Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Popicoon in Lage Landen. Henny Vrienten & Boudewijn de Groot
0 Reacties

Popicoon in Lage Landen. Henny Vrienten & Boudewijn de Groot

Eind 2006 lag Nacht, de soundtrack in de rekken, een nieuwe cd van het voormalige tieneridool Henny Vrienten, waarop hij, samen met een aantal genodigden, zijn eigen hoogstpersoonlijke soundtrack componeerde. Een van die genodigden was Boudewijn de Groot. Deze bracht begin 2007 op zijn beurt een eigen nieuwe cd uit: Lage Landen. Kurt De Boodt gaat in deze bijdrage na welke evolutie beide ex-tieneridolen doorgemaakt hebben.

Boudewijn de Groot en Henny Vrienten schreven ieder een beslissend hoofdstuk in de Nederlandse popgeschiedenis. Hun namen blijven verbonden met het decennium van hun grote doorbraak. De Groot blijft voor velen de troubadour in spijkerpak met stevige wortels in de sixties, de Dylan van boven de Moerdijk. Gaandeweg groeide hij uit tot de grootvader van het Nederlandse luisterlied die tienermeisjes deed wegdromen tussen posters van David Hamilton. Melancholische liedjes als Testament en Verdronken vlinder, met klassiek geworden teksten van jeugdvriend Lennaert Nijgh, speelden De Groot al vlug parten. In 1975 wilde hij met de plaat Waar ik woon en wie ik ben zijn ‘ware ik’ laten horen, en afrekenen met de breekbare tokkelliedjes en de fans die zijn oude successen blijven zingen - for the times they are a-changin'. ‘Ze is zeventien jaar en speelt gitaar, / verlegen zingt ze mijn repertoire, / zich niet bewust van het gevaar: ik kijk naar haar. / Zo'n meisje noemt zich dan een fan, / maar weet totaal niet wie ik ben, / zingt teksten die ik niet meer ken / met haar Lolitastem,’ klinkt het in Travestie. Het verleden blijft De Groot tot op vandaag achtervolgen. Hij heeft er nu wel vrede mee.

Iets vergelijkbaars maakte Henny Vrienten mee. Begin jaren tachtig beleefde hij met Doe Maar vier hectische jaren. De Bom, Pa, Is dit alles, 1 Nacht alleen: Doe Maar schreef met een karakteristieke mix van reggae, pop, ska en punk - ‘skunk’ - mee aan de soundtrack van mijn pubertijd. De optredens weekten hysterische reacties los bij een steeds jonger publiek. Dat lag, behalve aan de look, vooral ook aan de recht-voor-de-raap-taal van Vrienten en Ernst Jansz, de Nederlandse Lennon en McCartney. Maar de kloof tussen de teksten van de dertigers die de vrouwen van zich af moesten schudden (1 Nacht alleen) en de krijsende tienermeisjes was groot. In 1984, op het toppunt van hun succes, hield Doe Maar het voor bekeken. Vrienten maakte daarna nog het solo-album Geen ballade en het duet Als je wint met Herman Brood.

De muzikale levens van Boudewijn de Groot en Henny Vrienten zijn al meer dan dertig jaar met elkaar verstrengeld. Midden jaren zeventig produceerde De Groot singles van Ruby Carmichael en Paul Santos: aliassen van Henny Vrienten. In dezelfde periode speelde Vrienten in de begeleidingsgroep van De Groot voor het eerst samen met Ernst Jansz. Boudewijn de Groot mag dus met recht ‘de godfather van Doe Maar’ heten, zoals Vrienten hem onlangs in De Standaard bestempelde. Aan het begin en het slot van zijn Doe Maar-episode schreef Henny Vrienten mee aan twee De Groot-nummers: Zonder jou (1980) en Code (1984). Op Vrientens tweede solo-cd, Mijn hart slaapt nooit (1991) speelde De Groot gitaar op Vreemd verdriet. In de post-Doe Maar-tijd raakte de popmuziek bij Vrienten hoe langer hoe meer op de achtergrond. Vanaf 1985 bouwde hij een succesvolle carrière uit als filmcomponist. De Groot doorliep een soortgelijke evolutie. In 1984 zette hij er tijdelijk een punt achter na het persoonlijke album Maalstroom. Hij ging filmmuziek schrijven, vertaalde boeken van Stephen King en ontpopte zich als acteur. De Groot vertolkte o.a. de hoofdrol in Let The Music Dance, met in een van de bijrollen... Henny Vrienten.

