Naar een gedeeld vakgebied: de internationale neerlandistiek
In Hoe het groeide tekent neerlandicus Jaap Grave de vijftigjarige geschiedenis op van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN). Anne Sluijs, IVN-directeur sinds begin 2023, las het boek en laat zich inspireren door het verleden van de vereniging die ze nu leidt. ‘Het is mijn streven om de neerlandistiek binnen en buiten het taalgebied nog veel meer te verbinden.’
Het boek De Internationale Vereniging voor Neerlandistiek. Hoe het groeide, geschreven door Jaap Grave, verscheen in november 2022 in de reeks Lage Landen Studies. Niet lang daarna werd bekend dat ik in 2023 zou aantreden als nieuwe directeur van deze vereniging, afgekort IVN, die het centrale onderwerp vormt van Graves geschiedschrijving.
Waar de recente geschiedenis van IVN mij al bekend was, bood Graves boek mij nu de uitgelezen kans om verder terug in de tijd te duiken en te leren wat mijn voorgangers bezighield sinds de oprichting van de vereniging in 1970 en in de periode die eraan voorafging.
Door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen veranderde er veel wat betreft de werking van deze internationale vereniging, zo blijkt. Maar wat vooral opvalt is dat de kansen en uitdagingen na al die jaren eigenlijk min of meer onveranderd zijn gebleven.
De auteur van het boek, ook redactielid van de reeks Lage Landen Studies, werkte als (gast)docent Nederlands aan universiteiten in Regensburg, Freising, Passau, Leipzig, Berlijn, Nagasaki, Münster, Jakarta, Padova, Amsterdam, Leiden en Sint-Petersburg. Hoewel dat voor één persoon een indrukwekkend lange lijst is, is het nog maar een kleine greep uit de circa honderdveertig universiteiten in ruim veertig landen ter wereld waar je Nederlands kunt studeren.
De missie van de IVN om de zichtbaarheid van de neerlandistiek binnen en buiten het taalgebied te vergroten is nog altijd actueel, zo constateer ik proefondervindelijk als ik mensen probeer uit te leggen wat mijn baan inhoudt. Allereerst heeft bijna niemand er ooit bij stilgestaan dat het mogelijk is om in het buitenland Nederlands te studeren. Vooral kan men zich niet voorstellen dat er mensen zijn die dat wíllen.
De kansen en uitdagingen voor de IVN zijn na al die jaren eigenlijk min of meer onveranderd gebleven
Deze onwetendheid over het belang en de potentie van het wereldwijde onderwijs in de eigen taal, cultuur en literatuur werkt door op alle terreinen. Ook van oudsher in de politiek in Nederland en Vlaanderen. Je zou kunnen zeggen dat deze omissie in 1961 de aanleiding vormde voor de Vlaming Walter Thys om de Werkcommissie op te richten, de voorloper van IVN. Tot dat moment bestaat er geen organisatie die zich bezighoudt met de neerlandistiek in het buitenland: vanuit de ministeries wordt wel ad hoc geïnvesteerd in enkele buitenlandse vakgroepen, maar er is geen overzicht van hoeveel vakgroepen en docenten Nederlands er wereldwijd eigenlijk zijn of een samenhangend beleid voor hoe zij ondersteund kunnen worden.
Thys begint halverwege de jaren 1950 met het versturen van brieven naar neerlandici in het buitenland met het verzoek hem te informeren over hun activiteiten. Zo hoopt hij een netwerk op te zetten en uiteindelijk een vereniging op te richten. Verschillende neerlandici in binnen- en buitenland helpen hem in zijn missie, en ook het Nuffic (de Nederlandse organisatie voor internationalisering in het onderwijs) ondersteunt.
In 1961 ziet de Werkcommissie het licht tijdens de eerste bijeenkomst, waar dan achttien neerlandici aan deelnemen: het Colloquium Neerlandicum, dat nog altijd georganiseerd wordt. Vervolgens begint de commissie onder andere met het uitgeven van het nieuwsbulletin Neerlandica Extra Muros (NEM). De Werkcommissie onderhoudt nauw contact met de ministeries om hen te wijzen op de noden van de neerlandistiek in het buitenland. Op 7 september 1970 wordt vanuit de Werkcommissie de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek opgericht, met statuten en een bestuur van neerlandici uit binnen- en buitenland.
