doet Mariken Heitman in haar debuut De wateraap, waarin ze biologisch onderzoeker Elke net zo laat wroeten in de tuin van haar oudtante als in haar eigen ziel. Daar, tijdens het zaaien van de bieten, het stekken van de kool en het wieden van het onkruid, denkt ze terug aan het begin van haar puberteit, toen de eerste lichamelijke veranderingen zich begonnen voor te doen:

Ik had verondersteld dat ik af was, tot alles rond mijn twaalfde onaangekondigd veranderde. Om mij heen gebeurde iets vergelijkbaars maar hoewel mijn klasgenoten en ik hetzelfde doormaakten, vonden wij elkaar niet. Vol van onze nieuwe schaamte stoven we als jongvee onbenullig uiteen. Er volgden uitstulpingen, groeistuipen, huilbuien en donker, vijandig haar dat als insectenpootjes uit mijn witte kinderonderbroek wilde kruipen: onontgonnen gebieden die ik begon te mijden tijdens het douchen. Ik had er niet om gevraagd, dan moest het maar zo.

De jonge Elke schaamt zich voor haar transformatie, die voor iedereen zichtbaar is. Liever zou ze vervellen als een slang of spin, zodat ze “forser en vitaler” uit haar oude huls tevoorschijn zou kunnen komen. Haar klasgenoten, die zichzelf alweer lijken te hebben gevonden, weten in Elkes ogen beter hoe zij er uiteindelijk uit zou moeten gaan zien – maar voorlopig voelt zij zich nog “ongehard en vleugellam als een libelle die zich uit een monsterachtige waternimf wringt”, het lichaam ontwijkend dat voor haar bedoeld is.

Ook aan het einde van haar middelbareschooltijd voelt Elke zich nog steeds een kind verpakt in het lichaam van een volwassene, “hangerig als een moe gegroeid veulen”. Voor Elkes ouders een reden om hun kind zich te laten melden bij Ko, de zus van Elkes oma. Wellicht, vermoedt Elke, was dit voor haar ouders de manier om haar af te laten worden, tevoorschijn te komen “uit die zorgvuldig gesponnen pop”.

Die poging is tevergeefs: het zomers lang werken in de tuin laat Elke weliswaar dieper nadenken over de verschillende vormen waarop de natuur zich voortplant, doet haar zelfs biologie studeren, maar een oplossing voor haar identiteitsprobleem ontdekt ze niet. Wel vindt ze herkenbaarheid in de wateraap: een figuur die in de evolutionaire theorie wordt geduid als een kruising tussen mens en dier, tussen land- en zeewezen. Ze vertrekt naar Wenen om in contact te komen met een onderzoekster die ooit een boek over het dier schreef, en die haar misschien kan vertellen waarom de wateraap zich ooit aan land liet duwen, in een hokje liet stoppen.

Elke raakt verliefd op de onderzoekster Lena, die de wateraap inmiddels heeft afgedaan als een fantasiewezen en zich in plaats daarvan op de Stellerzeekoe heeft gestort. Ook zij heeft, hoe zelfverzekerd ze in Elkes ogen nu ook lijkt, een worsteling met haar vrouwelijkheid achter de rug: tijdens een avond samen geeft ze aan Elke toe dat ze vroeger een geitje had willen zijn, “zo een met touwachtige manen en stompe hoorns die net zo warm waren als het lijf” – “of gewoon een jongen”, maar dat het allebei niet is gelukt.

Na die avond stopt Lena Elke een notitiebriefje met overwegingen over de wateraap toe, waarop ze toelicht dat mens en wateraap mogelijk ooit naast elkaar hebben bestaan. Niet alleen is dat een welkome opening voor Elkes onderzoek, dat vanwege het fictieve karakter bij voorbaat gedoemd tot mislukken lijkt, ook oogt het als een uitnodiging richting Elke om zich tussen man en vrouw in te bewegen, en dat die vorm kan bestaan naast de binaire normativiteit waardoor zij wordt omringd.

In haar vergelijkingen met de natuur ondermijnt Heitman allerlei tegenstellingen

Heitmans roman staat bol van dergelijke tussenvormen. De stekken uit Ko’s tuin verzetten zich tegen een binaire vorm van voortplanting. Een broeiende composthoop tart het onderscheid tussen leven en dood. Het gezicht van een Weense ober is door een bepaalde aandoening aangetast, waardoor hij twee mensen in één lijkt. Ook in alle vergelijkingen klinkt de natuur als ultiem voorbeeld van de ondermijning van binaire opposities continu door.

Jongensgewei

Dezelfde neiging treffen we aan in Mijn lieve gunsteling, de tweede roman van Marieke Lucas Rijneveld, waarin de hoofdpersoon, een veertienjarig boerenmeisje, al op de eerste pagina wordt beschreven als een “kalf in stuitligging”: een dier waarvan het geslacht er niet zozeer toe doet, maar enkel het jonge en onbeholpene karakter dient te worden benadrukt. Het zijn precies die eigenschappen waartoe de veearts, door wiens ogen we het verhaal bekijken, zich aangetrokken voelt. Het liefst zou hij haar ontwikkeling tot jonge vrouw tegenhouden, getraumatiseerd als hij is door het seksueel misbruik door zijn moeder.

