Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Een troon en een dynamische werkomgeving. ‘Vervoersbewijzen’ van Tijl Nuyts
1 Reacties
recensie
literatuur

Een troon en een dynamische werkomgeving. ‘Vervoersbewijzen’ van Tijl Nuyts

Tijl Nuyts’ veelbelovende debuut, Anagrammen van een blote keizer, heeft een opvolger. Met Vervoersbewijzen, waarvoor hij de Herman de Coninckprijs 2022 krijgt, toont Nuyts zijn expertise in de mystiek, zijn scherpe humor, en zijn indrukwekkende groei als dichter.

Als dichter Tijl Nuyts (1993) uit één thema duidelijk put in Vervoersbewijzen (2021), dan is het reizen. Van de vervreemdende foto op de kaft van incheckpaaltjes midden in de woestijn, tot de titels van de bundelafdelingen: ‘Voetganger’, ‘Pendelaar’, ‘Pelgrim’, ‘Toerist’, ‘Boodschapper’, ‘Vagebond’. Titels van gedichten staan voor trein-, en tramstations, bedevaartplaatsen, snelwegafslagen, kruispunten en parkeerplaatsen.

Dat is een ander perspectief dan in Anagrammen van een blote keizer (2017), waarin onder andere de scheppingskracht, het goddelijke van de taal centraal stond. Wat echter direct voor een warm weerzien zorgt, zijn Nuyts’ fantasierijke samenvoegingen en neologismen. Kleuren zijn een goed voorbeeld. In zijn debuut zagen we “mosselblauw”, “oedipusoranje”, “belgisch witblauw” en “groenchroom”. In Vervoersbewijzen lezen we over een “ kanariegele stilte”, “kakelwitte klikklakschoenen” en een “appelblauwzeegroene gevel”.

Daarnaast weet Nuyts opnieuw op geslaagde wijze het religieuze met het alledaagse of het banale te vermengen. In Anagrammen van een blote keizer heeft hij het bijvoorbeeld over “lachgas verpakt in slagroompatronen (in een ballon en daarna inhaleren) / blunderen met blinde djinns in een drinkbus vol klinkers”, maar hij verheft het naar een hogere kunst in Vervoersbewijzen. Het ene na het andere absurde beeld wordt glashelder op je netvlies getekend. Zaten de djinns, de islamitische geesten, in Nuyts’ debuut nog aan het lachgas, in zijn jongste bundel komen we ze tegen in de disco. Het gaat om kleine gebeurtenissen, zoals God die Abraham laat weten dat zijn zoon niet geofferd hoeft te worden door hem een Whatsappberichtje te sturen (“Gebruik een geit”). Maar het gaat ook om omvangrijkere beelden, om narratieven, die meermaals terugkeren. Zoals de vier evangelisten (“Vooraan: een mens. Links: een leeuw / Rechts: een stier. Achteraan: een adelaar.”) die een lift krijgen van de ik-persoon en hem meerdere gedichten vergezellen, wat erg geestige omstandigheden oplevert:

Als de levende wezens op de achterbank
zich een beetje verplaatsen (het is er krap),
bewegen de wielen met hen mee; als ze stilzitten,
houden we halt, en als ze rechtstaan om hun geföhnde kapsels
uit te laten waaien (de deelauto is een cabriolet),
verheffen ook de wielen zich met hen mee.

Nuyts’ humor is sowieso van grote waarde in zijn werk. Zeker te midden van enigmatische verwijzingen of vertalingen. Zijn spitsvondigheid is het perfecte middel om de leeservaring aantrekkelijk te houden en zorgt voor balans. Zo plaatst hij in Anagrammen van een blote keizer middenin het gedicht ‘Isfar’ een hyperlink naar de website van de International Yak Association, en vertelt een van de hoofdpersonages “dat in elk glas water nog dino-urine zit”. In Vervoersbewijzen komen nog meer kwinkslagen voor, wat misschien deels de toegenomen leesbaarheid kan verklaren. Een mooi voorbeeld is de vacature die het hoofdpersonage en de evangelisten samen plaatsen voor een nieuwe God:

Wanneer de doos is ingeladen
plaatsen we een vacature online
voor een God (m/v/x/).
Wat we Je bieden?
Een uitdagend takenpakket, een leuk team,
een troon en een dynamische werkomgeving.

