Publicaties
Je bent wat je ruikt: hoe geur en cultuur nauw met elkaar verbonden zijn
0 Reacties
© Rijksmuseum, Amsterdam
© Rijksmuseum, Amsterdam © Rijksmuseum, Amsterdam
geschiedenis

Je bent wat je ruikt: hoe geur en cultuur nauw met elkaar verbonden zijn

Hoe rook het vroeger? En hoe bepalend zijn geuren voor onze cultuur? Zulke vragen krijgen steeds meer aandacht in (kunst)historisch onderzoek. Bioloog en filosoof Geerdt Magiels neemt ons mee naar de expo Vervlogen in het Mauritshuis, naar de stinkende zeventiende eeuw én naar de vrij reukloze Lage Landen van vandaag.

Geuren zijn onzichtbaar, maar altijd en overal aanwezig. Ze kleuren het leven en geven diepte aan de wereld. Ze vormen een alles doordringende dimensie van de werkelijkheid, vroeger en nu. En toch nemen we ze lang niet altijd bewust waar. Een continue geur (zelfs een onwelriekende) worden we gewoon, zoals de geur van het eigen lichaam of van een huisdier. Onze ogen kunnen we zomaar even sluiten, onze neus niet.

We realiseren ons dan ook zelden dat we voortdurend ruiken. Tot een ongewone geur onze neus binnendringt. Of tot we ons reukvermogen verliezen, zoals bij een infectie door een virus. Anosmie of geurverlies komt bij meer dan de helft van de COVID-besmettingen voor en dat deed recent veel mensen beseffen hoe ingrijpend geurverlies wel is. Zonder geur verdwijnen de aroma’s van voedsel en drank die eten en drinken zo lekker maken. Smaak is toch vooral geur. Daarom proef je niets meer als je neus dicht zit.

Lichte, vluchtige moleculen ontsnappen en maken in het geurepitheel in de bovenkant van de neusholte contact met ons zenuwstelsel. Elke geur is een versmelting van een molecule uit de buitenwereld met de binnenwereld in ons lichaam: wat we ruiken wordt even een onderdeel van onszelf. Je bent dus wat je ruikt. De geurreceptoren staan rechtstreeks in contact met de gevoelens- en geheugencircuits in de hersenen, wat de enorme emotionele impact van sommige geuren verklaart. Een geur kan je doen kokhalzen maar je ook terugvoeren naar plaatsen of tijdstippen.

De gevoelsmatige lading van geuren, hoe we die geur waarderen, is grotendeels cultureel bepaald en ook de context van geuren bepaalt mee de betekenis ervan. Bedenk hoe de geur van tabak ooit een teken van luxe en genot was. Of hoe wierook (wijrook: rook om te wijden) symbool staat voor het gebed van de gelovige dat naar de hemel opstijgt.

Geuren in kleuren

Hoe nauw cultuur en geur verbonden zijn, is te zien en ruiken in een fascinerende tentoonstelling in het Mauritshuis in Den Haag. Vervlogen - Geuren in kleuren (nog tot 29/8) exploreert de rol van de geur in de kunst in de zeventiende eeuw. De samenstellers zoeken in schilderijen, tekeningen en voorwerpen naar het geurenpalet van die tijd waarbij je in acht “ruikstations” op ingenieuze wijze de gereconstrueerde geuren van toen kan opsnuiven.

https://www.youtube.com/embed/3HaeVZCuMmQ

Deze multisensoriële presentatie past in een hernieuwde aandacht voor geuren en ons reukvermogen. De wetenschappelijke belangstelling van hersenonderzoekers ging lange tijd vooral naar de visuele vermogens van de mens, ook omdat die vrij gemakkelijk te bestuderen zijn. Het bleef intussen lang een raadsel hoe we precies ruiken.

Wetenschapshistorica Ann-Sophie Barwich vertelt in haar boek Smellosophy (2020) hoe de driehonderdvijftig verschillende receptoren in de miljoenen zenuwuiteinden van het neusepitheel de geurenrijkdom van de wereld detecteren. Elke geur is een mengeling van vaak tientallen verschillende moleculen die wordt omgezet in een “geurbeeld” met grote cognitieve en emotionele weelderigheid.

Schrijver Harold McGee vertrekt in zijn monumentale boek De geuren van de wereld (2021) aan de moleculaire kant. Hij koppelt moleculen en hun organo-chemische eigenschappen aan geur- en smaakeffecten in het brein. McGee maakt een encyclopedische reis door de “osmokosmos” waarin hij moleculaire structuren (schrik niet van enkele terpenoïden of furanonen meer of minder) verweeft met geografie, biologie en geschiedenis.