Maar er kwamen wéér andere tijden. De Groot ging in 1994 weer aan de slag; Doe Maar maakte in 2000 de reünieplaat Klaar en deed zestien keer Ahoy vollopen. In 2006 speelden Henny Vrienten, Ernst Jansz en het derde nog actieve Doe Maar-lid Jan Hendriks mee tijdens een tournee van Boudewijn de Groot met het Limburgs Symphonie Orkest. De cirkel leek rond. Vrienten stond weer in de schaduw van zijn leermeester te bassen.

En anno 2007 hebben Boudewijn de Groot en Henny Vrienten ieder weer een nieuwe cd uit. De tijd van het zo nodig moéten, is voor beide heren hoorbaar voorbij. Ze zijn in de periode van het weer wíllen aanbeland, en van het dankzij hun rijke ervaring nog verdomd goed kunnen. Henny Vrienten houdt op Nacht, de soundtrack op de achtergrond de touwtjes (en knoppen) in handen, en nodigde voor elf van de twaalf nummers van die cd een andere singer-songwriter uit, onder wie godfather De Groot. Boudewijn de Groot laat Lage Landen drijven op zijn karakteristieke stemgeluid. Hij kiest voor een grotendeels akoestisch bandje, muzikanten die goed op elkaar zijn ingespeeld maar zich verder niet al te veel opdringen. De luisterteksten houden de bovenhand. Voor de opnames trok Boudewijn de Groot naar Nashville; een kleine helft van de nummers klinkt countryachtig of heeft een bluesy touch. Vrienten deed alles lekker in zijn homestudio aan een Amsterdamse gracht.

Nacht, de soundtrack van Henny Vrienten is een conceptplaat rond de nacht. Alle nummers hebben hetzelfde tempo: zeventig beats per minuut. Voor Vrienten is dat het hartslagritme van de nacht. Met uitzondering van het waakliedje Als Gala slaapt dat Vrienten in zijn eentje schreef en zingt, is elk nummer het resultaat van een wisselwerking. Bekende stemmen van Thé Lau, Tom Barman en Frank Boeijen drukken hun stempel op de plaat. Elke stem brengt je in een andere stemming: dromerig, rokerig, grootstedelijk, slaapdronken,... Ex-punker Tom America sprokkelde in de wijk Tilburg Noord stemmen van migranten die getuigen over de nacht. Met de gesamplede stemmen maakt America een beklemmend ‘geluidsspoor’ van het nachtleven op straat. ‘Als ik slaap, als ik droom, dan rust ik maar dan ben ik ook in een andere wereld,’ valt Henny Vrientens karakteristieke stemgeluid in tijdens het bezwerende refrein.

Binnen de aanhoudende metronoomslagen schikken zich uiteenlopende ritmes. De rap van Def P, de reggae van Pieter Both, een Nederlandstalige rockballad met Tom Barman, Engelstalige pop van Solex of een gregoriaans uitstapje door cabaretier Herman Finkers: het kan allemaal zonder de eenheid te verstoren. Bedoeling was dat iedereen een uur of drie langskwam met basismateriaal - een akkoord of een flard tekst - en dat Henny Vrienten na de jamsessie autonoom aan de slag ging met de ruwe take. Bij Thé Lau lijkt me het uitgangspunt het zuiverst bewaard. Hij wist achteraf zelf niet meer goed wat hij allemaal over de Nachtvriend mompelde. Frank Boeijen kwam met een hele tekst op de proppen, die op aanraden van Vrienten gereduceerd werd tot de gekapt gezongen beginzin: ‘Dan / denk / ik / weer / aan de maan / van Antwerpen.’ Boeijen is bij Vrienten in uitstekende handen. Het mierzoete in zijn warme stem en de tekstuele clichés die op de eigen cd's geregeld om de hoek gluren, kijken in dit genereus gearrangeerde nummer met aanstekelijk gefluit, koortje, bevreemdende achtergrondgeluiden en de freewheelende trompet van Eric Vloeimans vanaf linkeroever toe. De intensiteit die Boeijen in dat ene woordje ‘Dan’ legt, volstaat om elke luisteraar te doen wegsmelten en de cd te doen openbarsten.