En hoewel de gedichten ook zonder al te intensief uitpluiswerk prachtig op zichzelf staan, met hun vreemde beelden en klinkende taal, is het werkelijk indrukwekkend hoeveel mystiek, hoeveel narratieven Nuyts weet te verenigen in één werk. Wat een paar associaties, een paar Google Searches, al aan het licht kunnen brengen. Vervoersbewijzen is iets minder raadselachtig, minder obscuur dan zijn voorganger, maar bepaalde interpretaties blijven onzeker, open voor persoonlijke invulling. Het mooiste voorbeeld is de evolutie van de reiziger, die op een bepaalde manier parallel lijkt te lopen met de ontwikkeling van een soefi die één probeert te worden met Allah. De duidelijkste aanleidingen vinden we in het gedicht ‘Qurb - Nabijheid: Sint-Guido - Saint-Guidon’:

Het geluk dat uit de keel van de toerist springt
als een houten koekoek: Baqā’! Baqā’! Baqā’!
Alle gewaarwordingen en stations zijn achter de rug.

Deze strofe lijkt te verwijzen naar de begrippen fana en baqa, die worden omschreven als “stations” van een spirituele reis, waarbij baqa het meer geëvolueerde station is. Extreem kort door de bocht: nadat je je menselijke zelf verlaten hebt (fana) om iets hogers te vinden, keer je weer terug naar jezelf (baqa). Daardoor ben je je zowel bewust van jezelf, als van een volle goddelijke aanwezigheid. Dat wordt ook vergeleken met Plato’s grot en diens schaduwspel: iemand die aan de grot is ontsnapt en de échte werkelijkheid heeft kunnen ervaren, en daarna weer terugkeert en anderen kan onderwijzen. Het is verleidelijk om de slotregel van het hierboven geciteerde gedicht in dat perspectief te interpreteren: “de Messias komt toch pas wanneer laat licht op de muren valt.” Eerder in de bundel is er ook een verwijzing naar “de grotschilderingen op de binnenkant / van onze oogleden”.

Het volgende gedicht, ‘Maqām La-Maqām -Station Niet-Station’, verwijst naar een staat waarin je alle stations gepasseerd bent en niet meer gekenmerkt wordt door eigenschappen of bezittingen. Het zou een faux-pas kunnen zijn, maar voor een religieleek kan de associatie met de ‘Vagebond’ (titel van de laatste afdeling), iemand zonder bestaansmiddelen of woonplaats, zich hier opdringen. Zeker als je de rest van de afdelingen bij de vergelijking betrekt. Er is een evolutie van de voetganger in Brussel, die nogal beperkt is in wat hij van de wereld kan zien, naar de pendelaar, die meerdere treinstations trotseert om zijn maatschappelijke functie te vervullen. En van de pendelaar naar de pelgrim, die naar een hogere betekenis verlangt, op weg is naar God. Vervolgens is er de toerist, die per definitie de wijde, echte wereld wil zien. Dan is er de boodschapper of koerier, in de bundel vergeleken met een profeet die de Messias in een doos komt bezorgen (“Volg Zijn traject via de app”). De boodschapper kan informatie aan anderen verstrekken. Ten slotte is daar de vagebond, los van elk doel of bezit. Iemand die alleen nog maar “is”.

