Publicaties
J. Goudsblom, meer dan een socioloog
0 Reacties

J. Goudsblom, meer dan een socioloog

Johan Goudsblom is een van de belangrijkste Nederlandse sociologen, maar wie zijn geschriften leest, leert behalve de socioloog o.a. ook een dichter, ideeënhistoricus, cultuurhistoricus en nog het een en het ander kennen. Dit artikel schetst een portret van deze veelzijdige man en formuleert terloops ook enkele kritische bedenkingen bij bepaalde pretenties van de sociologie.

De interessantste persoonlijkheden in het culturele landschap laten zich vaak het moeilijkst etiketteren. Een man als Johan Goudsblom1 zou in een Wie is wie als socioloog worden opgevoerd, wat niet onjuist maar wel onvolledig ware. Wie zijn geschriften leest, leert behalve een socioloog ook een dichter, een ideeënhistoricus, een cultuurhistoricus en nog het een en ander kennen. Dat is de reden dat iemand die, zoals ik, niet in de eerste plaats belang stelt in sociologie, in een publicatie die zich niet in de eerste plaats tot sociologen richt, deze Amsterdamse intellectueel tot onderwerp kan kiezen. En deze context van publicatie is weer de reden dat ik mij vrij zal voelen die delen uit Goudsbloms werk die bij uitstek sociologisch zijn minder aandacht te geven dan de delen die een bredere strekking hebben. Vergelijking van de beide delen zal mij overigens verleiden tot enige kritische opmerkingen over bepaalde pretenties van de sociologie.

Om met het laatste te beginnen: ooit hoorde ik een andere gediplomeerde socioloog - een leerling van Goudsblom, dus ik dwaal niet erg af - tijdens een academische bijeenkomst betogen dat men de geschiedenis van Siena in de late Middeleeuwen op drie manieren kon duiden. Men kon het geschiedverhaal zien als overgang van feodale staat naar stadstaat, men kon het interpreteren à la Norbert Elias, en men kon het marxistisch beschouwen. Waarna een relaas over dit Siena volgde waarbij ik me steeds afvroeg: aan welke van de drie benaderingen is hij nu bezig? Een zinloze vraag natuurlijk, want de spreker had slechts een methodologisch-correct gebaar willen maken, en ging in de rest van zijn betoog over tot de orde van de dag: het beschrijven en historisch interpreteren van in archieven en musea gevonden documenten en objecten. Hij hoedde zich er wel voor elk van zijn interpretaties in drievoud op te dissen, al zou hij dat gezien zijn inleiding eigenlijk hebben moeten doen.

Wat sociologen lijken te willen is niet zomaar geschiedenissen vertellen (want dan zou er niets zijn dat hen onderscheidde van de historici), maar de historische gebeurtenissen te zien als ‘instantiaties’ van algemene sociologische wetmatigheden. Sociologen van verschillende scholen strijden met elkaar over de aard van deze wetmatigheden, niet-sociologen vragen zich af of er ooit één zuiver-sociologische wetmatigheid is geformuleerd. Als dit zo was, dan zouden er sociologische analyses van bijvoorbeeld de totstandkoming van het algemene kiesrecht moeten bestaan die een groter verklarend vermogen hebben, dus een dieper inzicht bieden dan historische beschrijvingen van hetzelfde proces. Maar ik geloof niet dat zulke sociologische analyses bestaan.

De ondraaglijke lichtheid van ‘figuraties’

Ook de lezer van Goudsblom wordt voor dit probleem gesteld. Neem zijn Vuur en beschaving², een geschiedenis van de menselijke vuurbeheersing. Goudsblom ziet deze geschiedenis als een sociologisch onderwerp omdat het ‘temmen van het vuur betekende dat [de mensen] ook elkaar en zichzelf temden en “beschaafden”’. Hij weet zijn lezer ervan te overtuigen dat het een niet mogelijk is zonder het ander, maar minder duidelijk wordt wat de bijdrage van de sociologie is aan het historische betoog. Naar ik vrees is die bijdrage louter verbaal, zoals ik met een voorbeeld zal proberen te demonstreren.

