Publicaties
Oranje, een kleur van eenheid en verdeeldheid
0 Reacties
maatschappij
geschiedenis

Oranje, een kleur van eenheid en verdeeldheid

Op Koningsdag of tijdens belangrijke wedstrijden van het nationale elftal kleurt Nederland helemaal oranje. Maar waarom dragen de Nederlanders oranje hoeden en eten ze oranje taartjes in plaats van, pakweg, gele of rode? De liefde voor deze felle kleur komt van Willem van Oranje, die in de zestiende eeuw de Nederlandse Onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje leidde

“O, wat zijn de Belgen stil, o wat zijn de Belgen stil!” De leuze die tijdens de druilerige junimaand van het jaar 1988 over de Belgische festivalweiden schalde, bleef inderdaad oorverdovend onbeantwoord. Zij werd gescandeerd door groepjes jongeren die opvallend getooid waren in vlaggen en vreemde hoofddeksels, en van wie velen hun gezicht hadden geverfd. Wat de geadresseerden tot stilte dwong, was niet alleen de boodschap die in de leuze vervat zat, maar evenzeer de dominante kleur van deze maskerade: het schreeuwerige oranje onderstreepte immers pijnlijk hard de betekenis van de woorden in kwestie.

Op een eerste, oppervlakkig niveau was die betekenis voor iedereen duidelijk: het Nederlandse elftal had enkele dagen tevoren het Europees Kampioenschap voetbal gewonnen, terwijl de Rode Duivels zich voor datzelfde toernooi niet eens hadden kunnen plaatsen. Nederlandse trots vond haar uitweg in klank en kleur, en voedde zich verder aan de zwijgende Belgische schaamte. Maar hoe deze dialoog ook gebonden was aan het moment, zij maakte tegelijk deel uit van een oud, door de deelnemers haast als tijdloos ervaren ritueel. Uitgerekend deze jongeren, aan wie ook toen al een zwak historisch besef werd toegeschreven, speelden een spel waarin vier eeuwen geschiedenis vervat lagen.

De precieze verwijzingen van dat spel hielden zich voor de meeste deelnemers ongetwijfeld schuil in het historische onderbewustzijn, maar misschien konden ze juist daarom zo’n groot effect hebben. Ze riepen immers reflexen in het leven die door een weloverwogen historische benadering zouden worden gesmoord of minstens gerelativeerd. De kleur oranje, die al deze historische herinneringen absorbeerde en tot een icoon samenbalde, gold als een krachtig ontstekingsmechanisme voor deze reflexen. Of hoe een kleur een icoon kon worden.

De Vader des Vaderlands verdeelt en verenigt

Zouden de bewoners van het Zuid-Franse Orange weten hoe sterk hun stad heeft gewogen op de complexe geschiedenis van de nationale identificaties in de Lage Landen? De kans is klein, en dat valt te begrijpen. Het was immers louter door een dynastiek toeval dat de elfjarige Duitse aristocraat Willem van Nassau in 1544 het prinsdom Orange bij zijn Duitse en Nederlandse erflanden mocht voegen. De gevolgen van die toevalligheid waren echter groot. Toen de hoge adel in de Nederlanden zich begon te roeren tegen de Spaanse vorst Filips II, bleek prins Willem immers de hoogste titel te voeren. Ondanks zijn vertrouwdheid met het Habsburgse hof, waar hij een groot deel van zijn opvoeding had genoten, en ondanks zijn terughoudendheid tegenover elke vorm van religieus fanatisme groeide hij zo uit tot de “natuurlijke” leider van de Nederlandse Opstand.

Bij zijn zoektocht naar een mobiliserend bindmiddel voor zijn heterogene troepen bleek het dynastieke toeval hem opnieuw welgezind: de naam van zijn prinsdom was immers tegelijk de naam van een (heraldisch zeldzame, en daardoor sterk herkenbare) kleur. De legers waarmee hij in 1568 de Nederlanden binnenviel, schaarden zich dan ook achter de oranje-wit-blauwe “princevlag”. Ook de republiek die willens nillens uit de opstand voortsproot, presenteerde zich aan de buitenwereld met het “oranje-blanje-bleu”.