We staan aan het begin van een geurrenaissance. Begin dit jaar ging bijvoorbeeld ook het 2,8 miljoen euro kostende project Odeuropa van start, waarin (kunst)historici, taalkundigen, geurmakers en experts in kunstmatige intelligentie hun krachten bundelen. Met behulp van digitale zoekmachines sporen ze geuren op in gedigitaliseerde teksten uit vier eeuwen en zeven talen. Hun bedoeling: vroegmoderne geurervaringen nabootsen. Erfgoedonderzoekers extraheren de geuren van oude boeken en leren handschoenen terwijl parfumlabs en musea samenwerken om geuren van het verleden te reconstrueren.

Wat een stank

De zeventiende eeuw had een heftig geurpalet. De stank was nauwelijks te harden. De Franse satiricus Pierre Le Jolle schreef in 1666 over de Amsterdamse grachten als “vostre illustrissime saleté” (jullie illustere smerigheid). De grachten die de steden doorkruisten waren stinkende open riolen, zeker in de zomer. Uitwerpselen, karkassen, afval en voedselresten dreven erin rond. Rioleringen of stromend water waren onbestaande. Voedsel was bij gebrek aan koelkasten aan bederf onderhevig.

Wassen of tanden poetsen werd niet gedaan, lichaamshygiëne was veelal beperkt tot het camoufleren van lichaamsgeuren zoals met geurende stoffen in pomanders, de luxueuze pronkvoorwerpen waarin rijke burgers geurende stoffen meedroegen (de naam komt van pomme d’ambre, ambergrijs gewonnen uit de maag van potvissen). Daarmee moest je de penetrante geur van gelooid leer (schoeisel en handschoenen) proberen te overstemmen.

Urine werd in vaten verzameld om te gebruiken bij het looien van huiden en het vollen van stoffen. De walmen van bleekakkers, kalkovens, traankokerijen en leerlooierijen waren tot ver te ruiken. Het bleken van linnen gebeurde met zure botermelk en bijtend potasloog, met een penetrante geur. De bleekweiden werden dan ook zoveel mogelijk buiten de stadswallen verbannen. Daar waren ook de galgenakkers, waar de gehangenen bleven hangen als voer voor kraaien en ratten en als signaal dat in deze stad de misdaad hard werd aangepakt. De lijkenlucht was de geurvlag waarmee het stadsbestuur zijn territorium afbakende.

Anatomische lessen werden in de winter gegeven, maar waren zelfs dan een olfactorische kwelling. In de winter werd er verwarmd met hout of turf. Goede kachels moesten nog uitgevonden worden, huizen waren binnen doorrookt. Maar misschien was dat niet eens zo erg, want dat overstemde de andere geuren. De buitenlucht was niet veel beter. De lucht “boven alle groote steden” was “veeltijts met rook-damp [...] bezet”, aldus geschiedschrijver Tobias van Domselaer. Je kon steden van ver ruiken, uren in de wind.

Rijke mensen kochten buitenhuizen om, vooral in de zomer, de verschrikkelijke stank te ontvluchten. De armste buurten lagen en liggen vaak nog steeds (op het westelijk halfrond) benedenwinds, aan de oostzijde van de stad. De sporen daarvan zijn ook nu nog op de stadsplattegronden terug te vinden als wijken met de laagste sociaaleconomische status. Op het platteland was een dampende, welriekende mesthoop dan weer een teken van weelde en vruchtbaarheid.

Zieke luchten

Het idee leefde dat stank ziekteverwekkend was. Het verband tussen vuil en ziekte was ook toen al niet te negeren. Een ziekte als malaria werd geassocieerd met “mal aria”, slechte lucht, miasma’s die opstegen uit moerassen, beerputten of rottende kadavers.

In de achttiende eeuw bestond een van de eerste chemische meettechnieken erin om de luchtkwaliteit te bepalen met behulp van een “eudiometer”, een toestel dat de “goedheid” van de lucht aangaf. Het maakte de hoeveelheid zuurstof in een luchtstaal zichtbaar. Hoewel men “zuurstof” als scheikundig begrip nog niet kende wist men al wel dat een bepaald gas (“gedeflogisticeerde lucht”) een vlam langer en heviger kon doen branden en een muis of vogeltje onder een glazen stolp langer in leven hield.

Onder andere de Brabantse arts en onderzoeker Jan Ingenhousz, de ontdekker van de fotosynthese, perfectioneerde de techniek en deed metingen in gevangenissen en markthallen, in steden, op zee en in bossen, op gelijkvloers en in kerkkoepels, op zoek naar de betere lucht.

