Publicaties
Peter Terrin mikt met ‘Al het blauw’ op het onderbewuste van de lezer
0 Reacties
recensie
literatuur

Peter Terrin mikt met ‘Al het blauw’ op het onderbewuste van de lezer

Carla is een barvrouw en oud genoeg om Simons moeder te zijn, hij is een gesjeesde student. Ze beginnen een affaire. Is zij een soort moeder voor hem? En hoe zit het met dat lijk op de parkeerplaats? Peter Terrins nieuwste roman moet je even de tijd gunnen, maar dan krijg je er een diepe leeservaring voor terug.

Peter Terrin heeft iets met mensen die het roer omgooien. Of eigenlijk is dat nog te mild gesteld, want feitelijk geven ze er gewoon de brui aan. In Patricia, Terrins vorige boek uit 2018, deed een moeder namelijk precies dat: ze deed haar zoon in bad, werd te midden van het gespetter gebeld door haar horkerig baas en wandelde vervolgens doodleuk haar huis uit, stapte in de auto, reed de snelweg op en keerde voorlopig maar even niet terug naar het huis dat tot voor kort de basis van haar leven was.

Ook Al het blauw, Terrins nieuwe, in de late jaren 80 gesitueerde roman, vertrekt vanuit zo’n punt. Simon, een negentienjarige jongen, stopt van het ene op het andere moment met zijn academische studie. Niet nadat hij de voor- en nadelen van het studeren tegen elkaar af heeft gezet, maar in een opwelling:

“In gedachten hoort hij Ryckaert van Methodologie, daarnet. Een man met een lange ringbaard die heen en weer loopt op de verhoging voor het bord, soms een stift uit de goot vist om een woord op te schrijven dat je niet kan lezen als je niet hebt geluisterd. Simon denkt aan de krullenbol van het meisje voor hem, ze zit wat lager, blonde en veerkrachtige krullen, pas gewassen. Hoe hij in het wijde kapsel staart dat het zonlicht vangt. Hij voelt de dreunende verveling veroorzaakt door Ryckaert, dan, ineens, staat zijn besluit vast. Een inleiding is er niet. Een schakelaar wordt overgehaald.”

Verveling en een bos krullen: meer is er niet nodig.

Het komt misschien als een verrassing na bovenstaande alinea, maar Al het blauw is tot op zekere hoogte een thriller. Omdat er al in het begin sprake lijkt te zijn van een lijk dat door een wandelaar op een parkeerplaats wordt aangetroffen, ga je de rest van de roman – die zich voor de betreffende vondst afspeelt – in het licht lezen van een dader- en slachtofferschap. Wie van de personages zal zijn hand overspelen en wie van hen zal diegene daarvoor bestraffen?

Het thrilleraspect geeft ‘Al het blauw’ een aangename, pulserende suspense

Dat geeft Al het blauw een aangename, pulserende suspense die vooral in de eerste helft goed van pas komt, want Terrin neemt verder flink de tijd om de vaart er in te brengen. Hij laat Simon met vriend Marc rondhangen, schetst een avond van het tegen een zwembad aanliggende café Azzurra, stelt bardame Carla aan ons voor, laat John (Carla’s geliefde) in zijn vrachtauto rondrijden en laat Simon met het hondje Rocky een nachtelijke wandeling maken. En hij boort aan wat het belangrijkste element van de roman zal blijken: de affaire tussen student Simon en barvrouw Carla, die rond de veertig jaar oud is.

En die dus bij wijze van spreken Simons moeder had kunnen zijn. Waarmee Terrin een vernuftig, suggestief spel speelt: sec met het leeftijdsverschil tussen de twee, maar ook, in een meer gecamoufleerde hoedanigheid, met de relatie tussen een jongeman en zoiets als de Moeder. Ik schrijf dat laatste woord met een hoofdletter omdat Terrin via de schikking van de tekst zinspeelt op een connectie tussen Simons moeder en Carla, op wat beide vrouwen voor Simon zijn. Niet seksueel, maar psychologisch. Zo laat hij scènes waarin Carla voorkomt opvallend vaak opvolgen door een scène met Simons moeder, of andersom. Op die manier, door de boel zo te formeren, legt Terrin in het lezersbrein connecties aan tussen beide personages. Een klein voorbeeld, op zinsniveau: “Na het gesprek met zijn moeder hunkert hij naar Carla, naar haar zalvende aanwezigheid.”