Na Willems dood kon het oranje de jonge republiek echter steeds minder samenhouden. Als stadhouders speelden zijn erfgenamen een cruciale rol in een complexe politiek-religieuze strijd, waarin orthodox-calvinistische oranjegezinden tegenover religieus meer gematigde “Staatsgezinden” kwamen te staan. In die context moest het oranje in de vlag van de republiek al snel — en definitief vanaf het eerste Stadhouderloze tijdperk (1650-1672) de plaats ruimen voor rood. Al worden voor die kleurwissel doorgaans praktische verklaringen aangehaald, toch lijkt het weinig waarschijnlijk dat de politieke strijd er niets mee te maken had. Het oranje werd de kleur van de partij van de stadhouders, veel meer dan die van een natie. Die toestand werd nog uitvergroot naarmate de stadhouders zich in de loop van de achttiende eeuw steeds meer als monarchen gingen gedragen en tijdens de Bataafse en Franse periode van het toneel verdwenen.

Uitgerekend tijdens deze periode waarin de stadhouders hun macht verloren ten voordele van een verlichte burgerij, werden zij het voorwerp van een volkse sympathiebeweging die ludieke en soms gewelddadige vormen aannam, en waarvan de aanhangers zich met oranje linten en strikken tooiden.

Om de opstandigheid tegen te gaan, verboden de Staten van Holland in 1784 zelfs het dragen van oranje. Nadat de Oranjemonarchie in 1813 was geïnstalleerd kon deze Oranjebeweging uit de illegaliteit treden en ontwikkelde zich een breed en emotioneel orangisme. Toch werd oranje niet meteen hét bindende element van de natie. Het bleef de kleur van het kleine volk dat — daarin gesteund door de conservatieve clerus — argwanend stond tegenover de liberale elites die de Nederlandse staat beheersten.

Pas de laatste twee decennia van de negentiende eeuw brachten daar verandering in. Tijdens een periode waarin democratisering, schaalvergroting en verzuiling de Nederlandse eenheid bedreigden, hadden ook de politieke elites behoefte aan een unificerend beginsel. Aangezien de Oranjevorsten sinds de Grondwetsherziening van 1848 nog slechts een zeer geringe macht bezaten, waren zij uitermate geschikt om deze symbolische functie te vervullen. Alleen spraken Willem II en III zo weinig tot de verbeelding dat van hen nauwelijks enige mobiliserende werking uitging.

Een emotionele band tussen vorst en volk kon pas ontstaan vanaf 1890, toen de troon werd bezet door een vrouw — om het gedurende meer dan een eeuw te blijven. Helemaal toevallig was dat ongetwijfeld niet, aangezien in de negentiende- en twintigste-eeuwse nationale verbeelding de kern van de natie vaak als vrouwelijk werd voorgesteld. De hernieuwde band tussen het Nederlandse volk en oranje werd ritueel bevestigd tijdens onder meer de inhuldiging van koningin Wilhelmina (1898) en het Nationaal Historisch Feest (1919), waar ook de kleur oranje dominant aanwezig was.

In deze omstandigheden veranderde ook de historische beeldvorming van Willem van Oranje aanzienlijk. Was de driehonderdste verjaardag van zijn dood, in 1884, nog getekend door levensbeschouwelijke verdeeldheid, dan schaarden de verschillende Nederlandse volksdelen zich bij de vierhonderdste verjaardag van zijn geboorte, in 1933, eendrachtig achter de “Vader des Vaderlands”.

Dat gegeven is des te opmerkelijker omdat de wetenschappelijke geschiedschrijving over de Nederlandse Opstand gedurende dezelfde periode onderhevig was aan wat de Nederlandse historicus Jan Romein “vergruizing” zou noemen. De mythe Oranje trok zich weinig aan van de historische onzekerheden over zijn figuur. Door vooral zijn erasmiaanse geestesgesteldheid in de verf te stellen, konden zelfs de Nederlandse katholieken Willem van Oranje in hun pantheon inlijven.

