Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Hoe de verschillen tussen Nederland en België in de EU steeds meer opspelen
0 Reacties
© Prado, Madrid
© Prado, Madrid © Prado, Madrid
VL ⇄ NL
maatschappij

Hoe de verschillen tussen Nederland en België in de EU steeds meer opspelen

In de eenwording van Europa speelden Nederlandse en Belgische politici samen een glansrol. De jongste jaren is de laaglandse liefde bekoeld en komen de verschillen in diplomatieke stijl en inhoudelijke koers steeds meer aan de oppervlakte. Dat laten vier recente Europaboeken elk op hun eigen wijze zien.

Juni 1994. Op het Griekse eiland Corfu vergaderen de Europese leiders over de vraag wie Jacques Delors mag opvolgen als voorzitter van de Europese Commissie. Er zijn drie kandidaten: de Belgische christendemocratische premier Jean-Luc Dehaene, zijn Nederlandse evenknie Ruud Lubbers en de Britse conservatief Leon Brittan. Dehaene gooit hoge ogen. Toen België in de tweede helft van 1993 het roulerende voorzitterschap van de EU bekleedde, had hij samen met minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes “een vlekkeloos parcours” gereden, tekent Hendrik Vos op in Dit is Europa. De geschiedenis van een Unie. Kohl heeft een sterke voorkeur voor Dehaene. Hij is nog niet vergeten dat Lubbers op 8 december 1989, kort na de val van de muur, bij een bijeenkomst van de Europese leiders over de nazi’s was begonnen om zijn standpunt te onderbouwen dat een Duitse eenwording linke soep was. Bij een geheime stemming zetten acht premiers Dehaene op de eerste plek, drie Lubbers en eentje Brittan. In de nachtelijke uren die volgen, gaan de Lubbers-stemmers overstag en scharen zich achter Dehaene. De volgende ochtend trekt Brittan zich terug. Intussen heeft Lubbers in de wandelgangen met de Britse premier John Major een plannetje bedacht. Wanneer de twaalf leiders weer bij elkaar zitten zegt Lubbers met Dehaene in te stemmen, als er eensgezindheid over diens kandidatuur bestaat, waarop Major het woord vraagt en zich tegen Dehaene keert. De Britten zien in de Belg te zeer een pleitbezorger van een federaal Europa. Als twee honden vechten om een been… Uiteindelijk volgt de Luxemburger Jacques Santer Delors op. “De relatie tussen België en Nederland kreeg een flinke knauw”, schrijft Vos.

De Gentse politicoloog beschrijft deze schermutselingen met veel schwung en oog voor het kleinmenselijke. Wat hij in Dit is Europa vooral wil laten zien, is dat geschiedenis mensenwerk is. In zijn boek trekt een bonte stoet personages voorbij, van impulsieve figuren die op hun intuïtie varen tot berekenende vooruitdenkers, van pragmatische machtspolitici tot idealistische dromers, van altijd het eigenbelang najagende nationalisten tot federalistische Europeanen. Voor het Europa dat ze in al hun kleinzieligheid en grandeur vormgeven, bestaat geen ontwerpplan, het stevent niet op een doel af, onder invloed van alle krachten die op haar inwerken volgt het een grillig parcours naar een onbekende bestemming. “Noodsituaties maken steeds opnieuw duidelijk dat zelfs de grootste lidstaten niet meer over het vermogen beschikken om de problemen op eigen houtje op te lossen”, noteert hij op de slotpagina’s. “Schoorvoetend erkennen landen dat en zijn ze bereid om, stukje bij beetje, meer zaken gezamenlijk te regelen. De Europese Unie is niet alleen robuuster maar ook kleveriger dan de zwartkijkers vermoeden.”