Het was niet de geur of stank die ziekten veroorzaakte, wel waren er gassen waarvan je onwel werd. Het zou nog honderd jaar duren voor de oorzaak van ziekten in parasieten of micro-organismen werd gevonden. Ondertussen deed de beschermende kledij die gedragen werd bij pestepidemieën wellicht goed dienst. De gesloten pakken met laarzen, hoeden, handschoenen en maskers hielden, net als bij de pandemie van vandaag, transmissie tegen. In de vogelbeksnuiten van de maskers zaten naast een azijnsponsje mengsels van gedroogde bloemen (zoals rozen en anjers), kruiden (zoals lavendel en pepermunt), kamfer, jeneverbes, ambergrijs, kruidnagel, labdanum, mirre, en storax. Die deden wellicht niet veel meer dan de stank van de etterende wonden overstemmen. Wellicht was de stok die de pestmeesters hanteerden nog het effectiefst om de zieken en de ziekte op afstand te houden.

Vergeleken met de zeventiende eeuw leven we nu in een “ontgeurde” samenleving. Soms ruik je nog eens iets op straat: de wasserij op de hoek, een passerende roker, een verse bakker of een frietkot. Maar voor een echt geurend stadslandschap moet je naar tropische megasteden zoals Lagos of Mumbai, waar nog een deel van onze vroegere leefomstandigheden heersen.

Wij zijn in de Lage Landen onnatuurlijk geurloos geworden. Vuilnis wordt opgehaald, riolen en waterzuiveringsinstallaties doen hun werk, katalysatoren zorgen voor zuivere uitlaat en koelkasten gaan bederf tegen terwijl we kiezen voor wateroplosbare en geurloze verf. (Maar geurloos wil nog niet zeggen onschadelijk: DDT en PFOS ruik je niet.) Artificiële geuren hebben het overgenomen. Detergenten, deodorants, parfums en zepen overstemmen natuurlijke achtergrondgeuren. Het is zelfs moeilijk geworden om toiletpapier of andere huishoudmiddelen te vinden zonder toegevoegde artificiële geurtjes.

Zelfs de geur van rozen is verdwenen. Die zijn nu vooral geselecteerd om hun uitbundige bloemen waarbij ze hun geur zijn kwijtgespeeld. Terwijl het “geurgebeuren” via geurmarketing in winkelruimtes een sfeer probeert te creëren waarin klanten langer vertoeven en meer kopen.

Neus eerst

De reuk is het oudste zintuig. Voor er gehoord of gezien werd, detecteerden ééncellige organismen al moleculen uit de omgeving en oriënteerden zich daarmee op voedselbronnen of ontwaarden gevaar, als de elementaire oervorm van ruiken. Miljoenen jaren later is de geur voor dieren en dus ook de mens nog altijd een primair signaal voor mogelijk gevaar. Zoet en aangenaam is aantrekkelijk, stank wijst op bederf. Aaseters komen op de rottigheid af, maar de geur van een rijpe stinkkaas of surströmming (gefermenteerde haring) moet je leren overwinnen voor je er een hap van neemt of het zelfs maar lekker vindt.

Ondanks de indringendheid van geuren hebben we er weinig woorden voor. Er zijn honderden woorden voor specifieke visuele of auditieve gewaarwordingen maar opvallend weinig geurwoorden. Misschien ook omdat geur zo moeilijk te kwantificeren is (terwijl licht en geluid golven zijn die nauwkeurig gemeten kunnen worden). Als we al een geur willen benoemen verwijzen we meestal naar iets waar het naar ruikt.

Een geur hoort dus altijd ergens bij en zo zijn geuren nooit veraf. Onze geuromgeving is een cultuurlandschap dat mee-evolueert met modes, stijlen en normen en mede bepaalt wie we zijn. Kortom: geur is een onherroepelijk onderdeel van het menselijke verhaal en krijgt steeds meer – verdiende – aandacht.

Zei Andy Warhol in 1975 nog: “I wish I had some kind of smell museum, so certain smells wouldn’t get lost forever”, dan is de tentoonstelling in het Mauritshuis anno 2021 maar een van de vele (museale) initiatieven die de geur herwaarderen.

Vervlogen – Geuren in kleuren, tot 29 augustus in het Mauritshuis. Deze tentoonstelling kun je ook thuis nog beleven nadat ze in het museum zelf is afgelopen. Het Mauritshuis pioniert met een interactieve geur- en kijkrondleiding. Culinair journalist Joël Broekaert en conservator Ariane van Suchtelen nemen de kijker mee op een virtuele rondleiding terwijl je met vier inventieve pompjes uit een geurbox (te bestellen via het museum, zolang de voorraad strekt) bepaalde geuren uit de tentoonstelling kunt opsnuiven.
A.S. Barwich, Smellosophy. What the Nose Tells the Mind, Harvard University Press, 2020
Harold McGee, De geuren van de wereld. De ultieme gids voor alles wat we kunnen ruiken (oorspronkelijke titel: Nose dive. A field guide to the world’s smells), vertaald door Jacques Meerman, Nieuw Amsterdam, 2021
Robert Muchembled, La civilisation des odeurs, Les Belles Lettres, 2017
Ariane van Suchtelen (red), Vervlogen - Geuren in kleuren, Mauritshuis / Waanders Publishers, 2021
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.