De figuur van Willem van Oranje bevorderde de Nederlandse eenheid, maar de kleur oranje bleef voor verdeeldheid zorgen. Steeds meer Nederlanders vonden dat het oranje opnieuw een plaats verdiende in de Nederlandse vlag, maar omdat de zelfverklaarde fascisten van de NSB er het hardst om schreeuwden, kwam dat er niet van. In februari 1937 werd het rood-wit-blauw officieel uitgeroepen tot de vlag van Nederland. Dat was des te pijnlijker voor de voorstanders omdat de Zuid-Afrikaanse Unie in 1928 wél voor het Oranje-Blanje-Bleu had geopteerd.

Maar de wraak van oranje was zoet. Gebannen uit de officiële vlag drong de kleur zich gaandeweg alléén op. De Oranjecultus die de Nederlands-nationalistische opstoot tijdens de Tweede Wereldoorlog onderbouwde, was hier niet vreemd aan. Dat ook in collaboratiegezinde kringen intens met Oranje was gedweept, werd na de Tweede Wereldoorlog wél door de vingers gezien. Van het fascisme ging toen immers geen dreiging meer uit.

Oranje vlaggen en vaandels (met hoogstens een rood-wit-blauw randje) overvleugelden sindsdien bij feestelijkheden en sportmanifestaties gemakkelijk het officiële rood-wit-blauw. Maar het oranje drong ook binnen in het alledaagse Nederlandse straatbeeld. Het was niet langer de kleur van de monarchie of van de natiedragende elites, maar van alle Nederlanders. Het was de kleur geworden waarin het sterke banale nationalisme in Nederland zich tooide. Zij had zich losgerukt van de concrete figuur van Willem van Oranje, maar niettemin kan haar huidige kracht ongetwijfeld worden verklaard vanuit haar historische connotaties. Vooral het feit dat de kleur historisch zowel met soevereiniteit als met verzet kon worden verbonden, was en is ongetwijfeld een van haar grote troeven.

Oranje in de Belgische partijstrijd

Waar de groeiende populariteit van oranje in Nederland een zichtbaar symbool is van een succesvolle nationalisering, daar heeft oranje in België vrijwel altijd voor verdeeldheid gezorgd. Het simpele feit dat het onafhankelijke België is ontstaan vanuit een strijd tégen de Oranjedynastie heeft daar uiteraard veel mee te maken. De Grondwet van 1831 bepaalde dat nooit een afstammeling van het huis Oranje-Nassau op de Belgische troon mocht komen en in de eerste versie van het Belgische volkslied werd de haat voor Oranje niet onder stoelen of banken gestoken. Wie zich desondanks als “orangist” durfde te profileren, laadde automatisch het verwijt op zich een landverrader te zijn.

Toch lijkt dit Belgische orangisme slechts in beperkte mate gebaseerd te zijn geweest op een actieve sympathie voor de historische of actuele Oranjedynastie. Centraal stond veeleer de vrees voor de negatieve economische of culturele gevolgen van de scheiding. Naarmate de Belgische staat zich consolideerde, werd deze orangistische tendens echter steeds marginaler. Toch zou een arbeidersvariant van het orangisme nog lang blijven voortleven, en onder meer aan de oppervlakte komen in het vroege Gentse socialisme. Zelfs de voormalige socialistische burgemeester van Leuven, Louis Tobback, bestempelt zichzelf nog altijd graag als orangist. Maar ook hij betreurt daarmee eerder de gemiste economische en strategische kansen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dan het wegvallen van de Oranjedynastie. Behalve orangist is Tobback immers ook een nauwelijks verholen republikein — een combinatie die in Nederland nauwelijks denkbaar is.

Actieve Oranjeliefde vindt men in België pas terug vanaf de jaren 1860. Zij situeerde zich echter uitsluitend bij de liberalen, die hun strijd tegen de katholieken voorstelden als een voortzetting van het zestiende-eeuwse protestantse verzet tegen de katholieke vorst Filips II. Voor de Belgische katholieken hoorde deze laatste overigens thuis in het historische rijtje van de “goede vorsten”, terwijl Willem van Oranje de protestantse duivel belichaamde. In Antwerpen verenigden de liberalen zich in de Geuzenbond en zongen zij gretig het antiklerikale Geuzenlied; in Gent werd in 1876 met veel luister de driehonderdste verjaardag van de Pacificatie van Gent gevierd.