Aan Norbert Elias, in het bijzonder aan diens Über den Prozess der Zivilisation (1939), zijn in Vuur en beschaving enkele termen ontleend, en de beschrijving van de ontwikkeling van de vuurbeheersing is een variant van Elias' beschrijving van de ontwikkeling van de etiquette: beide ontwikkelingen zijn mogelijk gemaakt door een steeds verdergaande beheersing van de eigen driften door het individu en een steeds meer beheerst worden van het individuele gedrag door sociale controle. In het geval van de vuurbeheersing komt daar nog een derde (ook al door Elias genoemde) vorm van beheersing bij: die van de natuur.

De in Vuur en beschaving meest gebruikte term uit de sociologie van Elias is ‘figuratie’. Laat ons bezien of het gebruik van deze term iets duidelijk maakt dat zonder de term niet kan worden uitgedrukt. Het antwoord op die vraag kan ons helpen bij de beantwoording van de algemene vraag: bevat een betoog als dat in Vuur en beschaving elementen die niet zijn onder te brengen bij niet-sociologische disciplines zoals de geschiedwetenschap?

Wat is figuratie? In Goudsbloms Balans van de sociologie3 wordt het begrip al door de omslagfoto geïntroduceerd: ‘Op de foto waarnaar de illustratie op het omslag is gemaakt, is een springkussen afgebeeld zoals we dat in sommige speeltuinen wel aantreffen: een groot, met water gevuld plastic kussen, waar tientallen kinderen tegelijk op kunnen klauteren en dansen en springen. Ieder kind veroorzaakt met zijn gewicht een inzakking in de oppervlakte van het springkussen, waardoor elders de naar buiten gerichte druk toeneemt. Doordat de kinderen zich in steeds wisselende groeperingen over het kussen verplaatsen, brengen zij bewegingen op gang, die geen van hen langdurig kan beheersen, en waar zij zich telkens weer aan moeten aanpassen. Het hele bewegelijke tafereel levert een aanschouwelijk en levendig beeld op van de sociale figuraties die mensen met elkaar vormen’ (p. 6). Inderdaad heeft Goudsblom hiermee een mooie metafoor gevonden voor de afhankelijkheden die het menselijk samenleven typeren. Maar de metafoor is bovendien veelzeggend over de status van het begrip figuratie. De fysische figuraties op het springkussen laten zich vangen in differentiaalvergelijkingen die precies beschrijven hoe de opwaartse druk in een bepaald punt toeneemt als de krachten op bepaalde andere punten in grootte en richting veranderen. Het is praktisch onmogelijk om deze fysische analyse te geven zonder technische termen te gebruiken uit de fysica (kracht, versnelling, enz.) en uit de wiskunde (afgeleide, integraal, enz.). De analyse kan niet zonder ernstig verlies aan inhoud in omgangstaal worden omgezet. En daarin verschilt dit taalgebruik van het sociologische: er is in de toepassing van het speelkussenbeeld op de zaken waar het de socioloog om gaat niets dat niet zonder technische termen als ‘figuratie’ kan worden uitgedrukt. En wat ik hier betoog naar aanleiding van één passage in Balans van de sociologie, geldt voor alle passages in dit boek (en evenzo in bijvoorbeeld Vuur en beschaving) waarin de term ‘figuratie’ voorkomt.

Wat Goudsblom in navolging van Elias ‘figuratie’ noemt zou je ook ‘interactie’, ‘interdependentie’ enzovoort kunnen noemen, en soms gebruikt hij zelf deze en dergelijke synoniemen. Alleen dit losse woordgebruik al bewijst het omgangstaalkarakter van de term. Dit alles wil niet zeggen dat het woord moet worden vermeden, wél dat het loutere gebruik ervan geen nieuwe kennis oplevert, en zeker dat het niet voldoende is om van een aparte tak van wetenschap, de (figuratie)sociologie, te spreken.