In de geschiedenis van de IVN vanaf 1970 tot nu zoals die in Graves boek wordt beschreven aan de hand van brieven, mails, beleidsstukken en publicaties, zijn een aantal rode draden te ontwaren. Allereerst is er de wispelturige relatie met de Taalunie. De Werkcommissie en de IVN hebben in hun beginjaren altijd aangedrongen op structurele samenwerking tussen de Nederlandse en Vlaamse ministeries en de neerlandistiek in het buitenland. Daaraan werd uiteindelijk gehoor gegeven met het activeren van de Nederlands-Belgische Subcommissie Neerlandistiek in het Buitenland in 1972, die Grave beschouwt als de voorloper van de Nederlandse Taalunie. De Taalunie ontstaat met het sluiten van het Taalunieverdrag in 1980, en vier jaar later besluiten de ministers hun bevoegdheden rond de neerlandistiek in het buitenland geleidelijk over te hevelen aan deze nieuwe beleidsorganisatie.
Een van de rode draden in de geschiedenis van de IVN vanaf 1970 is de wispelturige relatie met de Taalunie
Dat besluit heeft volgens Grave grote gevolgen gehad voor de IVN, omdat de vereniging tot dan toe rechtstreeks overlegde met de ministeries en op die manier invloed uitoefende en onderwerpen agendeerde. Het was de start van het getouwtrek over wie waar verantwoordelijk voor was. Dat ook de financiering van de IVN onder de Taalunie ging vallen, wat nog altijd het geval is, werd door verschillende algemeen secretarissen als pressiemiddel gebruikt om de werkzaamheden van de IVN te beïnvloeden of in te perken, zo blijkt uit Graves reconstructie.
Al lezende werd de oorsprong van de fricties me almaar duidelijker en begreep ik de frustraties van mijn voorgangers: de IVN bestond al veel langer en had veel, vaak onbetaald pionierswerk verricht voor de ministeries, waar volgens hen weinig erkenning voor kwam. Daarnaast was en is de IVN een vereniging die onafhankelijk de belangen van haar leden moet kunnen vertegenwoordigen, wat in de praktijk regelmatig neerkomt op het kritisch bezien van de werkzaamheden van de Taalunie, waarvan de IVN zelf financiering ontvangt.
Ondanks mijn begrip voor de frustraties kon ik me minder inleven in alle kleine persoonlijke vetes en irritaties uit het verleden, ook tussen bestuursleden onderling, die Grave in dit boek op weliswaar vermakelijke wijze optekent. Mijn allesoverstijgende gevoel is dat ik de ego’s, het getouwtrek en die conflicten het liefst in het verleden achterlaat om onze energie te kunnen richten op de mensen voor wie wij doen wat we doen. Daarbij, zoals Theo Janssen (bestuursvoorzitter van 1991 tot 1997) treffend schrijft in een mail aan Grave, “moet het besef overheersen dat de extramurale neerlandistiek er niet is voor de IVN en/of de Taalunie, maar dat zij er zijn voor de extramurale neerlandistiek.”
Mijn allesoverstijgende gevoel is dat ik de ego’s, het getouwtrek en de conflicten het liefst in het verleden achterlaat
Om die belangen zo goed mogelijk te kunnen dienen, is volgens Grave het verbeteren van de publieke representatie van IVN en van de internationale neerlandistiek in Nederland en Vlaanderen van groot belang. Hij beschrijft in het slothoofdstuk hoe het IVN-bestuur onder voorzitterschap van Henriette Louwerse (van 2015 tot 2022) hier een speerpunt van gemaakt heeft, door het uitbrengen van rapporten, contacten te leggen met politici en meer verschijningen in de media.
