Publicaties
Jean-Marie Gantois in een slachtofferrol
0 Reacties
De Franse Nederlanden

Jean-Marie Gantois in een slachtofferrol

De naam Jean-Marie Gantois (1904-1968) doet nog bij weinigen een belletje rinkelen, en wanneer dit wel het geval is, gebeurt dit veelal in een context van controverse die deze Frans-Vlaamse ‘voorman’ uitlokt(e). De historicus Éric Vanneufville wijdde aan hem een boek onder de bizarre titel L’ abbé Gantois, l’histoire. De historicus wil de ideeën van Gantois bestuderen aan de hand van diens geschriften en verklaringen, zonder een oordeel te vellen. Michiel Nuyttens gaat na of hij hier ook in is geslaagd.

Het was niet de bedoeling van Vanneufville om een wetenschappelijke biografie te publiceren. De auteur wilde vooral de figuur Gantois en zijn overtuigingen bestuderen aan de hand van diens geschriften en verklaringen. Dit was een nobele bedoeling, maar laat ons maar meteen stellen dat zijn missie niet geslaagd is. Om onbegrijpelijke redenen heeft hij voor zijn boek geen gebruik gemaakt van het in Kortrijk bewaarde archief De Franse Nederlanden, hét bronnenmateriaal bij uitstek voor zijn opzet. Behalve enkele slordige voetnota’s bevat het boek ook geen bibliografie. Al snel wordt duidelijk dat de auteur een aantal essentiële boeken en artikels voor zijn onderwerp niet kent of bewust heeft verzwegen.

Gantois is geen boeman

In essentie krijgen we vier thematische hoofdstukken voorgeschoteld, waarin Éric Vanneufville zich in alle mogelijke bochten wringt om aan te tonen dat – op enkele kleine nuances na - Gantois helemaal niet de boeman was die sommigen van hem hebben gemaakt.

Het eerste hoofdstuk ‘Le Nord et le Sud, germanité et latinité’ geeft een overzicht van alle bekende stellingen van Gantois die te maken hebben met zijn concept van het grote Vlaanderen dat zich uitstrekt van de Eems tot de Somme. Het hoofdstuk eindigt met de vraag of het hier gaat om mythe of werkelijkheid. De manifeste bloedverwantschap tussen de volkeren die deze gebieden bewoonden, kan volgens de auteur niet met absolute wetenschappelijke zekerheid worden bewezen, maar is dat niet eigen aan de studie van de geschiedenis van voor het jaar 1000? Vanneufville weet natuurlijk ook wel dat we uiteindelijk weinig afweten van de geschiedenis van Franken, Saksen en Friezen en over de laatste stand van het onderzoek over de verschuiving van de taalgrens doet hij er het zwijgen toe. Gretig stapt hij mee in het verhaal van het ruwe verfransingsproces door de Franse koningen en de republikeinse jakobijnen, helemaal in de lijn van Gantois.

Gantois een racist pur sang noemen is voor Vanneufville zeker overdreven

In een tweede hoofdstuk, ‘Idéalisme et idéologie’, wordt een breed spectrum aan onderwerpen aangesneden. Nieuwe of vernieuwende inzichten staan hier niet te lezen, wel beweringen die intussen al lang achterhaald zijn of minstens vragen oproepen : het Comité Flamand de France, hier voor de zoveelste keer voorgesteld als een oubollig genootschap, bloeide na WOI als nooit tevoren; Lemire was niet de grote Vlaamse voorvechter die Gantois van hem heeft gemaakt en waarschuwde integendeel zijn vriend Camille Looten dat deze voortvarende seminarist moest worden ingetoomd; schuilnamen die hier worden opgesomd werden ook gebruikt door Nicolas Bourgeois; Vanneufville neemt niet de moeite te verwijzen naar gepubliceerde rapporten van veiligheidsdiensten waarin Gantois inderdaad geviseerd werd. Gelukkig maar, zo lezen we, heeft Gantois het Vlaams Verbond nooit omgevormd tot een militaire formatie van de nazi’s, alsof hij dat ooit zou hebben gekund. En wat met de onzin die Gantois uitkraamde in zijn boek Le Régne de la race (1936)? Ach, hij geloofde wel in de ongelijkheid van de rassen, maar vooral in de gelijkheid van alle mensen vóór God. Er kan hem weliswaar un certain racisme worden aangewreven, maar Gantois een racist pur sang noemen is voor Vanneufville zeker overdreven. Hij had weliswaar weinig voeling met het gewone volk, maar door zijn verzet tegen de jakobijnse centralisatie toonde hij zijn gehechtheid aan de lokale vrijheden. Wat we ons daar concreet moeten bij voorstellen vernemen we niet. Gantois bleef een begoede dokterszoon, zonder maatschappelijke verantwoordelijkheid of engagement, zelfs zonder kerkelijk ambt als priester. Dit is de waarheid die zijn vereerders onder ogen moeten zien.

