Publicaties
Koortsachtige gretigheid. Het landschap van de polyfonisten van Paul Van Nevel en Luk Van Eeckhout
0 Reacties
© Luk Van Eeckhout
© Luk Van Eeckhout © Luk Van Eeckhout
kunst

Koortsachtige gretigheid. Het landschap van de polyfonisten van Paul Van Nevel en Luk Van Eeckhout

Het landschap van de polyfonisten is een precieus, prestigieus kijk-, lees- en grasduinboek. Het is de langverwachte, geduldig voorbereide liefdesverklaring van musicoloog Paul Van Nevel en fotograaf Luk Van Eeckhout aan de in hun tijd wereldberoemde vijftiende- en zestiende-eeuwse zangers-componisten uit het gebied dat vandaag de grensstreek tussen Frankrijk en Vlaanderen vormt: Josquin Desprez, Guillaume Dufay, Orlandus Lassus en anderen.

En het is, zoals dat gaat wanneer het hart vol is en de mond overloopt, een vat vol tegenstellingen: tussen loepzuivere observatie en bedenkelijke logica, diepe kennis en hineininterpretierung, scherp van de snee en mistig wishful thinking.

Let wel, het boek wil uitdrukkelijk geen wetenschappelijke studie zijn. Dat ware wellicht ook onmogelijk, over een representatietheorie zoals Van Nevel er ons hier een wil voorleggen, waarbij hij aspecten van de wereld buiten de muziek (al te) concreet weerspiegeld ziet in compositorische techniek. Meer nog, we kunnen ons voorstellen dat het voor een levenslange vorser als Van Nevel een opluchting, misschien zelfs een soort overtreffende trap van guilty pleasure moet zijn geweest om zich uit liefde voor zijn onderwerp eens volledig te laten gaan in poëtische speculatie. Want ook die kan leerrijk zijn.

Iedereen met een zekere zin voor esthetische ervaring en overdrachtelijkheid kent wel het gevoel: je maakt een mooie natuurwandeling, je oog valt op een fraaie kerk die boven een veld of in de plooi van een dal opdoemt, en je realiseert je plots dat er zich geen enkele referentie aan de moderne wereld in je gezichtsveld bevindt – tenzij misschien de smartphone waarmee je dit maagdelijke moment zo meteen vergeefs zult proberen vast te leggen. Je beseft opeens dat je gevoel bij dit tafereel onmogelijk dichter bij dat van een contemporaine waarnemer had kunnen liggen. (Het kan je overigens ook met andere zintuigen overkomen: het nuttigen van een traditioneel lambiekbier of een gevaarlijk authentieke kaas komt je soms ook op een tijdreis te staan.) Het lijkt vanzelfsprekend dat deze soort van anachronistische identificatie moeilijker wordt naarmate het bewuste tijdperk langer achter ons ligt. Wie een art-nouveausalon wil voelen waarin Debussy zijn Pelléas voorspeelde, heeft het gemakkelijker dan wie op zoek is naar het kerkkoor waarin ooit de nieuwe mis van Josquin weerklonk, toch?

Natuurlijk niet. Het lijkt alleen maar zo. Het is de akoestische parameter die de zaak moeilijker maakt. Het is ons oor dat het historisch gezien moeilijk heeft, veel meer dan ons oog.

De vele prachtige beelden die Luk Van Eeckhout voor dit boek heeft geschoten, ademen allemaal het effect van een dergelijke ervaring – met dien verstande dat er geen enkele filter is gebruikt of beeldcorrectie is uitgevoerd om een sfeer te genereren of een modern detail te verdonkeremanen. Het moet gezegd: de moeite die de fotograaf en Van Nevel zich hebben getroost om de juiste visuele indrukken vast te leggen, smaakvol en rustig variërend van lieflijk tot mistroostig, is ronduit verbluffend.

