Publicaties
Judith Leyster schilderde sprankelende genretaferelen
0 Reacties
© National Gallery of Art, Washington
© National Gallery of Art, Washington © National Gallery of Art, Washington
Reeks: Vergeten Vrouwelijke Schilders
kunst

Judith Leyster schilderde sprankelende genretaferelen

Heleen Debruyne haalt vrouwelijke schilders uit de vergetelheid en geeft ze alle eer die hen toekomt. Aflevering drie: Judith Leyster. ‘Pas in de late twintigste eeuw gingen kenners Leyster zien voor wat ze was: een grote kunstenaar, die waarschijnlijk op het punt stond nog groter te worden, ware ze niet gestopt met schilderen.’

Judith Leyster zit lekker in haar vel. In een dure en volstrekt oncomfortabele kanten molenkraag werkt ze aan een schilderij alsof het metier haar geen enkele moeite kost. De vioolspeler op het doek voor haar lijkt een serenade aan haar te brengen. Ze kijkt ons van op haar zelfportret (1633) recht in de ogen en lacht zelfs haar tanden bloot. Daar had ze goede redenen toe: ze was net toegelaten tot de Haarlemse meestergilde van kunstschilders.

Haar werk verkocht zo goed dat ze een eigen atelier met leerjongens draaiende kon houden – de genretaferelen die ze schilderde waren erg in trek bij de snel rijker wordende burgerij in het Haarlem van de Gouden Eeuw. En dat voor het achtste kind van een failliete brouwer! Al is de kans groot dat juist dit faillissement haar de gelegenheid gaf om van haar artistieke talent een broodwinning te maken.

Dochters gingen niet uit werken, maar moesten trouwen. De jonge Judith werd misschien net door geldgebrek in de familie in de leer gedaan, om haar steentje bij te dragen aan de familie-inkomsten. Ze leerde het vak vermoedelijk bij de degelijke maar een tikje saaie Haarlemse schilder Frans Pietersz de Grebber.

Judiths sprankelende genretaferelen doen in hun levendigheid en ongedwongenheid eerder denken aan haar beroemde tijdgenoot Frans Hals – de kans bestaat dat ze ook bij hem in de leer is geweest, in elk geval liet ze zich duidelijk door hem inspireren. Haar band met Hals is niet duidelijk: er zijn aanwijzingen dat ze bij de doop van zijn kind aanwezig was. Maar ze smeerde hem ook een proces aan omdat hij zonder toestemming van de gilde een veelbelovende leerjongen uit haar atelier onder zijn vleugels nam. Hals moest een boete betalen, maar hield de leerjongen. De affaire deed Leysters’ naam wel over de tongen gaan, wat weer goed was voor de zaken.

Wie naar haar blije, kaartende of musicerende jonge mensen kijkt, zou denken dat de omgang tussen mannen en vrouwen in de Gouden Eeuw ongedwongen en gelijkwaardig was. Dat is schijn. In Het aanzoek (1631) lijkt een oudere man in een bontmuts een keurig naaiende jonge vrouw een huwelijksaanzoek te doen. Maar waarom biedt hij haar geldstukken aan? En waarom blijft zij zo strak naar haar naaiwerkje kijken? De sfeer is onheilspellend, je vreest dat het voor haar – Kuise deerne? Prostituee? – niet zo fijn zal aflopen.

Het feestende koppel in Vrolijk gezelschap (1630) lijkt te dronken voor zijn eigen goed. En in De laatste druppel (circa 1630) staat een grijnzend skelet zelfs toe te kijken hoe een jolige dronkenlap een kruik leegt. De taferelen van Leyster zijn zelden zomaar jolig.

Ondanks haar grote talent stopte Judith in 1636 met schilderen. Na haar huwelijk met de overduidelijk minder begaafde genreschilder Jan Miense Molenaer legde ze zich toe op het baren van vijf kinderen en het runnen van zijn administratie. Of hielp ze ook mee in zijn atelier? Haar eigen ambities borg ze in elk geval op. Tussen de luiers, de kookpotten en de boekhouding vond ze enkel nog de tijd om een tulp en een bloempot te penselen.

Na haar dood raakte ze in de vergetelheid. Haar werken bleven wel in kunstminnende kringen circuleren, maar werden meestal aan Frans Hals toegeschreven. Er zijn inderdaad opvallende gelijkenissen: de losjes aandoende penseelstreken, de expressieve gezichten, het clair-obscur: zo’n goede schilderijen kunnen niet van een vrouw zijn, leek men te denken.

Pas in 1893 werd ze herontdekt: haar typische handtekening werd blootgelegd onder een vervalste signatuur van Hals. Haar monogram is nogal herkenbaar: een verstrengelde J en L en een ster – een woordspelletje en een verwijzing naar de Noordster, de Leister in het Nederlands van de zeventiende eeuw.

De koper van het al eeuwen verkeerdelijk aan Hals toegeschreven werk was verbolgen: in plaats van een Hals had hij een werk van een onbekende vrouw gekocht! Hij deed de verkoper een proces aan. Niemand dacht er aan blij te zijn omdat ze een nieuwe, overduidelijk geniale schilder hadden ontdekt. Nog lang zouden haar werken met het typische monogram worden afgedaan als ‘navolgingen van Hals’.

Pas in de late twintigste eeuw gingen kenners Leyster zien voor wat ze was: een grote kunstenaar, die waarschijnlijk op het punt stond nog groter te worden, ware ze niet gestopt met schilderen. Voor haar vierhonderdste verjaardag in 2009 kreeg ze een retrospectieve in de prestigieuze Art Gallery in Washington. Genoeg reden om zo vol zelfvertrouwen vanuit het doek naar ons te lachen.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.