Tom Barman en Boudewijn de Groot kwamen met zo goed als afgewerkte nummers en uitgeschreven teksten naar Amsterdam. Barman bewijst dat hij ook in het Nederlands een overtuigende songtekst kan schrijven. Met zijn duet lokt hij Vrientens knakkende stembuigingen voor een zeldzame keer op de voorgrond. Het jagen voorbij, Boudewijn de Groots bijdrage aan Nacht, de soundtrack, op een niet afgewerkte tekst van Lennaert Nijgh, vind ik in het bonte gezelschap de enige echte vreemde eend. Het nummer blijft te veel Boudewijn de Groot, past zich enkel schoorvoetend aan het nachtelijke concept aan. De Groot nam in Nashville zijn eigen, niet door Vrienten gemasterde, versie van Het jagen voorbij op, die op Lage Landen is terechtgekomen. Het lied klinkt soberder, maar geïsoleerd, als potentiële single, boeit Vrientens potige versie me toch meer. Hij maakt het nummer met wiegend smartlaprefrein - ‘jij alleen, ik eenzaam / bij het vallen van de nacht / aan het einde van de jacht’ - spannender. Meer nog dan de elektrische gitaar zorgen klanken en instrumenten uit de synthesizer en het opzwepende oewiehoe-koortje aan het slot voor oppeppers.

Op De Groots nieuwe cd Lage Landen staan nog twee teksten van Lennaert Nijgh (1945-2002): Hogeduin uit de nalatenschap en Sonnet IV uit 1963. Met deze spanningsboog tussen het prille begin en het postume nu lijkt de samenwerking De Groot-Nijgh definitief uitgezongen. Ongeveer tachtig liedjes leverde de magische combinatie op. De Groots vorige cd Het eiland in de verte (2004) was met acht Nijgh-teksten nog meer een eresaluut. Ook expliciet: ‘Nu jij niet meer kan schrijven / moet ik het zelf maar leren: / er komen andere tijden; / iets anders weet ik niet,’ zwaait De Groot in De blauwe uren zijn makker toe. Op Lage Landen bieden Freek de Jonge, Willem Wilmink, Jack Poels tekstmateriaal; voor het overige staat De Groot er nu inderdaad alleen voor.

Maar dat na de dood van Lennaert Nijgh ‘zelf maar leren’ getuigt bij nader inzien van dichterlijke vrijheid én valse bescheidenheid. Samen met Lage Landen verscheen immers het boek Hoogtevrees in Babylon, een bundeling van ‘Alle eigen teksten van 1963 t/m 2006’. Het blijkt inmiddels heel wat. Bij elke tekst schrijft De Groot ontwapenend eerlijk en prikkelend commentaar. Hij gunt ons een meeslepende inkijk in zijn carrière en interne keuken, waarbij de grote afwezige - de tekstdichter Lennaert Nijgh - paradoxaal genoeg als een alomtegenwoordige god in de potten staat te roeren. Als tekstdichter heeft De Groot zelf een uitgesproken voorkeur voor verhalende, balladeachtige liedjes. Een van zijn sterkste eigen teksten, Hoogtevrees (1980), beschrijft hoe hij al componerend een wenteltrap bestijgt, met in zijn slipstream een horde fans. ‘Ik werd vergeleken met de groten der aarde, / ze zeiden ook dat het op Paul Simon leek. / Eerst was ik verrast toen begon het te hinderen, / maar niemand nam aanstoot, / hoe kwaad ik ook keek.’ Snakkend naar rust probeert De Groot de fans van zich af te schudden: ‘Ik ging sneller lopen terwijl ik bleef spelen, / maar ze bleven me volgen een krankzinnige race. / Ik keek naar beneden en dacht: ik moet stoppen, / straks val ik te pletter; / ik had hoogtevrees.’ Bovengekomen vindt hij het welletjes en vraagt om alleen te mogen zijn, zijn moeder in volle aanbidding gaat net iets te ver. Alleen op die hoge trap ‘kwam de rust weer terug, / viel de hoogtevrees van me af.’ Hoogtevrees is de letterlijke neerslag van een droom, onthult De Groot in zijn commentaar. Voer voor psychoanalytici. Faalangst? Verlegen jongen? Stevige (stief)moederbinding? Geboren einzelgänger?