Zijn lieve gunsteling wil deze ontwikkeling evenmin doormaken: ze gruwt van het bloed in haar onderbroek bij de eerste ongesteldheid (“Ik bloed als een rund”), verlangt ernaar staand te kunnen plassen en wil niets liever dan een echt “jongensgewei”. Om haar te verleiden, doet de veearts haar continu manipulatieve beloftes om die droom waar te maken: als zij zijn gewei maar aanraakt of er zelfs door gepenetreerd wordt, zal ze tussen haar benen vanzelf een mannelijk geslachtsdeel aantreffen.

Bij Rijneveld wordt al op de eerste pagina een veertienjarig boerenmeisje beschreven als een ‘kalf in stuitligging’

Ook in Rijnevelds roman barst het van de vergelijkingen met het dierenrijk, die niet alleen in het figuurlijke blijven, maar ook vorm krijgen in de werkelijkheid. Zo laat de veearts aan het meisje zien hoe hij een otter van zijn penis ontdoet en geeft hij haar het geslachtsdeel als aandenken, dat ze onder haar bed bewaart. Hij vertelt haar over de grootste penis van het dierenrijk, die van de blauwe vinvis, en die van de zeepok, “een garnaal die zowel mannetje als vrouwtje was en maar liefst twee piemels had die vijfentwintig keer langer waren dan hun eigen lengte”. En tot slot, als hij steeds beter gaat begrijpen dat zijn geliefde tussen jongen en meisje in schemert, schotelt hij haar verhalen voor over vrouwtjesdieren met een pseudopiemel, waarmee ze wel kunnen plassen en seksen, maar niet kunnen bevruchten.

De genderworstelingen van de veertienjarige zijn onderdeel van een groter identiteitsprobleem: in haar hoofd vechten Hitler en Freud om haar aandacht, maakt ze zichzelf wijs dat zij verantwoordelijk is voor 9/11, wordt geroepen dat ze zo min mogelijk moet eten, is innerlijke pijniging aan de orde van de dag. In die worsteling vinden zij en de veearts elkaar, vluchtend voor het grotemensenleven dat op hun raam klopt.

Een oordeelloze wereld

Zo blijken deze drie recente Nederlandse romans, ondanks hun volwassen signatuur, toch vaak voor een kinderperspectief te kiezen, van binnenuit tonend hoe het is om je te bewegen tussen de ogenschijnlijke tegengestelden die de wereld domineren: niet alleen “man en vrouw” en “normaal en afwijkend”, maar ook “kind en volwassen”.

Daarvoor worden vaak interessante verteltrucs uitgehaald; zo beleven we het verhaal van de slak Benito en Lieke door de terugblikkende ogen van het menselijke hoofdpersonage, nadat diens transformatie tot Ben heeft plaatsgevonden, waarbij de mens zich continu in het non-binaire dier verplaatst. In het geval van Mijn lieve gunsteling lezen we het verhaal dat de veearts optekende in zijn cel, veroordeeld voor zijn pedoseksuele misdaden, waarbij hij in het hoofd van zijn slachtoffer kruipt, zonder dat de lezer weet of hij daadwerkelijk de waarheid spreekt:

(...) en ik kende je al van kleins af aan, ik kende je door en door, al was je te jong om door mij begeerd te worden en tegelijkertijd te bezield en ongeduldig voor nog meer betutteling en vaderlijkheid, en aan je houding zag ik dat je je wilde losmaken van het ouderlijk gezag (…)

Ook Mariken Heitman maakt niet alleen gebruik van flashbacks om Elke te laten terugblikken op eerdere fases van haar worsteling. Ze verplaatst zich ook in de wateraap, net als in het geval van Marieke Lucas Rijneveld in de jij-vorm, beschrijvend hoe dit dier zich steeds vaker tot het land aangetrokken voelt, weg van de kou van het water:

Jij wist hoe dat was, dat hadden we gemeen. Er waren dagen dat het zo warm was dat de ingeademde lucht je keel schroeide, de zon je huid doorboorde en je spieren verweekte, zodat die als bloedeloze kipfilet over je botten lagen. Dan zwom je met trage slagen weg van de oever en dook je naar de diepte om af te koelen. Maar die dagen werden schaars. De zon verslapte, het water verkilde. Steeds vaker richtte je je op. Zwemmen werd waden en toch, zelfs aan land was het water nooit ver weg. Je wilt namelijk tot in het diepst van je wezen, dat je op ieder moment weg moest kunnen zwemmen.

Zo vertonen deze drie hedendaagse romans een transformatie die geen van de personages soepel afgaat, en die hen in sommige gevallen zelfs tot waanzin drijft. Toch lijken zij geruststelling te vinden in de natuur, die hen voorziet van voorbeelden van hoe het ook anders kan: een oordeelloze wereld waarin man en vrouw niet zo bruut van elkaar gescheiden zijn.

Besproken boeken
Yolanda Entius, Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny, Van Oorschot, Amsterdam, 2018, 192 p.
Mariken Heitman, De wateraap, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2019, 176 p.
Marieke Lucas Rijneveld, Mijn lieve gunsteling, Atlas Contact, Amsterdam, 2020, 363 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.