Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Samenwerking tussen de legers van de Lage Landen: een lichtend voorbeeld
0 Reacties
© Defensie Nederland
© Defensie Nederland © Defensie Nederland
VL ⇄ NL
maatschappij

Samenwerking tussen de legers van de Lage Landen: een lichtend voorbeeld

In tijden waarin oorlog op het Europese continent woedt en we niet langer zeker zijn dat we onder de rokken van de Verenigde Staten kunnen schuilen, is militaire samenwerking tussen Europese landen meer dan ooit nodig. België en Nederland zetten de toon.

Leg alle Europese strijdkrachten samen en je hebt géén volledig leger. In heel wat domeinen hebben de Europeanen geen of weinig capaciteit en zijn ze dus afhankelijk van de Verenigde Staten.

Die afhankelijkheid kan niet blijven duren. Hoewel de VS volop hun leiderschapsrol spelen in de steun aan Oekraïne na de Russische invasie van februari 2022, blijft hun prioriteit duidelijk China. Sinds Obama al weten we: mocht er tegelijk in Europa en Azië oorlog zijn, dan zou Washington wel eens kunnen zeggen: eerst Azië.

Dat betekent dat de Europeanen in de toekomst de eerste conventionele verdedigingslijn zelf moeten bemannen, onder de nucleaire paraplu van de VS. Dat maakt de Europese defensiesamenwerking veel dringender. Bovendien is het niet zeker dat de VS Oekraïne zo sterk militair zullen blijven steunen als ze nu doen. Ook die inspanning zullen de Europeanen dus geleidelijk moeten overnemen.

Dat besef begint langzaam maar zeker door te dringen in Europa. Met wisselend succes wordt gewerkt aan een meer geïntegreerde Europese defensie. De nauwe samenwerking tussen de Belgische en Nederlandse strijdkrachten is een van de bouwstenen daarvan.

De bedoeling is niet om alle militaire capaciteiten in Belgisch-Nederlands verband op te zetten (of in Benelux-verband, met Luxemburg erbij). Beide landen zijn sterk op internationale samenwerking gericht, maar kiezen per domein de meest aangewezen partner. Vanwege hetzelfde militaire materieel, bijvoorbeeld, of een gelijklopende visie over de operationele inzet van een capaciteit. Wanneer België en Nederland wel voor elkaar kiezen, is de manier waarop ze hun verregaande samenwerking organiseren een voorbeeld voor andere landen.

In EU- en NAVO-verband

Wat betekent die Europese defensie waarin Brussel en Den Haag zich ingeschreven hebben nu precies? Niet de oprichting van één Europees leger, met militairen die op de loonlijst van de Europese Unie staan en die rechtstreeks door de Europese instellingen bevolen worden. Dat is wel degelijk ooit geprobeerd: het was de opzet van de Europese Defensiegemeenschap. In 1952 tekenden de Benelux-landen, Frankrijk, Duitsland en Italië daartoe een verdrag, maar uiteindelijk trok Frankrijk – nochtans de initiatiefnemer – zich terug en viel het plan in duigen.

Sindsdien ligt het zwaartepunt van het defensiebeleid in de nationale hoofdsteden. Wat de EU nu probeert, is de lidstaten ertoe aan te zetten hun defensiebeleid op elkaar af te stemmen. Via “Permanente Gestructureerde Samenwerking” (beter bekend onder de Engelse afkorting PESCO) zouden de zeventwintig EU-lidstaten tot een volledig pakket van strijdkrachten moeten komen. Het moet de capaciteiten omvatten om alle militaire taken uit te voeren, van buitenlandse operaties tot verdediging van het eigen grondgebied.

Dat is, voor alle duidelijkheid, vandaag niet het geval. Tekorten zijn er op het gebied van lucht- en zeetransport voor lange afstanden, precisiegeleide munitie, militaire satellieten, militaire cybercapaciteiten, verdediging tegen raketten, eigen raketten enzovoort. Maar voorlopig blijven landen hun beslissingen eerder op nationale noden afstemmen dan dat ze rekening houden met Europese prioriteiten, ook al hebben ze die voordien in een EU-vergadering mee goedgekeurd.

Voorlopig blijven landen hun beslissingen eerder op nationale noden afstemmen dan dat ze rekening houden met Europese prioriteiten

Iets meer succes, alleen lang niet systematisch, heeft de EU in het stimuleren van samenwerking wanneer lidstaten hun materieel moeten vervangen, door gezamenlijk de nieuwe uitrusting te ontwerpen, te bouwen en aan te kopen. Dat is goedkoper en vergemakkelijkt gezamenlijke inzet in operaties.

Bovendien is de Europese markt al lang veel te klein om nog een veelvoud aan types tanks, pantservoertuigen en gevechtsvliegtuigen te ontwikkelen. Ofwel concurreren de Europese bedrijven elkaar kapot en rest de Europeanen op den duur geen andere optie meer dan Amerikaans te kopen. Ofwel fusioneren ze zowel de vraag naar als het aanbod van defensiematerieel en kan een belangrijke Europese defensie-industrie blijven bestaan. In de sector van de burgervliegtuigen bewijst Airbus dat het kan: het is een wereldspeler die vaak meer succes heeft dan zijn voornaamste concurrent Boeing.

