Publicaties
Klaar om zaken te doen. Neerlandistiek in tijden van brexit
0 Reacties
© David Iliff / Wikimedia Commons
© David Iliff / Wikimedia Commons © David Iliff / Wikimedia Commons
Reeks: Neerlandistiek
taal

Klaar om zaken te doen. Neerlandistiek in tijden van brexit

In 2019 viert de oudste en enige zelfstandige vakgroep Nederlands in het Verenigd Koninkrijk, verbonden aan het prestigieuze University College London, haar honderdjarige bestaan. Het wordt een bijzonder eeuwfeest voor het Dutch Department en voor de neerlandistiek in het Verenigd Koninkrijk in het algemeen. Want hoeveel valt er tenslotte te vieren? De toekomst van de universitaire studie Nederlands is onzeker in een land dat in de knoop ligt met zichzelf. Maar hoe open for business zijn wij eigenlijk zelf in de Lage Landen?

Sommigen noemen het taalfobie, anderen gewoon kortzichtig, maar uit alle cijfers blijkt dat ook het Verenigd koninkrijk hoe langer hoe minder bereid is te investeren in taalonderwijs en taaldiversiteit. Het aantal studenten dat op de middelbare school voor een vreemde taal kiest, is in de afgelopen jaren fors teruggelopen. Sinds 2004 is het leren van een taal voor leerlingen van 14 jaar en ouder niet meer verplicht. Dat betekent dat slechts 40 procent van de Britse jeugd een taal leert in hun tienerjaren. In de rest van Europa ligt dat aantal op 91 procent.

Het aantal studenten vreemde talen op universitair niveau is met 57 procent gedaald in de afgelopen tien jaar. Universiteiten sluiten hun talenafdelingen, met de University of Hull – ooit de plek van een trotse vakgroep Nederlands – als recentste voorbeeld: de instroom van nieuwe studenten voor vreemde talen wordt in 2019 stopgezet.

Dat leidt tot een zekere mate van beschaafde onrust. De British Council is een van de organisaties die aan de bel trekt. In een uitgebreid rapport uit 2017, Languages for the Future, leggen de onderzoekers nog eens uit dat de slogans Open for Business en Global Britain ook betekenen dat je je verdiept in de taal en cultuur van je wereldpartners. Daarnaast zijn er economische studies die aantonen dat het Verenigd Koninkrijk jaarlijks miljarden ponden misloopt door gebrek aan taal- en cultuurcompetenties.

Het heeft nog niet tot beleidswijzigingen geleid. Al het goed onderbouwde bewijs ten spijt, vertrouwt de Britse overheid erop dat Engels spreken wel voldoende is.

Eeuwfeest

Het is een weinig vrolijke achtergrond om het eeuwfeest van de neerlandistiek op te starten. En toch doen we het. Collega’s van University College London (UCL) en de Association for Low Countries Studies (ALCS) nemen het voortouw om activiteiten te organiseren en zichtbaar te maken die de relatie tussen Groot-Brittannië en de Lage Landen in verschillende facetten tonen, bestuderen en vooral vieren.

Zo verschijnt er een nieuwe vertaling van de Max Havelaar, start de ALCS een nieuwe samenwerking met Ons Erfdeel vzw, zijn er verschillende theatervoorstellingen en schrijversbezoeken, en uiteindelijk een grote internationale conferentie op de plek waar het academische leven van Dutch Studies begon: Worlding the Low Countries (8 tot 10 november 2019, UCL, Londen). De neerlandistiek is in elk geval open for business, zolang we nog mensen hebben om de zaak open te houden.

In 2018 heeft de ALCS uitgebreid gerapporteerd over de staat van het universitaire onderwijs Nederlands – of Dutch Studies of Low Countries Studieszoals wij dat liever noemen. De resultaten van een peiling in 2017 zijn te lezen in het rapport The State of Dutch Studies in the UK and Ireland en kunnen bovendien vergeleken worden met eerdere peilingen, de laatste was van 2006.

Zelfs door de meest roze feestbril bekeken zijn de cijfers ontnuchterend. Sinds 2006 is het aantal studenten Nederlands afgenomen met 35 procent. Het aanbod in hoofdvakstudie Nederlands en Low Countries Studies is zelfs met 60 procent gedaald: van vijf instituten in 2006 tot een schamele twee in 2018: UCL en University of Sheffield. Weg zijn Cambridge, Hull en Nottingham. Alleen Sheffield vertoont een kleine toename in studentenaantallen.

Hard getroffen is ook de jubilerende vakgroep zelf: vergeleken met tien jaar geleden is het Dutch Department aan de UCL gehalveerd. De aanstellingen van twee belangrijke steunpunten van Dutch Studies in het Verenigd Koninkrijk, de professoren Theo Hermans en Jane Fenoulhet, zijn bij hun emeritaat niet of slechts voor een klein gedeelte opnieuw ingevuld: van 2 fulltime-equivalenten naar 0,5 fte op het niveau van junior universitair docent. Ons vlaggenschip drijft nu op 2,25 fte’s aan bemanning.

Deze terugloop vormt een grote bedreiging voor de status en de overlevingskansen van de universitaire neerlandistiek in het Verenigd Koninkrijk. UCL heeft de staat van dienst, de strategische locatie, het prestige en de onderzoeks- en publicatie-infrastructuur die een discipline nodig heeft om te kunnen overleven. Dit is de bron.