Waarden worden niet gebaseerd op feiten

Na deze algemene kritiek, die dient om duidelijk te maken dat men tegelijk niet van sociologie en wel van Goudsblom kan houden, wil ik nu een indruk proberen te geven van Goudsbloms sociologische werk. Omdat het onmogelijk is dat in een paar bladzijden te kenschetsen beperk ik me tot drie publicaties die begin, midden en (voorlopig) einde van zijn wetenschappelijke carrière markeren. Nihilisme en cultuur is het boek waarop de 28-jarige Goudsblom in 1960 promoveerde, Balans van de sociologie is een uit 1974 stammend overzicht van het vakgebied waarin Goudsblom tevens zijn eigen uitgangspunten expliciteert, en Vuur en beschaving (1992) is een toepassing van die uitgangspunten op een veelomvattend onderwerp.4

Nihilisme en cultuur geeft een uitvoerige analyse van het nihilisme, vooral aan de hand van Nietzsche, als illustratie van hoe een ‘culturologisch’ onderzoek eruit kan zien. De in de jaren vijftig toonaangevende socioloog Talcott Parsons onderscheidde drie componenten in het menselijke gedrag: een psychische, een sociale en een culturele component. De culturologie bestudeert die laatste component: de invloed van cultuurvormen op het menselijk gedrag (en verschilt dus van de cultuurwetenschap, die zich bezighoudt met cultuurvormen als zodanig: taal, literatuur, kunst, religie).

Het is niet aan mij te beoordelen of sociologen iets aan Goudsbloms analyse van het nihilisme hebben. Wel meen ik dat Goudsbloms eerste boek nog steeds een prachtig overzicht van de nihilistische problematiek en van het denken van Nietzsche is.

De nihilist loochent alle waarden, of beter: hij ontkent dat waarden fundeerbaar zijn. Het duidelijkste argument daarvoor heeft Hume gegeven: uit een is kan nooit een ought worden afgeleid, dat wil zeggen waarden kunnen niet op feiten worden gebaseerd. Maar de rechtgeaarde nihilist gaat nog een stap verder: niet alleen voor waarden, ook voor waarheid is er geen absoluut fundament. Het vaak gehuldigde ideaal van een onbetwijfelbare basis van ‘primitieve’ feiten waarop het hele gebouw der kennis kan worden opgetrokken, moet als een illusie worden beschouwd. Daarmee wordt ook het Socratische gebod tot een illusie: ‘dat men met inzet van al zijn faculteiten streeft naar de waarheid als het enige aanvaardbare richtsnoer van het handelen’, zoals Goudsblom het op p. 202 samenvat.

Men zou zich bij dit inzicht van onfundeerbaarheid van waarheid en van waarden kunnen neerleggen: wat is er tegen om permanent bereid te zijn de eigen opinies (voorlopige waarheden) te herzien, en om te erkennen dat waarden niet meer zijn dan (soms hartstochtelijke, en vaak met velen gedeelde) voorkeuren? Nietzsches intellectuele temperament sloot een zo afstandelijke houding uit. Hij worstelde, conform het Socratische gebod, met een machtige ‘Trieb zur Wahrheit’, die hem verbood toe te geven aan de zuigkracht van ‘lebenserhaltende Irrtümer’, zoals het heet in Die fröhliche Wissenschaft; maar het nihilistische inzicht benam hem de mogelijkheid zijn waarheidsdrift in overeenstemming te brengen met zijn Socratische verlangen de waarheid tot richtsnoer van het handelen te maken.

In het nihilisme, en in Nietzsches verwerking ervan, wordt de verhouding tussen cultuurelementen (in dit geval filosofische redeneringen) en menselijk gedrag tot thema bij uitstek, zodat de analyse van het nihilisme een goed voorbeeld is van wat Goudsblom onder ‘culturologie’ verstaat.