Ook de Brusselse liberalen deden mee in deze ophemeling van de Opstand. Bij de aanleg van het parkje van de Kleine Zavel koos het Brusselse stadsbestuur in de jaren 1880 voor een iconografisch programma dat de Nederlandse Opstand centraal stelde. De grote beelden van Egmont en Hoorne worden omgeven door een reeks kleinere beelden die Belgische geleerden en politici uit de renaissance voorstellen. Onder hen bevinden zich Mercator en Ortelius, maar ook Marnix van Sint-Aldegonde en, zoals het Franse opschrift luidt, “Guillaume le Taciturne”.

De beeldentaal van de Kleine Zavel zegt veel over de omgang met Oranje in het laat-negentiende-eeuwse Belgische liberalisme. Ten eerste vormde Willem van Oranje slechts één onderdeel van een ruimere cultus van de Opstand of van de Geuzen. In de beeldvorming was hij niet prominenter aanwezig dan — en werd hij soms zelfs ondergeschikt aan — figuren als Egmont, Hoorne of Marnix, die in de concrete Zuid-Nederlandse context een belangrijke rol hadden gespeeld. Bovendien gebruikten Belgische liberalen veeleer het epitheton “de Zwijger” dan de adellijke toevoeging “van Oranje”. “Willem van Oranje”, dat was voor de liberale patriotten van de jaren 1880 immers in de eerste plaats die verlichte despoot die zij een halve eeuw tevoren aan de deur hadden gezet. De Willem de Zwijger die zij verheerlijkten, was een held ondanks de dynastie waartoe hij behoorde — een held van vooruitgang en vrijzinnigheid.

Door De Zwijger los te koppelen van zijn dynastie gaven de Belgische liberalen meteen ook aan niet naar een hereniging met Nederland onder Oranje te streven. Onder invloed van de Franse imperialistische dreiging én van de recente afkoop van de Scheldetol (1863) schilderde de Brusselse liberaal Charles de Coster in de slotpagina’s van zijn geuzenepos uit 1867, La Légende d’Ulenspiegel, weliswaar een visioen van een hechte vriendschapsband tussen Nederland en België, maar een concreet pro-orangistisch sentiment zouden hij en zijn geestesgenoten nooit ontwikkelen. Ook in het culturele Grootneerlandisme dat zich gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw onder liberale flaminganten ontwikkelde, was een appel aan het actuele huis van Oranje zo goed als afwezig. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef Oranje een aanknopingspunt voor vrijzinnige sentimenten, niet voor geopolitieke veranderingswil.

De kleur van het radicalisme

Door de Duitse inval ging een wijziging van de staatsgrenzen vanaf 1914 wél tot de politieke agenda behoren van een kleine, radicale groep. Binnen deze heterogene groep activisten ging voor het eerst de verwezenlijking van een onafhankelijk Vlaanderen primeren boven levensbeschouwelijke kwesties. Daardoor werd een intellectuele kruisbestuiving tussen liberale en katholieke flaminganten mogelijk. Een van de motieven die hierdoor van milieu kon veranderen, was de geuzenretoriek. Ook katholieke activisten lieten zich nu inspireren door Charles de Costers geuzenepos, dat ze superieur achtten aan Consciences oubollige De leeuw van Vlaenderen.

Gedeeltelijk onder invloed van Nederlandse handlangers van het Duitse bezettingsregime gingen de activisten met deze geuzenromantiek wél een reëel Groot-Nederlands programma verbinden. Dat programma zag er overigens helemaal anders uit dan dat van de negentiende-eeuwse liberalen, aangezien taalverwantschap er de basis van vormde. Franstalig België werd, met andere woorden, van de Nederlanden uitgesloten. Het is niet onmogelijk dat vrijzinnige liberalen onder invloed van deze evolutie de geuzenromantiek gaandeweg verlieten.

De tot taaleenheid beperkte variant van het Grootneerlandisme strookte hoegenaamd niet met Willem van Oranjes verzuchtingen. Toch zou deze laatste tijdens het interbellum — paradoxaal genoeg de periode waarin de radicale Vlaamse Beweging meer dan ooit een katholieke aangelegenheid werd — een vaste plaats verwerven in de verbeelding van de radicale Vlaams-nationalisten. Meer zelfs, door zich op Oranje te beroepen leken de tussenoorlogse Vlaams-nationalisten hun radicalisme te willen manifesteren in vergelijking met de vooroorlogse Vlaamse Beweging, die provincialisme en romantische schwärmerei werd aangewreven.