Het is precies de visie die de Leuvense politicoloog Steven Van Hecke en Europa-journalist Kamiel Vermeylen ontvouwen in Waarom Europa. Kleine geschiedenis van een groot project. De Europese Unie is, schrijven ze, “een moeilijk grijpbare, slecht afgebakende en onmogelijk te definiëren onophoudelijke cadans van conflicten, crises en compromissen”. Maar al is er geen masterplan of einddoel, de praktijk laat zien dat de marsroute toch meestal richting méér Europa is. De zesde van hun uit vragen opgebouwde boek luidt ‘Waarom maakt elke crisis de EU sterker?’. Op die vraag naar het waarom komt eigenlijk geen glashelder antwoord. Ze beschrijven vooral hoe tijdens alle crises die de EU teisteren de gebeurtenissen zich telkens weer voltrekken conform “dat hardnekkige cliché: dat het Europese integratieproces geenszins lineair verloopt, dat crisissen nodig zijn om opportuniteiten te creëren en leiderschap los te weken, en dat het eindresultaat – tot spijt van wie het benijdt – niet minder maar ‘meer Europa’ is.”

Een niet-buideldragend trio

Die koersrichting mogen we mede op het conto schrijven van enkele politici die met durf en verbeeldingskracht aan de interne cohesie hebben gewerkt. In deze categorie vallen zonder twijfel het Benelux-trio Willem Beyen, Paul-Henri Spaak en Joseph Bech. Zij waren het die, nadat het Franse Parlement de plannen voor een Europese Defensie Gemeenschap in augustus 1954 naar de prullenbak had verwezen, de Europese eenmaking weer op de rails kregen. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Beyen schreef het prille plan voor een Europese Economische Gemeenschap waarin de deelnemende landen samen een eengemaakte markt zouden vormen. Zijn rol is niet voldoende gekend en geapprecieerd, schrijft zijn Belgische collega Paul-Henri Spaak in zijn memoires Combats inachevés (1969). Hij was “de ware auteur van de relance die zou leiden tot de geboorte van de gemeenschappelijke markt”. Ook voor hun Luxemburgse confrater is Spaak vol lof. Hij heeft “een stralende wijsheid en mensenkennis”.

In het voorjaar van 1955 kwamen de heren geregeld bijeen “zonder boekentassen, zonder medewerkers, zonder grote theorieën en meestal zonder dat de kranten er lucht van kregen”, noteert Vos. Alle drie behoorden ze, aldus Beyen in zijn kroniek van de jaren 1950 Het spel en de knikkers (1968), “tot het thans vrijwel uitgestorven ras der niet-buideldragende ministers”. Het trio schreef aan een memorandum over de Europese samenwerking dat ze in juni op het Siciliaanse Messina aan hun Italiaanse, Franse en Duitse collega’s voorlegden. In de kleine uurtjes besloten ze Spaak opdracht te geven de plannen verder uit te werken tot een verdrag. “De ‘homo politicus’ par excellence was Spaak”, tekende Beyen op. “Aan hem is te danken dat het in een zo snel tempo is gekomen tot de Verdragen van Rome. Ik ken niemand anders die had kunnen bereiken wat hij, in goed anderhalf jaar, heeft tot stand gebracht.”

Het is een Nederlands-Belgisch duo dat met de hulp van het kleine Luxemburgse broertje een beslissende rol heeft gespeeld in de totstandkoming van de Europese Economische Gemeenschap. Lang zaten Nederland en België inhoudelijk ook op een gelijklopende koers. Ze wilden, schrijft Vos, “een gezag dat boven en los van de lidstaten stond”. Toen de Franse president Valéry Giscard d’Estaing halverwege de jaren 1970 in de Duitse bondskanselier Helmut Schmidt een medevoorstander vond voor het idee van een vaste bijeenkomst van regeringsleiders, waren Nederland en België tegen. Ze vreesden dat de vergaderingen van de chefs vooral het strijdtoneel van nationale belangen zouden zijn en dit gezelschap de Europese Commissie naar een bijrol zou verdringen.

In de aanloop naar het Verdrag van Maastricht (1992) stelde de Nederlandse premier een tekst voor met “een nadrukkelijk federalistisch karakter” en behoorde ook de Belgische regering tot de “voorstanders van een Europese federatie”, analyseren Van Hecke en Vermeylen. Beide landen ambiëren meer dan een samenwerkingsverband tussen soevereine natiestaten, beide willen toegroeien naar een Verenigde Staten van Europa met sterke federale instellingen. Beide zijn dan ook wat ontgoocheld over het Verdrag van Maastricht, dat de Europese Unie in een mengvorm giet met deels intergouvernementele, deels supranationale kenmerken.

