In ‘De wonderen’ pleit Jeroen Olyslaegers voor meer vrouwelijke verbeelding
Met zijn zevende roman ontketent Jeroen Olyslaegers een heuse heksendans waarin het vooruitgangsgeloof en de anti-verlichting op elkaar botsen. De mannen komen er bekaaid vanaf in dit uitzinnige gothic sprookje met echo’s van Louis Couperus en Frederik van Eeden.
Sinds Wildevrouw (2020), zijn historische roman over het zestiende-eeuwse Antwerpen, belijdt Jeroen Olyslaegers (1967) met veel aplomb zijn liefde voor een intuïtieve, vrouwelijke kijk op het leven. Het hoeft dus niet te verwonderen dat hij zijn nieuwe roman De wonderen niet alleen opdraagt aan zijn echtgenote Nikkie van Lierop (met nog eens extra dank “voor zoveel liefde, zoveel kracht”), maar ook aan zijn moeder.
In De wonderen dompelt Olyslaegers de lezer onder in het Antwerpen van de tweede helft van de negentiende eeuw, met zijn economische hoogconjunctuur dankzij onder andere de Congolese kolonie van Leopold II en de Wereldtentoonstelling van 1894, maar ook met zijn hypersensuele fin-de-siècle. De tweeling Amandine en Ambrose en hun tante Bella spelen de hoofdrol. Ze vertolken met veel zwier de stem van de zwarte romantiek die toen ook in Antwerpen het artistieke klimaat mee bepaalde.
Voor Jeroen Olyslaegers zijn de wonderen de wereld niet uit, zeker als ze door vrouwen worden beleefd © Stephan Vanfleteren
Olyslaegers laat in vijf bedrijven het noodlottige, haast vegetatieve leven van Amandine de revue passeren: van de idyllische rozemarijn in de eerste act tot de dodelijke monnikskap in de laatste. Amandine en haar tweelingbroer Ambrose voelen zich door de uit de band springende tante Bella meegezogen in een Keltische wervelwind vol magische planten, druïdes en occulte signalen. Het spreekt boekdelen dat deze moderne heks hun een boek cadeau doet over tovenaar Merlijn en zijn zus. En dat ze hen daarbij als “wonderen” over het hoofd aait, is het startschot voor een heuse heksendans.
Terwijl mama een bigotte Maria-vereerster is, zweert papa-vrijmetselaar in zijn Antwerpse stadspaleis bij het vooruitgangsgeloof dat hem als bankier geen windeieren legt. Ondertussen raken Amandine en Ambrose de pedalen kwijt en kiezen zij voor een magische wereld waarin spiritisme (Amandine) en uitzinnige drinkgelagen met champagne en absint (Ambrose) aan de orde van de dag zijn.
Amandine speelt als vrijgevochten incarnatie van de vermoorde tante Bella de hoofdrol. Zij vertolkt de lokkende stem van de anti-verlichting die Olyslaegers als het echte hoofdpersonage in deze roman flamboyant laat rondzingen: “Wat wij vrouwen waarlijk weten en waarover wij zelden spreken vervult mannen heimelijk met angst.”
Sommigen onder ons, zegt Amandine, werden vroeger als heksen vervolgd: “Wie weet zijn er aardig wat onder ons die de duivel als een prikkelende mogelijkheid beschouwen en het zogenaamde kwade niet als een bedreiging zien, maar als een bron van esoterische kennis. Planten en het rituele gebruik ervan vormen een geheime traditie die door vrouwen in stand wordt gehouden.”
De aparte avonturen van Amandine en Ambrose – van hypnose, satanisme, zwarte missen en vlucht in Keltische spielerei – worden versneden met het bezoek van toenmalige protagonisten uit de haute finance en de tegencultuur. Zelfs ontdekkingsreiziger Morton Stanley is van de partij. Maar het zijn vooral de smaakmakers van de toenmalige artistieke beau monde die present tekenen: van de Franstalige dichter Emile Verhaeren tot mysticus Joséphin Péladan en van de Naamse erotische prentenmaker Félicien Rops tot de Nederlandse auteur Frederik van Eeden.