Het rekensommetje Hoogtevrees + Babylon leverde Boudewijn de Groot de titel op voor zijn bundeling liedjesteksten. En die titel gaf op zijn beurt de aanzet voor een nieuwe tekst. Het verhalende tweeluik waarmee Lage Landen opent - Hoogtevrees in Babylon en Achter de hemelpoort - ziet De Groot als een triptiek met Hoogtevrees als een in de tijd ontkoppeld luik. De zanger bouwt in Hoogtevrees in Babylon met louter noten en melodie een toren die hem tot aan de hemelpoort moet voeren. Paul Simon en zijn moeder zijn weer van de partij. Simon - in deze hemelse context knipogend naar de apostelen Paulus en Petrus - waarschuwt hem voor afbrekende kritiek; zijn godvruchtige moeder wil wel naar de hemelpoort maar schrikt terug voor de profane hoogmoed. Aan het slot komt de zanger met hoogtevrees stenen te kort en zweeft hij ergens tussen hemel en hel: ‘ik schreeuwde: ik ga 't niet halen / maar ik werd niet gehoord / men zweeg in alle talen / beneden in het land van Baäl / en achter de hemelpoort.’ Bang om na al die jaren alsnog van zijn sokkel te vallen?

In de inleiding van het liedboek geeft De Groot uitleg. Toen Lennaert Nijgh nog leefde, had hij op tekstueel gebied een vangnet. Mocht het met de eigen schrijverij niet lukken, dan kon hij nog altijd bij Lennaert aankloppen voor ‘de echt schitterende teksten’. Tegelijk gaf de wetenschap dat er een vangnet hing hem vleugels om zelf aan de slag te gaan met pen en papier. De Groot: ‘Na Lennaerts overlijden is de hoogtevrees toegenomen. De hoop net zo goed te worden als hij gaat gepaard met de reële angst nooit zo hoog te kunnen komen.’ In het tekstboek met zelfrelativerend commentaar houdt de nuchtere Nederlandse held beide voeten op de grond, stevig geworteld in de Lage Landen. Hij weet maar al te goed wat hij als tekstschrijver waard was en inmiddels is. Al richt Boudewijn de Groot met het drieluik Hoogtevrees - Hoogtevrees in Babylon - Achter de hemelpoort een monument in woorden op dat behoorlijk hoog reikt, de hemel mag nog even wachten.

Boudewijn de Groot, Lage Landen, Universal Music, 2007.
Boudewijn de Groot, Hoogtevrees in Babylon. Alle teksten van 1963 t/m 2006, Tirion, Baarn, 2007, 192 p.
Henny Vrienten, Nacht, de soundtrack, cd + dvd, V2 records, 2006, met medewerking van Tom Barman, Henk Hofstede, Thé Lau, Pieter Both, Jan Rot, Solex, Herman Finkers, Def P, Tom America, Frank Boeijen, Boudewijn de Groot. De dvd met Nacht, de film werd gemaakt door Henk Hofstede.

Artikel uit: Ons Erfdeel, jg. 50 (2007), nr 3, pp. 147-150

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.