De Vlaams-nationalisten toonden hun verering voor Willem van Oranje niet alleen door enthousiast mee te doen aan de Oranjeherdenking van 1933 — onder meer met de opvoering van het toneelstuk Willem de Zwijger van Pol de Mont — maar ook door het oranje een prominente plaats te geven in hun eigen heraldiek.

Niet toevallig deed deze evolutie zich het duidelijkst voor binnen het in 1928 opgerichte Verbond van Dietse Nationaal Solidaristen (Verdinaso), dat aan zijn fascistische maatschappijvisie een radicaal nieuwe vormgeving wilde koppelen. In 1932 stelde de partij haar nieuwe vlag voor, waarin een blauwe ineenstrengeling van zwaard, ploeg en machine verscheen tegen een oranje-witte achtergrond. Iedere verwijzing naar de klassieke flamingantische symbolen ontbrak. Vanaf 1934 zou de leider van het Verdinaso, Joris van Severen, daadwerkelijk beginnen te pleiten voor een terugkeer naar de Zeventien Provinciën van Willem van Oranje, en trachtte hij zijn beweging ook in Nederland en Wallonië uit te bouwen. Na zijn gewelddadige dood in de zomer van 1940 zou Van Severen binnen zijn beweging worden gehuldigd als “de Vader des Vaderlands”.

Het in 1933 opgerichte Vlaams Nationaal Verbond (VNV), dat het traditionele Vlaams-nationalisme partijpolitiek belichaamde, volgde de door het Verdinaso ingezette tendens gedeeltelijk, maar zocht tegelijk naar een verzoening met de oudere beeldvorming. De oranje vlag met een blauw-wit deltateken die in 1935 werd aangenomen, belette niet dat daarnaast ook de Vlaamse Leeuw en de blauwvoet een prominente rol bleven spelen in de partijretoriek. Ook toen de partij al volop de kaart van de collaboratie had getrokken verschenen in haar tijdschrijften vaak prenten waarin “de Vader des Vaderlands” uitstijgt boven de historische en actuele helden van het Vlaams-nationalisme: Jan Breydel en Pieter De Coninck, de Brigands, de IJzersoldaten, de Vlaamse Oostfrontvrijwilligers.

Het statuut van Oranje in deze Vlaams-nationale propaganda was hoogst dubbelzinnig: enerzijds leek hij een verregaande collaboratie te legitimeren die het eng-Vlaamse niveau oversteeg, anderzijds school in referenties aan de zestiende-eeuwse Nederlandse opstand ook altijd een element van “intern verzet”. Dat was niet alleen zo vanwege de algemene opstandige sentimenten die zij konden oproepen, maar ook omdat de bezetter elke verwijzing naar een politiek Groot-Nederland sinds februari 1941 buiten de wet had gesteld. De onvrede die binnen Vlaams-nationalistische kringen groeide rond de te verregaande collaboratie van het VNV, zou zich dan ook grotendeels uitkristalliseren rond verwijzingen naar de Nederlandse Opstand. In een kring van Oud-Dinaso’s ontstond het zogenaamde Dietsch Eedverbond, terwijl de groep “Nederland Eén!” die zich binnen het VNV ontwikkelde ook onder de naam “De Geuzen” opereerde. Het was vermoedelijk onder invloed van deze laatste groep dat de Oranjeretoriek ook in de officiële VNV-pers nadrukkelijk aanwezig bleef.

Waarschijnlijk was het juist vanwege deze connotatie van “verzet” dat het oranje een erg belangrijke rol speelde in de naoorlogse wederopstanding van het Vlaams-nationalisme. Door zich achter het oranje te scharen konden verschillende jeugdbewegingen, studentenverenigingen en intellectuele denktanks tijdens de directe naoorlogse periode de radicale boodschap van de Vlaams-nationale collaboratie bewaren en zichzelf tegelijk een zekere verzetsallure aanmeten. Het was in die omstandigheden dat Remi Piryns zijn Gebed voor Vlaanderen liet aanvangen met “Heer, laat het Prinsenvolk der Oude Nederlanden / Niet ondergaan in haat, in broedertwist en schande.” In 1952 werd de Princevlag onder luid “Hou Zee”-geroep binnengebracht op het Vlaams-nationaal Zangfeest, dat tot op de dag van vandaag wordt afgesloten met het Wilhelmus.