Olyslaegers stuurt in dit boek de geheimste riten en geruchten de wereld in, al dan niet met een knipoog
Van Eeden maakte in 1900 furore met zijn roman Van de koele meren des doods, waarin het vrouwelijke hoofdpersonage uiteindelijk in een bodemloze depressie verzinkt. Als psychiater was Van Eeden toen al vertrouwd met de vrouwelijke psyché. Amandine zegt over hem: “Vrouwen waren altijd het merkwaardigst, liet hij weten. Hij zei dat het wonderlijke hem obsedeerde, en dat hij diezelfde eigenschap ook bij mij aantrof.” Van Eeden maakte in Parijs mee hoe de legendarische dokter Charcot, inspirator van Sigmund Freud, een vrouw via hypnose haar zesde zintuig liet manifesteren.
Hoe bizar blasfemisch die gevoeligheid voor het niet-rationele, wilde denken wel kon zijn, bewijst een vriend van Ambrose die stellig verkondigt dat Christus tijdens het Laatste Avondmaal niet alleen brood en wijn maar ook zijn mannelijkheid met de apostelen deelde: “Ze aten zijn zaad, zo fluisterde hij. Dat was de ware eucharistie.” Om maar te zeggen dat Olyslaegers hier de geheimste riten en geruchten de wereld in stuurt, al dan niet met een knipoog.
Uiteindelijk laat Olyslaegers het vrouwelijk wonderbaarlijke overwinnen. De finale onder de banier van het omineuze monnikskapkruid laat op het eerste gezicht weinig aan de verbeelding over, maar tenslotte krijgt Goethe – zonder dat hij vernoemd of geciteerd wordt – het laatste woord:
Het onaanschouwelijke,
hier wordt het feit;
het eeuwig-vrouwelijke
is wat ons leidt.
Voor Olyslaegers zijn de wonderen dus de wereld niet uit, zeker als ze door vrouwen worden beleefd, want de mannelijke personages komen er bekaaid van af. Hij schreef met De wonderen een curieuze naturalistische roman die de vrouwenromans van de eerdergenoemde Frederik van Eeden en van Louis Couperus van antwoord wil dienen. Ook met de hypergevoelige Eline Vere liep het in de gelijknamige debuutroman van Couperus uit 1888 slecht af. Dan is Amandine, wandelaarster tussen werelden, uit ander hout gesneden. Zij is een wildevrouw met kapsones maar ook met allures die je van een hedendaagse heks niet zo direct zou verwachten.
Of Olyslaegers met deze fantasie Van Eeden en Couperus naar de kroon steekt, is een ander paar mouwen. WIL (2016) blijft het voorlopige hoogtepunt in zijn oeuvre omdat hij met die filmische vertelling de perfecte balans wist te vinden tussen het historische collaboratieverhaal en “de tweezak” in ieder van ons.
In De wonderen vliegt hij in zijn ode aan de vrije, anarchistische vrouwelijkheid wel eens uit de bocht. Zo krijg je een nogal pamflettair aandoende thesisroman die je met uitzondering van het fraaie begin en het onverwachte, abrupte einde als lezer uiteindelijk tamelijk koud laat. Wat beklijft zijn enkele koddige scènes, zoals die over de ware eucharistie van Jezus.
Kortom, Olyslaegers amuseerde zich met een uitzinnig gothic sprookje waarin de Antwerpse belle époque er allesbehalve fraai uitkomt. Op zijn best is De wonderen een pleidooi voor meer vrouwelijke verbeelding en magisch denken in een samenleving waarin de mannelijke, berekenende logica nog vaak domineert. Maar soms lijkt zijn mirakelroman te veel op een Antwerpse remake van The Addams Family met enkele bekende tijdsgetuigen als gaststerren.
Jeroen Olyslaegers, De wonderen, De Bezige Bij, Amsterdam, 2025, 408 p.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.