De Nederlanders schurken zich regelmatig tegen de Britten aan en prediken zuinigheid, de Belgen kijken meer richting Parijs en bepleiten meer souplesse in de omgang met begrotingsregels

De laaglandse liefde blijft evenwel niet duren. De affaire rond de opvolging van Delors is niet alleen het begin van de verkoeling in de onderlinge verhoudingen, maar ook van een inhoudelijk uit elkaar groeien. De Nederlanders schurken zich regelmatig tegen de Britten aan en prediken zuinigheid, de Belgen kijken meer richting Parijs en bepleiten meer souplesse in de omgang met begrotingsregels. In het Stabiliteits- en Groeipact is vastgelegd dat het begrotingstekort de 3 procent en de staatsschuld de 60 procent niet mag overschrijden. Toen kort na de invoering van de euro Frankrijk, Duitsland en Portugal een te groot tekort hadden, stelde de Nederlandse minister van financiën Gerrit Zalm voor een sanctieprocedure te starten. Met een haast sardonisch plezier beschrijft Vos Zalms verwarring. “Als het over budgettaire discipline ging, koesterde hij al heel zijn carrière een diepe achterdocht tegenover Spanjaarden, Belgen en Italianen. Maar dat ook de Duitsers hem in de steek lieten en zelf de regels aan hun laars lapten, daar ging zijn wereld van wankelen. En niemand protesteerde, zelfs de Commissie niet! Hij snapte er niets van.”

Diplomatieke brekebeentjes of Dutch Fixers?

Het is niet het enige moment in Vos’ vertelling waarop de Nederlanders weinig gevoel tonen voor de politieke verhoudingen. In geuren en kleuren vertelt hij hoe ze het lid op de neus kregen, toen ze in de aanloop naar het Verdrag van Maastricht een alternatief voorlegden voor het ontwerpplan voor de Europese Unie dat Luxemburg had gemaakt. “Luxemburg moest zijn plaats kennen: een dwergstaat moest niet de ambitie koesteren om op de grote politiek te wegen”, interpreteert Vos de Nederlandse denkwijze. Maar alleen België vond het Nederlandse voorstel “nog niet zo slecht”, alle andere landen hoonden het weg tijdens een vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken in de herfst van 1991. “30 september 1991 zou bekend blijven als Zwarte Maandag, de dag waarop de Nederlandse diplomatie een grote les in nederigheid kreeg”, tekent de Gentse politicoloog op.

In Vos’ geschiedschrijving zijn de Nederlanders vaak nogal rechtlijnige types met een gebrek aan talent voor het zich verplaatsen in het standpunt van de ander. Ze hebben geen handigheid in het massagewerk dat nodig is om compromissen te sluiten aan de Europese tafel. Ze missen het vermogen te zwijgen en hun kaarten tegen de borst te houden. Het prototype daarvan is wellicht Joseph Luns, van 1956 tot 1971 als minister van Buitenlandse Zaken het Europese gezicht van Nederland. Vos noemt hem “erg drammerig”, “hopeloos verwaand”, “bijzonder conservatief” maar in Nederland toch erg populair, “waarschijnlijk vanwege zijn grote mond”.

Dé belichaming van de Belgische politicus is Herman Van Rompuy

Dé belichaming van de Belgische politicus, gezegend met een groot vermogen zich op de achtergrond te houden en van daaruit toe te slaan, is Herman Van Rompuy, niet toevallig de eerste vaste voorzitter van de Europese Raad. Vos borstelt zijn portret van “Haiku-Herman” duidelijk met een zekere sympathie. In de dagen dat de eurocrisis woedde, mocht de Gentse prof op gezette tijden met de voorzitter van de Europese Raad lunchen. “Van Rompuy dronk er altijd een pintje bij”, noteert hij. “In paniek was hij nooit.” Het is niet ironisch bedoeld als hij in de slotpagina’s de rollen aanduidt die de verschillende landen dikwijls spelen. “De Fransen verdedigen de landbouwpolitiek, de Grieken willen centen, de Nederlanders drammen over bezuinigingen, de Denen zijn terughoudend, de Zweden spelen het geweten en de Belgen lijmen alles aaneen.”