Reikwijdte

Opmerkelijk genoeg komt deze term ‘culturologie’ in Balans van de sociologie helemaal niet meer voor, hoewel dat boek toch beoogt een kritisch en systematisch overzicht van de sociologie te zijn. Verklaarbaar is het wel: Goudsblom was in de tijd dat Balans ontstond in de ban geraakt van de sociologie van Norbert Elias, in wiens denken het begrip civilisatie een rol speelt die het begrip cultuur min of meer overbodig maakt. De arbeidsdeling tussen sociologie, psychologie en culturologie wordt in het werk van Elias opgeheven: de drie verklaringswijzen van menselijk gedrag gaan restloos op in de beschrijving van de ontwikkeling der civilisatie. Elias was in Nihilisme en cultuur weliswaar al geciteerd, maar pas in de jaren zeventig is Goudsblom zijn werk als exemplarisch voor de sociologie gaan zien.

Balans van de sociologie wil de ontwikkeling van de sociologie beknopt weergeven, en tegelijk kritisch bezien. Om dit op een overzichtelijke en systematische manier te kunnen doen zijn criteria nodig waarmee sociologische theorieën kunnen worden beoordeeld. Goudsblom geeft er vier: precisie, systematiek, reikwijdte en relevantie (maatschappelijk nut).

Van deze vier criteria krijgt dat van reikwijdte de meeste aandacht. Men voldoet bijvoorbeeld niet aan dit criterium wanneer men sociale verschijnselen te zeer isoleert uit hun maatschappelijke context, zoals dat o.a. gebeurde in het vaak aangehaalde Hawthorne-onderzoek (p. 82; de paginaverwijzingen hebben betrekking op de uitgave van 1990). Het criterium reikwijdte ‘herinnert de onderzoeker aan de vraag in welke bredere context de door hem bestudeerde situaties passen. Het feit dat grotere sociale eenheden, hoewel voortgekomen uit de handelingen van individuele mensen, het handelen van ieder individu ingrijpend bepalen, maakt het een dwingende eis bij sociologisch onderzoek steeds de werking van die grotere eenheden in het oog te houden. Daarbij is het ook nodig een tijdsperspectief te hanteren: want de sociale eenheden zoals die zich op een bepaald moment voordoen, vertegenwoordigen fasen in een steeds doorgaand ontwikkelingsproces’ (p. 81).

Hiermee houdt verband het afwijzen van reïficatie, het opvatten van abstracties als waren het natuurlijke gegevenheden in plaats van menselijke bedenksels. Een gevolg van reïficatie is dat men statische ‘elementen’ ziet waar slechts processen plaats vinden: het element bureaucratie in plaats van het proces bureaucratisering. De sociologie dient ook in zoverre haar reikwijdte te vergroten dat zij historische ontwikkelingen, veeleer dan gefixeerde stadia bestudeert. De meest omvattende ontwikkeling is de evolutie van de menselijke soort, al heeft de socioloog slechts te maken met de (vaak eeuwenlange) processen van sociale ontwikkeling die in het laatste stadium van die evolutie plaats hebben gevonden.

Opvallend is dat precisie, systematiek, reikwijdte en relevantie niet alleen als criteria worden gebruikt voor de beoordeling van sociologische theorieën, maar van Goudsblom op hun beurt een beoordeling krijgen. Precisie, systematiek en relevantie zijn weliswaar belangrijk, maar Goudsblom waarschuwt toch vooral tegen schijnprecisie, loze systematiek en in partijdigheid ontaardende relevantie. Bij reikwijdte is het net andersom: hoewel Goudsblom erkent dat grote reikwijdte kan verzanden in ontoelaatbare vaagheid, ligt het accent toch op het bepleiten van onderzoek met grote reikwijdte, en bekritiseert Goudsblom vooral theorieën die in dat opzicht tekortschieten.