Het is duidelijk dat de personages in ‘Vervoersbewijzen’ sterk verlangen naar iets hogers. Naar iets mystieks, naar bewijzen voor Gods bestaan, het ultieme vervoersbewijs

Maar is zo’n ultieme staat van zijn, zo’n zingevende levensloop, wel mogelijk in een wereld waar God voor velen achterhaald is, niet meer dan een sprookje? Het is duidelijk dat de personages in Vervoersbewijzen sterk verlangen naar iets hogers. Naar iets mystieks, naar bewijzen voor Gods bestaan, het ultieme vervoersbewijs. In ‘Anderlecht-Zuid’, het enige gedicht dat met zijn steeds groter wordende spaties tussen de letters op een opvallend afwijkende manier is vormgegeven, hunkert de ik-persoon naar een vers. Een vers dat de wereld rondgaat, “opnieuw, en opnieuw en opnieuw, tot het einde / der tijden”, zoals ouroboros, de slang die zich “teder in de eigen / staart bijt”. Een vers als eeuwige reiziger.

De heiligheid, de oneindigheid, laat zich echter niet zo makkelijk vangen. Hoewel God zich enkele keren laat zien in Vervoersbewijzen, op de dating-app Tinder bijvoorbeeld, lijkt de dichter er rekening mee te houden dat het te laat is om nog te geloven. Zo is de vacature voor een nieuwe God, die de evangelisten met het hoofdpersonage plaatsen, niet bepaald een goed teken voor de huidige stand van zaken. In dit opzicht is de passage in de wasserette, in een van de laatste gedichten, bijzonder. God zwemt achter het bolle, haast profetische glas van een wasmachine, waarna hij:

met de kleren uit de machine gutst,
in een hoek op de natte tegels
komt te liggen, blijft liggen,
als een zeemeeuw in olie,
als een vis in ademnood,
als een lam met een toekomst.

Hier lijkt God, compleet hulpeloos, zowel te sterven als geboren te worden. En misschien is dat ook precies de bedoeling. In het laatste gedicht, ‘Groenendaal’, kijkt de ik-persoon samen met God, die een kleuter is, naar de Brusselse ring: “Wanneer de files zijn opgelost / en de wrakken weggehaald, / wandel ik aan Gods hand naar huis.” Wie nu wie leidt, is niet duidelijk, en wellicht hoeft dat ook niet. Zoals Nuyts in het gedicht daarvoor schrijft: “Ik weet niet wie aan het stuur zit / maar laat me gaan.” De reis is rond, maar gaat tegelijkertijd ook verder. Zo eindigt deze magnifieke bundel. Magisch, maar realistisch. Bevredigend, maar ook open, smakend naar oneindig veel meer.

Tijl Nuyts, Vervoersbewijzen, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2021, 92 p; Anagrammen van een blote keizer, Polis, Kalmthout, 2017, 64 p.
JefVanStaeyen

Het lijkt erop, dat de jury een heel goede keuze heeft gemaakt, met een (mij) onbekende dichter. Prachtig is ook dat heel alledaagse woord "vervoersbewijzen", voor een inhoud met andere, verregaande betekenissen. Lisa Rooijackers vertelt ons goed wat we mogen verwachten.
Ik denk aan wat ik heel onlangs toevallig las. Woorden van Gilliams en van Evenepoel omtrent een gedicht van Van Ostaijen (1916):
Daar heeft de zon een laatste maal
Haar stervensweeë gouden praal
Verzameld in een glazen tremportaal.
"Met de poëtisering van de technische vooruitgang hebben maanlicht en zonsopgang hun alleenrecht in de lyriek (definitief?) verloren" schrijft Stefaan Evenepoel in zijn bloemlezing van Van Ostaijen (Spiegel van uw eenzaamheid, 1988).
Graag had ik van de recensente ook gelezen hoe Nuyts' poëzie staat tot zijn onderzoekswerk: "Mystiek erfgoed en moderne identiteiten: receptie en appropriatie van de middeleeuwse ‘Vlaamse’ mystica Hadewijch in het interbellum in België".
En tenslotte toch: in tegenstelling tot de andere voorbeelden is "een appelblauwzeegroene gevel" geen fantasierijke samenvoeging of neologisme. Althans in dit deel van het Nederlandse taalgebied is appelblauwzeegroen een courante term voor een courante, maar moeilijk definieerbare kleur (die weliswaar vaker voor binnen- dan voor buitenruimten wordt gebruikt).

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.