Het is slechts één van de interessante facetten van Al het blauw, een roman die je even de tijd moet gunnen, maar die gaandeweg een steeds rijkere, diepere leeservaring biedt. Terrin mikt, net als met dat prachtige, veeleisende Yucca (2016), op het onderbewuste van de lezer. Een beetje als in een film van David Lynch, waarin ook vaak een dreiging van mensen uitgaat zonder dat daarvoor met messen of pistolen hoeft te worden gezwaaid. De greep om van de gesjeesde student Simon een louche verkoper van een vaag financieel product te maken past hier bijvoorbeeld ook uitermate goed bij: avond na avond meldt Simon zich bij nietsvermoedende mensen thuis om ze hun spaargeld afhandig te maken, maar dan in een ruimte waar die mensen zelf op hun gemak zijn en hij dus niet. Je zou het heel anders hebben gelezen als Simon zijn waar in een winkel aan de man had proberen te brengen.

Knap is Terrins controle over de vertelling, hoe hij zichzelf in toom weet te houden

Des te knapper is Terrins controle over de vertelling, hoe hij zichzelf in toom weet te houden. Hij schrijft voornamelijk suggestief-psychologisch , ruimte scheppend voor interpretatie, maar hij is zich eveneens bewust van het risico daarvan, namelijk een te vrijblijvend resultaat, een boek waar de lezer te véél kanten mee op kan. Bij tijd en wijle laat hij zijn aanpak varen en kleurt hij Al het blauw realistischer in, met soms adembenemende gevolgen.

Zo zijn de ontmoetingen tussen Carla en Simon, die alles in het geniep doen en op de meest verlaten plekken terechtkomen, vrij van alle spielerei, naakt in de natuur en vol in het licht. En vooral het reisje dat Simon met de tien jaar oudere, artistieke vriend Pieter maakt, vliegt je onherroepelijk naar de keel. Carla mag zich dan verbazen over Simons kundigheid als minnaar, dat wil nog niet zeggen dat hij al tegen álles opgewassen is.

De affaire, zijn succes als verkoper: het is een soort droomwereld waar hij af en toe ruw uit ontwaakt. En op zo’n moment zijn de woorden hard, zoals wanneer een autorit met verkoopcollega’s bijna uit de hand loopt:

“Op een kaarsrecht stuk van de verlaten weg naar de provinciestad duikt de Nissan plots op naast de Porsche. Etienne slaapt, Simon racet met Ronny, laat hem winnen. In het licht van de koplampen verschijnt de arm van Caroline uit het raampje, ze maakt een pompend zegegebaar, in zijn verbeelding hoort hij hoe ze het allebei uitschreeuwen. Het is een misverstand. Het is alsof hij op het dashboard een melding krijgt. Zijn leven is een vreselijk misverstand.”

Ik moest tijdens het lezen denken aan de film Good Will Hunting, waarin het straatschoffie Matt Damon het bloed onder de nagels vandaan haalt bij de psychiater Robin Williams: hij tart hem met verbazingwekkend slimme plaagstoten. In een moment van onprofessionaliteit explodeert Williams, en spreekt enkele dagen later af met Damon om het incident uit de wereld te helpen. Hij verontschuldigt zich, maar hij is ook een inzicht rijker. Damon mag dan slim zijn en de halve wereldliteratuur uit zijn hoofd kennen, hij is ook iemand zonder levenservaring, hij is “just a kid”, zoals Williams het noemt.

Dat is wat je uiteindelijk ook over Simon gaat denken: dat hij nog maar een kind is dat te ver in de toekomst is gesprongen.

Peter Terrin, Al het blauw, De Bezige Bij, Amsterdam, 2021, 272 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.