Ook hier is de achtergrond weer Goudsbloms omhelzing van het werk van Elias, dat zich bij uitstek kenmerkt door aandacht voor sociale processen die een grote historische reikwijdte hebben.

Een voorbeeld van zo'n sociale ontwikkeling op lange historische termijn geeft Goudsblom zelf in zijn Vuur en beschaving. Dit boek beschrijft hoe vanaf het eerste vuurgebruik, wellicht vierhonderdduizend jaar geleden door homo erectus, tot en met de nog in ontwikkeling verkerende kernfusie, de toename in het menselijke vermogen tot beheersing van het vuur steeds ook weer om beheersing van dat vermogen vroeg. ‘Naarmate hun vermogen om vuur te beheersen groter is geworden, zijn de mensen hun levenswijze meer op de beschikbaarheid van vuur gaan instellen en daardoor zijn zij ook steeds afhankelijker geworden van het vuur en van de sociale organisatie en de psychische discipline die nodig zijn om er, met een minimum aan overlast en gevaar, van te kunnen profiteren’ (p. 25). Goudsbloms beschrijving van dit lange historische proces is zo een illustratie van Elias' befaamde triade van beheersingen: die van de natuur, die van de sociale verhoudingen en die van de innerlijke impulsen van de mens. Of deze beschrijving tot de sociologie moet worden gerekend of, zoals ik eerder opperde, tot de geschiedwetenschap, kan bij een zo fascinerend en prachtig geschreven boek gevoegelijk buiten beschouwing blijven.

Gered door stijl

Want Goudsblom is een socioloog die buitengewoon goed schrijft, op zichzelf al een bijzonderheid in een vakomgeving waarvan de krompraat vanouds een geliefkoosd object van satirici is. Er zijn collega's zoals Bourdieu, die niets te zeggen hebben en dat op meeslepende wijze doen, en anderen die weliswaar empirisch onderzoek verrichten maar hun bevindingen formuleren in afstotend academie-bargoens: ‘Deze auteur neemt dus tot vertrekpunt onze conclusie uit de analyse van Litwak c.s. van de relaties tussen organisaties en primaire groepen, nl. het inzicht dat inter-organisationele netwerken gezien kunnen worden als het draagvlak voor pogingen van organisaties elkaar te beïnvloeden’.5 Dit is proza van een collega uit Leiden, geen lichtjaren maar 25 km van Amsterdam, niet door eeuwen van Goudsblom gescheiden maar ongeveer even oud.

Is een goed schrijvende socioloog al een witte raaf, een socioloog die poëzie en literair proza produceert is uniek. Goudsbloms eerste publicaties, in het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures (we schrijven de jaren vijftig), waren vaak al wondertjes van stijl en vernuft. Ze hadden weinig met sociologie te maken, ja waar gingen ze eigenlijk wél over? Geheel in de geest van het toenmalige Propria Cures hadden ze nog het meest van stijloefeningen à la Queneau. Van deze vroege Goudsblom kan men zich in het bundeltje Reserves6 een indruk vormen, en de latere gedichten en aforismen die het bevat bewijzen dat de literator in de socioloog altijd springlevend is gebleven. Net als in alle andere aforismenbundels staan er mislukkingen in, maar de mooiste vondsten zijn zó mooi dat Goudsblom er zijn plaats ook in de Nederlandse letteren mee heeft ingenomen - zoals erkend door Gerrit Komrij, die een van de gedichtjes heeft opgenomen in zijn bekende bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten:

Mijn beter ik en ik
streden erop of eronder.
Mijn beter ik bezweek,
nu ben ik goddank zonder.