Verbazingwekkend

De opdracht die Paul Van Nevel zich in dit boek stelt, strekt evenwel veel verder. Vertrekkend van de inderdaad verbazingwekkende vaststelling dat gedurende zo’n anderhalve eeuw de westerse muziekgeschiedenis nagenoeg volledig gedomineerd werd door de zogeheten Franco-Flamands – zangers-componisten uit een zeer klein grensgebied dat deels met een stukje Vlaanderen samenviel – gaat hij op zoek naar het DNA van hun muziek. Hij is ervan overtuigd dat dit te vinden was en is in het landschap dat hen omringde.

Het genoegen waarmee Van Nevel glad ijs betreedt, is een sterkte van dit boek

Zo’n premisse is uiteraard tweeërlei. In één opzicht is ze triviaal: het zal immers wel dat de leefomgeving van een artiest zijn expressieve en esthetische horizon helpt vorm te geven. De vraag is alleen: in welke mate en hoe concreet is dat mechanisme bewust of naspeurbaar? In dat opzicht – het objectief dat Van Nevel interesseert – is ze nogal heikel: wat als we glooiingen in het landschap gaan associëren met “glooiingen” in de melodievoering van een compositie? Wat als we de nevelige mistroostigheid van een vochtig valleitje gaan associëren met de psychologische expressie in het intervalgebruik van de componist? Wat als we met terugwerkende kracht de middeleeuwse referentiestilte willen gaan meten (de akoestische achtergrond van de polyfonisten moet van een voor ons haast onvoorstelbaar soort kalmte zijn geweest), om uitspraken te doen over vocale dynamiek? Inderdaad, dan begeven we ons op glad ijs.

Welnu: het smakelijke genoegen waarmee Van Nevel de schaatsen ombindt om dit gladde ijs te betreden, is merkwaardig genoeg een opvallende sterkte van dit boek. Van Nevel komt weliswaar nergens nog maar in de buurt van de bewijskracht die hij in de aanhef van het boek soms wel lijkt te beloven.

En stoemelings, hoewel praatgraag, evolueert zijn bewijswoede naar weinig meer dan een rijk en luxueus gestoffeerde ode – in dat mechanisme toont zich allicht ook de niet-lineaire totstandkoming van het boek en het betoog waaraan het gewijd is.

Dankbaar en aanstekelijk

Soms op het fanatieke af bevlogen zingt Van Nevel de lof van een stijl en een periode, van een iconische kunst die oud is en hoogst gesofisticeerd, waarvan hij ons toch impliciet verzekert dat we haar kunnen doorgronden, als we maar goed genoeg luisteren en om ons heen kijken. Dat bij wijze van spreken democratische potentieel maakt het boek dankbaar en aanstekelijk.

Die ietwat koortsachtige gretigheid van de auteur wordt nog versterkt door het voelbare genoegen en de brede grijns waarmee hij oude, maar geenszins belegen taal bezigt: Artesië in plaats van Artois, Atrecht voor Arras of het Boonse voor Le Boulonnais… En wie bevindt zich ooit nog “op drie uur gaans” van “Sint-Omaars”? Die antieke tred van de taal doet de beelden nog meer spreken – een enigszins synesthetisch effect dat mooi aansluit bij het kernbetoog van het boek.

Ten slotte klinkt in Van Nevels genereuze mededelingsdrang ook af en toe kritiek door: op de barbarij en de kaalslag die bijvoorbeeld de naar verluidt fabelachtige Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Kamerijk (Cambrai) hebben doen verdwijnen. Of op het referentielawaai van onze tijden, dat de referentiestilte van destijds heeft vervangen en aldus onze dispositie tegenover de muziek van die tijd al te gemakkelijk vergiftigt. Of op de algehele zintuiglijke saturatie die de moderne mens zoveel ontneemt.

Het landschap van de polyfonisten is een onwaarschijnlijk luxueus salontafelboek, met mooie beelden, een schat aan informatie, een fenomenologische wensdroom en af en toe iets om goed over na te denken.

Paul Van Nevel, Het landschap van de polyfonisten. De wereld van de Franco-Flamands 1400-1600, Lannoo, Tielt, 2018, 288 p. Fotografie door Luk Van Eeckhout.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.