In de maand dat dit boek verscheen, culmineerden deze inspanningen in het aannemen van een amendement in de Tweede Kamer waarmee jaarlijks structureel één miljoen euro wordt vrijgemaakt voor de activiteiten van de IVN om de toekomst van de internationale neerlandistiek veilig te stellen. Een enorme erkenning voor de IVN, maar vooral voor de internationale neerlandistiek. We werken, terwijl ik dit schrijf, aan een subsidieprogramma om deze extra middelen te kunnen toekennen aan docenten en onderzoekers. Dat we dit vandaag in vriendelijk en wederzijds respectvol overleg kunnen doen met de Taalunie, is goed voor het veld. Die nadruk op publieke representatie en het politieke netwerk zet het huidige bestuur, sinds 2022 onder voorzitterschap van Wim Vandenbussche, intussen onverminderd voort.
Van groot belang is de verbetering van de publieke representatie van de internationale neerlandistiek in Nederland en Vlaanderen
Een laatste rode draad in Hoe het groeide heeft te maken met wat voor mij de belangrijkste drijfveer vormde om directeur van de IVN te worden. Een essentiële beweging in de geschiedenis van de IVN die Grave in dit boek beschrijft, is die van het steeds meer loslaten van het onderscheid tussen de neerlandistiek intra en extra muros, ofwel die van binnen en buiten het taalgebied. Als ik iets écht in het verleden wil achterlaten, is het dat. Heel nadrukkelijk is deze overgang te zien in de koerswijziging van het tijdschrift Neerlandica Extra Muros, dat vanaf 2008 doorgaat als Internationale Neerlandistiek. Geen onderscheid in de naam meer, een scherpere internationale focus, meer bijdragen van niet-moedertaalsprekers en meer wetenschappelijke status.
Op de colloquia verschuift sinds geruime tijd de balans in sprekers: in 2009 waren er bijvoorbeeld zevenenvijftig lezingen, waarvan achtenveertig door neerlandici van buiten het taalgebied, van wie er vierendertig geen moedertaalsprekers waren. Dit in tegenstelling tot het verleden, toen over het algemeen de leden uit de “nationale” neerlandistiek de bezoekende neerlandici uit het buitenland op een colloquium op de hoogte brachten van de stand van zaken in het vakgebied.
Het colloquium neerlandicum in Nijmegen in 2023© Emmy ter Ellen / Radboud Universiteit
Vandaag is de realiteit dat neerlandici uit Nederland en Vlaanderen zich kunnen laten inspireren door vooruitstrevend interdisciplinair en transnationaal onderzoek uit de wereldwijde neerlandistiek dat van hoog niveau is, en waarvan veel vakgroepen intussen groter zijn dan die aan universiteiten in Nederland en Vlaanderen. Dat gebeurt gelukkig ook steeds vaker. Om elkaar te vinden hoeven we niet meer, zoals Thys in de jaren 1950, een brief op de post te doen in de hoop weken of maanden later een antwoord te ontvangen. De coronacrisis heeft de al ingezette digitalisering in een stroomversnelling gebracht, ook in de internationale neerlandistiek: met een druk op de knop sta ik in videoverbinding met Stockholm, Wrocław of Jakarta, en ik zou mijn dagen inmiddels kunnen vullen met het bijwonen van online-evenementen en -lezingen die vakgroepen organiseren.
De coronacrisis heeft de al ingezette digitalisering in een stroomversnelling gebracht, ook in de internationale neerlandistiek
Het is mijn streven als directeur om gezamenlijk de neerlandistiek binnen en buiten het taalgebied nog veel meer te verbinden. Ik zie een nabije toekomst voor me van één gedeeld vakgebied, dat internationale neerlandistiek heet. Voor de bloei, het behoud en de zichtbaarheid van ons vakgebied hebben we elkaar meer dan ooit nodig. Daarmee zetten we het vele werk voort dat alle voorgangers stopten in deze vereniging en in het samenbrengen van neerlandici wereldwijd, zoals Grave met waardering in dit boek heeft opgetekend.