Opmerkelijke afwezige in Dit is Europa, een geschiedenis die toch tot in de herfst van 2021 loopt, is de huidige voorzitter van de Europese Raad. De naam Charles Michel valt bij Vos nul keer. In Het Brusselse moeras. Achter de schermen van de macht in Europa, dat de twee Nederlandse journalisten Tijn Sadée en Bert van Slooten schreven, heeft hij een weinig glansrijke rol. Michel is een figuur die “in de Belgische politiek bekendstaat als een man met lange tenen die geen kritiek duldt”. Sofagate, het moment waarop Michel zich nestelde in de ene zetel die de Turkse president Erdogan had klaarstaan en Commissievoorzitter Ursula von der Leyen zich ontstemd afvroeg waar zij dan moest gaan zitten, noemt het journalistenduo “het ongeluk waar iedereen op had zitten wachten”. Michel en Von der Leyen hebben allebei “een obsessieve bewijsdrift”.

Maar al past Michel dan wellicht niet in het prototype van de zich bescheiden opstellende Belg, grofweg komen Sadée en Van Slooten met dezelfde rolverdeling als Vos. “Nederlanders en Vlamingen opereren totaal verschillend in de Brusselse politieke slangenkuil”, schrijven ze. “Eén dag in Brussel in de voetsporen van een Nederlandse en een Belgische EU-diplomaat en je weet genoeg: twee menstypes. Plompe zelfmanifestatie versus behendige terughoudendheid, de een met een staart van een pauw, de ander met die van een manoeuvrerende kat.”

In een volgend hoofdstukje met de veelzeggende titel ‘The Dutch Fixers’ ondergraven ze evenwel deze nette tweedeling. Daarin stellen ze dat Nederlanders in de EU relatief weinig topposities mogen bekleden, maar dat “stille Dutch fixers” op sleutelposities achter de schermen “sterk vertegenwoordigd” zijn. Een van die fixers is Maarten Verwey, de man die in 2010 op het hoogtepunt van de financiële crisis zijn vingertje opstak en aan de in paniek verkerende Europese Commissie een plan voor een noodfonds presenteerde. Daarbij werd de begroting van de Europese Commissie als onderpand voor een lening gebruikt en zouden belangrijke landen als Nederland en Duitsland garant staan. Ook het IMF deed mee. Toenmalig eurocommissaris Olli Rehn zou Verweys plan “in extase” hebben aangehoord. Sadée en Van Slooten citeren Rehn, die zei dat ze dankzij de Hollander in blessuretijd scoorden in “de nacht waarop de euro werd gered”.

Lobbydruk

Figuren als Verwey komen niet voor in de historische verhandelingen van Vos en Van Hecke en Vermeylen. Zij concentreren zich op de hoofdrolspelers op de politieke bühne. Het kijkje achter de schermen van de macht dat Sadée en Van Slooten geven, biedt niet alleen zicht op de in de luwte opererende ambtenaren, maar ook op alle lobbyisten die invloed trachten uit te oefenen op Europese wetgeving. In de boeken van de Gentse en Leuvense politicologen verschijnt de Europese koers als het resultaat van politiek geduw en getrek. Aan de maatschappelijke krachten – de burgers, organisaties en bedrijven die hun visie op de EU hebben en haar de door hen gewenste kant op proberen te stuwen – maken ze weinig woorden vuil.

De burgers komen bij Vos op het toneel als zij in 2005 in Nederland en Frankrijk in referenda het voorstel voor een Europese Grondwet afwijzen en de Britten er in 2016 voor kiezen uit de EU te stappen. De Gentse politicoloog vond de Grondwet een mooi stukje tekst en de herverpakking ervan in het Verdrag van Lissabon (2007) nogal gedrochtelijk. De Brexit ziet hij vooral als een staaltje zelfbedrog en zelfmutilatie. De vraag waarom een aanzienlijk deel van de bevolking negatief of lauw reageert op de Europese integratie is niet zijn grootste preoccupatie.