Gantois had wel enkele onvoorzichtig- heden begaan, maar dit moet volgens de auteur niet worden overdreven

Het derde hoofdstuk kreeg de titel ‘Contre la France et pour l’Allemagne’ mee. De auteur heeft het hier niet enkel over de militaire conflicten die Gantois beschreef, maar vooral over zijn gruwel ten aanzien van de depersonalisering die werd opgelegd door de Franse Staat. De waarden vervat in de oude autochtone beschaving gingen hierdoor verloren. En laat dit nu precies de waarden zijn die in Duitsland veel beter werden gehandhaafd. Is zijn bewondering voor de Duitse cultuur en beschaving echter een voldoende reden om Gantois een collaborateur te noemen? Hier en daar gebeurde wel iets verdachts, zoals zijn pleidooi bij de Militärverwaltung in Brussel om Noord-Frankrijk te incorporeren in een Diets verband en vooral de brief die hij op 10 december 1940 aan Hitler stuurde en waarin hij verklaarde dat de Nederduitsers terug in het Reich opgenomen wensten te worden. Tekenend voor dit hele boek is dat Vanneufville de authenticiteit van deze brief nog steeds in twijfel durft te trekken. Gantois had wel enkele onvoorzichtigheden begaan, maar dit moet volgens de auteur niet worden overdreven.

Slachtofferrol

In het vierde hoofdstuk ‘Audience et Reputation’ peilt E. Vanneufville naar de invloed van Gantois. Deze is nooit groot geweest, maar verminderde uiteraard nog na zijn proces in 1946, waarbij hij werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenis. De auteur kan het niet nalaten om Gantois in een slachtofferrol te duwen, iedereen keerde zich tegen hem: het Franse establishment, weldenkende katholieke milieus enz. Hoewel hij zich bekeerde tot een soort Europees federalisme, was de rol van Gantois na 1950 nog slechts onbeduidend. Vanneufville zal hier nogmaals balsemend optreden door te verwijzen naar zijn bekendheid in het buitenland: zijn vriendschap met priester-dichter C. Verschaeve en schilder A. Servaes (zonder de meer gematigde Vital Celen en zijn onhebbelijkheden t.a.v. het Waregemse Komitee voor Frans-Vlaanderen te vernoemen), zijn lidmaatschap van de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde te Leiden en zijn viering in Male in 1964. Dat was een ultiem moment de gloire, want enkele jaren later stierf Gantois in verdachte omstandigheden.

In zijn besluit doet Vanneufville nog een merkwaardige uitspraak: in een nabije toekomst zal de stijging van de zeespiegel, vanaf de Artesische heuvels tot Nederland, de samenwerking van de bevolkingsgroepen levensnoodzakelijk maken. Zou een oude droom van Gantois op die manier uiteindelijk verwezenlijkt worden?

Éric Vanneufville, L'Abbé Gantois, l'histoire, Yoran Embanner, Fouesnant, 2020, 144 p. ISBN 978-2-36747-065-8
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.