Het Nederlands is een belangrijke speler

In het rapport van de British Council is een top tien opgenomen van de taal- en cultuurkennis die het land na brexit het meest nodig heeft om een globale speler te blijven. Verschillende parameters zijn gehanteerd: onderwijs, economische, diplomatieke en culturele betrekkingen, maar ook taalbeheersing van de partners.

En wat blijkt? Nederlands staat op de zevende plaats, twee plaatsen onder Duits, maar boven Portugees, Russisch en Japans. Nederlands is de zesde meest gevraagde taal in vacatures van het Brits bedrijfsleven en zelfs de derde taal als het gaat om exportmarkten. Aan gebrek aan behoefte ligt het dus zeker niet. De Lage Landen zijn een belangrijke economische speler. Waarom lopen het aantal studenten en het aantal plaatsen dan toch zo drastisch terug?

Dat er belangstelling zou zijn voor onze taal en cultuur buiten het taalgebied geloven we niet echt

Er zijn verschillende complexe redenen aan te voeren. Zo spelen demografische factoren een rol: we zitten in een dip wat betreft de aantallen achttienjarigen, en deze jongeren zijn niet of nauwelijks in aanraking gekomen met vreemde talen in het middelbare onderwijs. De verengelsing grijpt ook in Engeland om zich heen: kennis van vreemde talen en culturen heeft aan status ingeboet, overigens samen met de andere geesteswetenschappen.

Belangrijker nog is dat de Britse universiteiten worden geacht te draaien als ondernemingen: meer studenten, vooral lucratieve Chinese studenten, betekent meer geld in het laatje. Vreemdetalenstudies zijn voor een universiteit relatief duur: het aantal contacturen ligt hoog en vindt vooral plaats in kleinere werkcolleges. Daarbij is er geen nationaal beleid dat toezicht houdt op de verhouding tussen vraag en aanbod. Bij afwezigheid van zo’n overkoepelende beleidsmaker houdt niemand het grote plaatje in de gaten en individuele instituten investeren niet snel in talen als ze veel meer kunnen verdienen met werkbouwtuigkunde.

Domme Britten? Maybe, maar hoeveel slimmer zijn wij nu eigenlijk? De Britten mogen dan denken dat ‘ze’ toch wel Engels spreken, wij onderschrijven die houding maar al te gretig. Dat er belangstelling zou zijn voor onze taal en cultuur buiten het taalgebied geloven we niet echt, of erger, we vinden dat een beetje belachelijk. Wij spreken toch Engels? Bovendien richten we ons liever op het kasboekje dan op ‘softe zaken’. We hebben er weinig oog voor dat wie invloed wil hebben, ook op de handelsbalans, steeds verschillende zeilen moet bijzetten. En dat taal en cultuur daarbij een troef zijn, kunnen we ons nauwelijks voorstellen.

Onze Europese buren weten wél hoe je dat doet: het Goethe-Institut, de Alliance Française, de British Council, Instituto Cervantes en ga zo maar door, positioneren hun taal en cultuur op strategische plekken. Maar het meest opvallende voorbeeld komt van de Chinese overheid die de afgelopen jaren wereldwijd meer dan vijfhonderd Confucius Instituten uit de grond heeft gestampt, waarvan twee in Nederland en zelfs vier in België. Voor de Chinese overheid gaat economische expansie hand in hand met het brengen van taal- en cultuurkennis. “Ik gun het Nederlanders ook de Chinese cultuur te leren kennen”, zegt de directeur van het Confucius Instituut in Groningen. En waar zijn die instituten gevestigd? Op de campus van universiteiten: dé plek waar aanstromende beleidsmakers worden gevormd.

Moed

Het eeuwfeest biedt een moment om terug te gaan naar 1919 en de aanleiding voor die eerste leeropdracht weer eens te bekijken. Dr. Ulrich Tiedau (UCL) heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar die beginjaren. Zo bracht hij aan het licht dat de vakgroep is ontstaan uit een publiek-private samenwerking om het Nederlandse nationale imago op te poetsen. De Britten waren niet onder de indruk van de neutrale positie van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog en vooral niet van het politieke asiel geboden aan de Duitse keizer. Tijd voor een hersteloperatie in de vorm van een leerstoel – een mooi staaltje zachte diplomatie.

2019 is een jaar waarin de relatie tussen de Lage Landen en het Verenigd Koninkrijk een nieuw hoofdstuk openslaat. Niet langer ingebed in de EU-structuur worden we teruggeworpen op onze bilaterale betrekkingen. We moeten aan de bak. Net als honderd jaar geleden. En nog altijd zijn universiteiten belangrijke plekken om jonge mensen kennis van onze taal en culturen te ‘gunnen’. Dat is een uitstekende startpositie voor een sterk Centre for Low Countries Studies, dat de taal en de culturen van de Lage landen vertegenwoordigt, onderwijst, bestudeert en promoot. Dat is ook in 2019 geen luxe, maar een slimme investering.

Ten opzichte van 1919 hebben we één duidelijk voordeel: de infrastructuur ligt er. De reputatie is al gevestigd. De samenwerking tussen de grote instituten UCL en Sheffield is uitstekend. Er zijn plannen om een impuls aan de neerlandistiek in het Verenigd Koninkrijk vorm te geven. Het enige wat ontbreekt is de moed om in de taal- en cultuurkennis te investeren. Wij zijn klaar om zaken te doen.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be