Ten slotte duwt de EU ook om, zodra het materieel verworven is, de nationale eenheden die ermee uitgerust worden in elkaar te schuiven. Dat schept synergiën en schaaleffecten die toelaten om meer militaire slagkracht te genereren met dezelfde middelen.

Dit EU-beleid is niet in tegenspraak met de NAVO, ook al wordt het vaak zo voorgesteld. Het is vanzelfsprekend dat het automatisch ook de NAVO ten goede komt wanneer EU-lidstaten die bondgenoot of partner van de NAVO zijn en dat zijn ze, op Cyprus na, allemaal meer militaire capaciteit uit hun defensiebestedingen halen door samen te werken.

Wat vaak wel wringt, is dat de EU doelbewust de Europese defensie-industrie promoot. Maar dat is een probleem voor de wapenexport van de VS – niet voor de NAVO. Integendeel, in het “New Force Model” dat de NAVO op de top van Madrid in juni 2022 heeft aangekondigd, begint nu ook de Alliantie in te zetten op meer samenwerking tussen de Europese bondgenoten.

De NAVO plant om de oostgrens op te delen in sectoren, die ze wil toewijzen aan een groep van bondgenoten, die zich dan onderling organiseren in multinationale eenheden om hun sector te verdedigen. Alles samen zouden de Europeanen driehonderdduizend troepen in een hoge staat van paraatheid moeten opstellen.

De EU en de NAVO zijn tot dezelfde conclusie gekomen: voor een effectieve en kostenefficiënte defensie-inspanning moeten de Europese strijdkrachten veel meer in elkaar geschoven worden. Hoe zou dat kunnen werken?

Samenwerking op zee

Dat is nu precies waar de Belgisch-Nederlandse samenwerking als voorbeeld kan dienen, name tussen de beide marines, die gedeeltelijk geïntegreerd zijn. De bouwstenen, de eigenlijke inzetbare capaciteit, blijven nationaal: dat zijn de schepen (fregatten en mijnenjagers), die onder Belgische vlag varen met een Belgische bemanning, of onder Nederlandse vlag met een Nederlandse bemanning.

Maar haast alle ondersteunende capaciteiten worden verzekerd door een combinatie van taakverdeling (één land verzekert ze voor de twee) of fusie (er is slechts één binationale structuur). Zo staat België in voor opleiding en training van de bemanning en onderhoud en logistiek van alle mijnenjagers, en doet Nederland hetzelfde voor alle fregatten.

In het kader van de Admiraliteit Benelux (ABNL) is er één operationeel hoofdkwartier, in Den Helder, steeds onder een Nederlandse bevelhebber met een Belgische plaatsvervanger. Sinds mei 2022 is er ook één “Navy Academy” met campussen in beide landen. Uniek is dat sinds november 2022 de Belgische marine ook dezelfde werkuniformen is beginnen in te voeren als de Nederlandse.

Het fundament waarop deze zeer verregaande samenwerking rust, is het materieel: België en Nederland hebben dezelfde schepen. De integratie tussen beide marines is nu zo ver doorgedreven dat ze haast niet meer ongedaan gemaakt kan worden; de heroprichting van zuiver nationale structuren zou veel te duur zijn.

Maar tegelijk kan ze alleen voortbestaan als beide landen ook in de toekomst voor dezelfde schepen kiezen. Gelukkig is die beslissing al genomen: België en Nederland plannen de aankoop van identieke mijnenjagers (Mine Countermeasures Vessels – MCMV) en fregatten (Anti-Submarine Warfare Frigate – ASWF).

De doorgedreven samenwerking is er natuurlijk niet zomaar gekomen: ze gaat al terug tot 1948 en is zeer geleidelijk opgebouwd. Er blijven ook uitdagingen. Voor België zijn die in de eerste plaats budgettair: beide landen voeren hun defensie-uitgaven op, maar Nederland is vroeger begonnen en gaat veel verder. Dat groeipad kan België niet volgen, wat een rem kan zetten op bepaalde samenwerkingen. De grote gedeelde uitdaging is rekrutering: beide landen hebben het bijzonder moeilijk om voldoende militairen aan te werven en in dienst te houden.

Te land, in de lucht en in cyberspace

Hoewel het momenteel niet op tafel ligt, kan het samenwerkingsmodel van de Belgisch-Nederlandse marine perfect worden toegepast op landstrijdkrachten. De nationale bouwstenen zouden dan geen schepen zijn, maar brigades (elk zo’n vijfduizend soldaten), permanent verankerd in een multinationale divisie (van drie à vijf brigades).

De meeste EU-lidstaten hebben vandaag nog minstens één brigade in hun landmacht (zoals de Belgische Gemotoriseerde Brigade). Maar vaak missen die essentiële ondersteunende capaciteiten, zoals gevechtsgenie of luchtafweer, waardoor deze brigades in hun eentje in veel scenario’s niet inzetbaar zijn. Ook hier zou een multinationale verankering dat kunnen oplossen door een combinatie van taakverdeling en fusie voor alle ondersteunende capaciteiten.