Het prozastukje ‘Schrapzucht’ uit 1990 mag hier ook niet ontbreken:

‘Hij maakte vaak lange fietstochten en dronk neuriënd het gif der eenzaamheid in.’
Het lidwoord ‘der’ is verouderd en overbodig.
‘Hij maakte vaak lange fietstochten en dronk neuriënd het gif eenzaamheid in.’
Als ‘der’ geschrapt is, kan ‘in’ ook weg,
‘Hij maakte vaak lange fietstochten en dronk neuriënd het gif eenzaamheid.’
Dat eenzaamheid een gif is, kan de lezer zelf ook wel bedenken.
‘Hij maakte vaak lange fietstochten en dronk neuriënd eenzaamheid.’
Voor het neuriën geldt precies het omgekeerde: dat is een strikt persoonlijke hebbelijkheid, die net zo goed door fluiten of zwijgen vervangen kan worden. Het vermelden ervan is hoogstens aardig voor de enkeling die er een verwijzing naar Schotel de Bie uit Vestdijks Ivoren wachters in herkent.
‘Hij maakte vaak lange fietstochten en dronk eenzaamheid.’
Dat hij ‘vaak’ fietste willen we graag geloven.
‘Hij maakte lange fietstochten en dronk eenzaamheid.’
Wel eens van korte fietstochten gehoord?
‘Hij maakte fietstochten en dronk eenzaamheid.’
Wat is het verschil tussen fietstochten maken en fietsen?
‘Hij fietste en dronk eenzaamheid.’
Als hij die twee dingen tegelijk deed, kan dat toch zonder samenvoeging gezegd worden?
‘Fietsend dronk hij eenzaamheid.’
Het anekdotische is voor het beeld niet nodig.
‘Fietsend eenzaamheid drinken.’
Proost.
‘Eenzaam fietsen.’
Is dat geen pleonasme?
‘Fietsen.’
Kan het niet wat minder?
‘Fiets.’
Iets.
‘Ets.’
Es.
‘s’.
En zo werd het weer hoog tijd om nog eens een mooie lange fietstocht te gaan maken en daarbij lekker zachtjes te neuriën en een flinke portie giftige eenzaamheid op te snuiven.
‘Op te snuiven?’

In het later ontstane tweede deel van Reserves zijn enkele aforismen te vinden die een sociologische belangstelling bij de schrijver doen vermoeden, zoals ‘Arbeid adelt. Een burgerlijk gezegde’, dat ongetwijfeld geen wetenschappelijke pretentie heeft (of behoeft). Dat is naar ik vermoed wél het geval met ‘Sociologen zagen de regels, historici de uitzonderingen; nu nog de regelmaat in de uitzonderingen’. Zoals inmiddels duidelijk zal zijn kan ik uit het sociologische werk van Goudsblom, evenmin als uit enig ander mij bekend geschrift van een socioloog, niet opmaken dat het eerste deel van deze uitspraak waar is; voor wat het tweede deel betreft verwacht ik al helemaal niets van de sociologen. Voor zover Goudsblom en zijn collega's iets aan de wetenschap hebben bijgedragen is dat een bijdrage aan de geschiedwetenschap, met een accent op de ontwikkeling van menselijke relaties; maar het is moeilijk voorstelbaar hoe geschiedenis die daar géén aandacht aan besteedt er uit zou moeten zien. Verdieping van historisch inzicht door het te hulp roepen van de sociologie lijkt even weinig op te zullen leveren als een inmiddels geloof ik vergeten maar ooit veelbelovend geacht recept: psychologische theorieën zoals de psychoanalyse inzetten voor het leveren van historische verklaringen.

Bedenkingen tegen de sociologie treffen daarom niet een socioloog als Goudsblom, die dankzij zijn uitzonderlijke eruditie en stilistische gaven ook van een in naam sociologisch geschrift een waardevolle bijdrage aan de geschiedschrijving weet te maken. De lezer van Vuur en beschaving zal het een zorg zijn hoe de naam van 's schrijvers leerstoel luidt. En wie het wél weet verzucht: die man is te goed voor de sociologie.

Dit artikel verscheen in Ons Erfdeel 1/2002, pp. 77-85
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.