Publicaties
Onze pijn is grijs. Bert Van Raemdoncks debuutbundel ‘Hier raken we mij kwijt’
0 Reacties
© Geertje De Waegeneer
© Geertje De Waegeneer © Geertje De Waegeneer
literatuur

Onze pijn is grijs. Bert Van Raemdoncks debuutbundel ‘Hier raken we mij kwijt’

Bert Van Raemdonck schrijft ruw, ambigu en simpel tegelijkertijd.

“The element of fire is quite put out”, schreef John Donne al begin zeventiende eeuw in An Anatomy of the World, waarin hij “the Decay of this Whole World” beschrijft. Met dat motto van Donne opent Bert Van Raemdonck toepasselijk zijn debuutbundel Hier raken we mij kwijt. Daarin wordt in vijf afdelingen de teloorgang van de mens steeds duidelijker. In de proloog voert hij nog begrippen als vuur, strijd, kleur en dier op, en bestaat er nog een vonkje hoop: “ik wil en ik zal en ik wil en ik zal en ik word en ik ben indiaan.” In de epiloog is dat vertrouwen compleet verbrijzeld. In plaats van strijdende natuurmensen zijn wij twitterende wormen, klaar om elk moment tot moes geslagen te worden.

De eerste akte, ‘je zal ons morgen in de ochtendkrant zien staan’, opent direct in een deprimerende setting. Het leven is nietszeggend en grijs, en alles wat mensen doen is consumeren, elkaar kopiëren en zich schikken. Bovendien hebben ze heimwee naar een tijd die nooit meer kan herrijzen. Die uitgedoofde werkelijkheid resulteert in een drang naar onnodig geweld, naar oorlog. De woorden “grijs” en “vroeger” keren de hele bundel terug. In deel II, ‘niet twijfelen niet twijfelen’, valt vooral de verwendheid van de massa op. Het volk is kinderlijk, kan niet kiezen en vraagt (te) veel. Daarop wordt in afdeling III, ‘hoe de kou zich over ons verspreidt’, door middel van realistische scènes en persoonlijkere details verder ingezoomd. Mensen vervelen zich, zorgen slecht voor zichzelf, drinken, gebruiken drugs. Mensen zijn bovendien materialistisch, zelfs ten opzichte van vluchtelingen, zoals in het gedicht ‘baba’:

Voor elke spuit en elke luier die ze baba wilden geven
moest hij onder de tafel nog eens extra,
moest hij – komaan meneer, zo gaat dat hier – beetje betalen

Het gedicht ‘christus in tirol (1)’ stroomt over van werkwoorden die verbonden zijn met de dood: vallen, stikken, schreeuwen, doodgaan, dwalen, verdwijnen, opgaan, verdrinken. Toch spreekt er een hardnekkigheid uit: “Zomaar laten wij ons hier niet van een winters raam afwrijven.” Mensen walsen over flora en fauna alsof ze nog alle tijd van de wereld hebben. Opvallend is dan ook het lijden van dieren (paarden, reigers, spreeuwen), soms door de veranderde, moderne samenleving, soms zelfs door sadistische mensen. Het onderstreept nog meer de groeiende afstand tussen mens en natuur: “Er zit geen vis in deze vijver, zegt de reiger, / en het klinkt als een verwijt.”

In plaats van strijdende natuurmensen zijn wij twitterende wormen

In deel IV, ‘eendracht sint anna’ zoomt Van Raemdonck weer uit en beschrijft de optelsom van al dat individuele gedrag: een volk van barbaren dat in de duisternis collectieve ellende ondergaat. De laatste akte, ‘hier raken we mij kwijt’, is meer meta en beschouwt poëzie ten opzichte van de eerder behandelde thema’s doelloosheid, nostalgie en duisternis. Ook in de literatuur is er de wens om niet grijs maar bijzonder te zijn. We zijn wel bevrijd van de vaste versvormen, maar is er toch nog genoeg kritiek op gevestigde dichters. Die schrijven beperkt, saai, smaakloos: “puree met zuurkool”. Niettemin is schrijven een noodzaak voor de “ik”. Die zorgt voor een schijn van controle, zodat men niet verleid wordt door de doelloosheid en de nostalgie, door alcohol en leven in het verleden. Een leefbare illusie dus, maar zeker geen troost, zoals uit ‘schrijflijn’ blijkt:

Alles zou met mantelzorg worden vergeven,
maar nu word ik veroordeeld om te doen alsof ik alles controleer,
ook alles wat ik vrees en haat en telkens herbeleef

Op stilistisch vlak zijn de zeer korte gedichttitels erg opvallend. Meestal zijn het samenvoegingen, al dan niet met klankrijm: ‘potgrond’, ‘nachtwacht’, ‘meeuwzweet’, ‘wrokgolf’, ‘wondvocht’, ‘schrijflijn’, ‘ijstijd’. Binnen de gedichten zelf, die wisselen van lengte en strofebouw, heeft Van Raemdonck ook veel gevoel voor ritme en klank. Meestal rollen de regels aangenaam door, zoals in het lange gedicht dat afdeling twee vormt, ‘niet twijfelen niet twijfelen’: “Genoeg getwijfeld, ongetwijfeld, / veel te veel, genoeg genoeg.” En later in ‘kroegplaat’:

Wij tellen hier de dagen samen,
de helft van wat ooit vol was, smaakt steeds vaker
naar de leegte van ons glas

Daardoor komt alle kritiek aanvankelijk overtuigend over, en vaak ook hard. Maar doordat in Hier raken we mij kwijt gemakkelijk te bekritiseren onderwerpen zoals kapitalisering, onderwijs, mindfulness en fezelende dichters worden aangesneden, komt de bundel niet alleen geestig, maar soms ook wat afgezaagd over vanwege de prekerige toon. Dat is vooral het geval in het begin van de bundel, die gaandeweg wel sterker, scherper en origineler lijkt te worden. Dan worden ietwat flauwe creaties als “want terwijl toeristen daar naar buitenlanden rijden / blijft het gas voor hen altijd hoogstens halfvol” afgewisseld met slimme parels als “Wij, sneeuwvlokken / kennen wel vijftig woorden voor de mens” en “Welvaart is een opgestoken vinger, / eenzaam is iets anders dan alleen”.

Een gevoelige lezer pikt hier en daar zeker ongemakkelijk-heden op

Diezelfde (dis)balans valt op omtrent gender en kleur. Een gevoelige lezer pikt hier en daar zeker ongemakkelijkheden op. De proloog zit boordevol nostalgie naar een soort mannelijke strijder: een gewone, witte man wenst een donkere indiaan te worden tussen de dieren, de natuur, het vuur. Hij is “te wit om te dansen” en te gewoon “om het lijf van een vrouw te omarmen”. Die nadruk op een soort oerkracht komt rudimentair en ietwat racistisch en seksistisch over. Het helpt niet dat het volgende gedicht, ‘inventaris (1)’, bestaand uit een vinnige opsomming, de volgende regels bevat:

Ook therapie en burgerwacht
en weet je wie er zeker ook?
de koepels van het onderwijs
die absoluut en zeker ook, mevrouw,
meneer (of x)

Tussen de opmerkingen over damesbladen, jihadi’s, mandala’s en pretentieuze meisjes die dichten door leest deze strofe zuur ten opzichte van genderqueers.

Tegelijkertijd zijn er tegengeluiden te horen, tegen racisme (“Wij zoeken sleutels, kennen kleur / en hebben dan elkaar gebroken”), en tegen gevestigde mannelijke orde: “Wat groots is en meeslepend / wordt zelden op gesubsidieerd papier door mannen met een bril / aan andere mannen met een bril verteld.” De vieze nasmaak en de verwarring blijven hangen, maar dieper in de bundel, wordt het beeld dat de “ik” bespreekt gelukkig diverser.

Aanvankelijk snijdt Van Raemdonck een heel bekend verhaal aan. De mens is aan het overconsumeren, overwoekeren, leeft in zijn eigen bubbel, verveelt zich en orkestreert zijn eigen einde. De stem waarmee de schrijver dit verhaal vertelt, is daarentegen wel heel eigen. Hij toont de harde, alledaagse, soms typisch laaglandse werkelijkheid:

Help mij, zegt ze,
ik wilde alles heel even vergeten
dus ik kocht een doosje kleine ronde pillen
maar ik nam er veel te veel

Zonder grenzen schrijft Van Raemdonck. Niet zozeer brutaal of provocerend, maar ruw, ambigu en simpel tegelijkertijd, zoals het in de grijze realiteit is.

Bert Van Raemdonck, Hier raken we mij kwijt, Polis, Antwerpen, 2019, 71 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.