Hetzelfde materieel gebruiken zou ook in het landdomein de integratie versnellen. Binnen een multinationale divisie kunnen de deelnemende landen de wapens en uitrusting van hun brigades harmoniseren, maar ook hun doctrine (de manier waarop ze operaties uitvoeren). Dat zou verregaande interoperabiliteit mogelijk maken, een taakverdeling vergemakkelijken en schaalvoordelen bieden. Als alle brigades van de divisie bijvoorbeeld dezelfde voertuigen gebruiken, vereenvoudigt dat de logistiek van operaties enorm, terwijl ook aankoop, onderhoud en training veel kosten-efficiënter zijn.

Dezelfde aanpak kan je op luchtmachten toepassen, met multinationale wings opgebouwd uit nationale squadrons van gevechtsvliegtuigen. Denk verder ook aan een Europees cybercommando, dronecommando, luchtverdedigingscommando enzovoort, die nationale capaciteiten kunnen aansturen als waren ze één vloot of eenheid, onder één bevelhebber, met één structuur voor opleiding, oefeningen, onderhoud en bevoorrading. Dat is veel effectiever dan kleine nationale capaciteiten die naast elkaar blijven bestaan. De ideeën zijn er, maar welk Europees land waagt als eerste de sprong?

Meer samenwerking, maar niet altijd met elkaar

België en Nederland gaan ook in het landdomein ver in de samenwerking, maar hoofdzakelijk met andere partners. België heeft in 2018 een akkoord met Frankrijk gesloten over het CaMo-project (voor “capacité motorisée”): een zeer nauwe samenwerking tussen de Belgische Gemotoriseerde Brigade en het Franse Armée de Terre. België rust zijn brigade uit met Franse voertuigen, maar beide landen ontwikkelen ook samen een nieuwe doctrine voor het gebruik van dat nieuwe materieel.

Het doel is diepgaande interoperabiliteit, zodat de Belgische brigade uiteindelijk het spiegelbeeld van zijn Franse evenknie zou zijn, maar dan in Belgisch uniform. In theorie zouden een Belgische en Franse bemanning te velde van voertuig moeten kunnen wisselen en direct verder opereren. De volgende stap kan zijn om de Belgische brigade permanent te verankeren in een Franse divisiestructuur en de ondersteunende capaciteiten op elkaar af te stemmen.

Nederland heeft al in 1995 het Duits-Nederlands Korps opgericht, een ander voorbeeld van verregaande samenwerking. Het korps heeft een binationaal hoofdkwartier, inclusief een ondersteuningsbataljon en een bataljon voor communicatie- en informatiesystemen met gemengd Duits en Nederlands personeel. Onder het korps ressorteert onder meer de Duitse 1ste Panzer Division, waarvan de Nederlandse 43ste Gemechaniseerde Brigade deel uitmaakt. Tot die brigade behoort op zijn beurt onder meer een gemengd Duits-Nederlands tankbataljon, de enige tankcapaciteit in het Nederlandse leger.

Sinds 2017 wordt de bewaking van het Benelux-luchtruim verzekerd door een beurtrol, een cruciale vorm van samenwerking

De Belgische en Nederlandse landstrijdkrachten werken wel samen op het gebied van special forces: samen met Denemarken hebben ze in 2018 een special forces hoofdkwartier opgericht.

In het luchtdomein is er dan weer wel een cruciale Belgisch-Nederlandse samenwerking. Sinds 2017 wordt de bewaking van het Benelux-luchtruim verzekerd door een beurtrol. Om de vier maanden lossen Belgische en Nederlandse F-16’s elkaar af. Het lijkt logisch om dat samen te doen voor zo’n relatief klein luchtruim, maar het vergt zeer gedetailleerde afspraken en systematische coördinatie.

Beide landen maken sinds 1975 ook deel uit van het F-16 Multinational Fighter Program, samen met de VS, Denemarken, Noorwegen en Portugal, waarbinnen heel wat samenwerking plaatsvindt voor verdere ontwikkelingen van de toestellen, opleiding van de piloten enzovoort. En natuurlijk spelen België en Nederland via de nucleaire opdracht van hun F-16’s een belangrijke rol in de nucleaire afschrikking.

Beide landen vervangen de F-16 door de F-35: er zullen vierendertig Belgische en zesenveertig Nederlandse toestellen zijn. Hier kunnen ze voortbouwen op de ervaring van de F-16 en soortgelijke samenwerkingsverbanden opzetten. De vraag stelt zich: moeten Brussel en Den Haag in de toekomst niet veel verder durven gaan, en het model van hun marinesamenwerking toepassen op hun luchtmachten?

België en Nederland zijn qua bereidheid tot internationale militaire samenwerking zeker voorbeeldlanden. Ze mogen daar trots op zijn, maar samenwerking is nooit af. De twee landen kunnen onderling nog verder gaan, net als in hun bilaterale samenwerking met andere partners. Bovenal zouden ze op EU-niveau een sterkere rol kunnen spelen en concrete voorstellen op tafel leggen. Het succes van hun bilaterale samenwerking maakt dat meer dan legitiem.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.