Naarmate het Vlaams-nationalisme in de loop der jaren zijn politieke geloofwaardigheid herwon, leek het oranje weer naar de intellectuele marges verdreven te worden. In hetzelfde jaar 1955 waarin de Volksunie haar eerste congres belegde (en resoluut voor het geel-zwart koos), werd in Kortrijk ook de Orde van den Prince opgericht. Tot vandaag fungeert die orde met de motto’s van De Zwijger “Amicitia et Tolerantia” als een Groot-Nederlandse, maar politiek weinig geprofileerde society-club. Ook het oranje-wit-blauwe wapenschild van de in 1970 opgerichte Vrije Universiteit Brussel paste binnen een soortgelijk intellectueel Grootneerlandisme, al kon het tevens worden geïnterpreteerd als een terugkeer naar de vrijzinnige geuzenromantiek van de late negentiende eeuw. Maar ook een radicaal-rechtse denktank als de Delta-stichting hanteert bij voorkeur een oranje design en ziet ondanks haar heidense geloofsbelijdenis in Willem de Zwijger een lichtend voorbeeld.

Nederland kleurt oranje, België kleurt niet

Toen de rechts-populistische politicus Geert Wilders in juli 2008 met een manifest in de Vlaamse kranten probeerde steun te werven voor zijn Groot-Nederlands project, verwees hij uitvoerig naar Willem van Oranjes Groot-Nederlandse droom. Daarmee overschatte hij ongetwijfeld de weerklank die Oranje vandaag in Vlaanderen heeft. Terwijl de figuur, maar vooral de kleur in Nederland gedurende de voorbije eeuw tot algemeen herkenbare symbolen van eenheid zijn uitgegroeid, hebben zij in de Belgische geschiedenis altijd als vehikel gediend voor concrete, particuliere politieke doeleinden. Oranje werd door de liberalen ingezet tegen de katholieken, door radicale Vlaams-nationalisten tegen de cultuurflaminganten, door de voorwaardelijke tegen de onvoorwaardelijke collaborateurs. Willem van Oranje is in de Belgische verbeeldingswereld nooit uitgegroeid tot een algemeen gedeeld patrimonium. Toen in de jaren 1980 de Nederlands-Vlaamse televisiereeks Willem van Oranje werd uitgezonden, heeft zij in Vlaanderen ongetwijfeld nauwelijks nationalistische sentimenten veroorzaakt.

Maar misschien is het op zich al opzienbarend dat Willem sinds het einde van de negentiende eeuw in België nauwelijks nog negatieve gevoelens veroorzaakt. Was hij immers niet de grondlegger van de dynastie waartégen het onafhankelijke België is ontstaan? En is de kleur waarmee hij wordt verbonden niet dé kleur waarrond een naburige natie zich voortdurend zelfbewust aan de buitenwereld toont op een manier die de Belgische verdeeldheid alleen maar sterker in de verf kan stellen?

Literatuur
De Negentiende Eeuw, jg. 23 (1999) nr. 1. (Themanummer over het orangisme).
E.O.G. Haitsma Mulier & A.E.M. Janssen (red.), Willem van Oranje in de historie, 1584-1984. Vier eeuwen beeldvorming en geschiedschrijving, HES, Utrecht, 1984.
T. van der Laars, Wapens, vlaggen en zegels van Nederland, Uitgeverij Jacob van Campen, Amsterdam, 1913.
Urbain Vermeulen, “Katholieken en liberalen tegenover de Gentse Pacificatiefeesten (1876)”, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nr. 20 (1966), pp. 167-185.
Kristin van der Wee & Edward De Maesschalck, Vlaanderen ontmoet Nederland. De Geschiedenis van de Orde van den Prince, Lannoo, Tielt, 2003.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be