Ook voor de lobby van het bedrijfsleven hebben de Nederlandse journalisten een beter oog dan de Belgische wetenschappers. Ze schrijven dat Dieselgate in 2015 blootlegde hoe Volkswagen jarenlang had gesjoemeld met de uitstoot van dieselwagens en hoe de Europese instellingen zich door de auto-industrie in de luren had laten leggen. “Telkens was de autolobby erin geslaagd de wetten voor te schrijven in plaats van andersom”, observeren Sadée en Van Slooten. Met de Green Deal van de Nederlandse Eurocommissaris Frans Timmermans zal de druk van de lobby op de Europese politiek alleen maar toenemen, voorspellen ze. Industrieën zullen tot het uiterste gaan om wetten en normen minder streng te maken en om maximaal aanspraak te kunnen maken op de geldpotten die voor verduurzaming klaarstaan.

Die strijd belicht Sluiproute Brussel. De Europese lobby voor de bv Nederland van journaliste Lise Witteman. In het hoofdstukje ‘Gasblauwe Green Deal’ vertelt ze hoe de gevestigde fossiele industrie haar eigen vergroeningsverhaal schrijft. Bedrijven als Shell lobbyen voor “blauwe waterstof”. Terwijl groene waterstof is gemaakt met hernieuwbare energie is blauwe geproduceerd met een fossiele brandstof zoals aardgas, waarbij de vrijkomende CO2 ondergronds wordt opgeslagen. Shell is een van de partners in het Porthos-project dat beoogt CO2 op te slaan in een leeg gasveld onder de Noordzee. Eendrachtig lobbyen de Nederlandse fossiele bedrijven en de Nederlandse regering voor een plekje voor blauwe waterstof in de plannen voor de waterstofeconomie waaraan de Nederlandse Eurocommissaris Timmermans schrijft. Met succes, blauwe waterstof krijgt eind 2020 de zegen van de Europese Commissie. In mei 2021 blijkt dat van de vijf miljard die in Nederland beschikbaar is voor verduurzamingsubsidies twee miljard gaat naar het CO2-opslagproject bij Rotterdam. “In plaats van de vervuiler te laten betalen, krijgt Shell geld toe om zijn fossiele verdienmodel in stand te houden”, concludeert Witteman. In haar nawoord stelt ze dat de VVD, de liberale partij van premier Rutte, “behoorlijk goed grip op de Europese besluitvormingsprocessen” heeft weten te krijgen. “Dit allemaal buiten het zicht van de camera’s, amper bediscussieerd door de Tweede Kamer.”

Nieuwe kansen?

In het licht van Witteman verschijnt de EU vooral als een vehikel om de bv Nederland vooruit te helpen. Dat sluit naadloos aan bij een visie die premier Rutte in 2014 ontvouwde. In een opiniestuk schreef hij toen: “Ik wil een Europa dat Nederland dient” en “We zitten in Europa voor Nederland”. Lang zat de Nederlandse premier in het Britse kielzog en zag hij in de EU vooral een eengemaakte markt waarop Nederland goede zaken kon doen. Maar het nieuwe regeerakkoord laat zien dat zijn vierde regering onder aanvuring van het pro-Europese D66 een bredere Europakoers vaart. “Europa brengt Nederland vrede, veiligheid en welvaart”, is er in te lezen. “Naast een economische gemeenschap is de EU een waardengemeenschap.”

Met de gebruikelijke Nederlandse zelfverzekerdheid stelt het kwartet partijen dat elkaar na Belgisch lang aanslepende onderhandelingen eindelijk vond dat Nederland een “leidende rol” zal nemen om de EU “slagvaardiger, economisch sterker, groener en veiliger” te maken. Nederland wil het vetorecht op het gebied van het buitenlandbeleid afschaffen en de democratische legitimiteit van de EU verhogen door het Europees Parlement een sterkere rol te geven. Het regeerakkoord lijkt ook een opening te bieden om de strenge begrotingsnormen wat te laten vieren. “We benaderen een modernisering van het Stabiliteit- en Groeipact constructief”, heet het.

Inhoudelijk biedt dit alles mooie kansen om Nederland en België in Europa weer eendrachtiger te laten samenwerken. Alleen is het nog te bezien of de liefde opbloeit tussen de politiek verantwoordelijken. De nieuwe Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Wopke Hoekstra (CDA) voldoet perfect aan het beeld van de botte Hollander. Hij zette in het Zuiden kwaad bloed toen hij in het voorjaar van 2020 op het moment dat corona huishield in de zuidelijke landen de Europese Commissie vroeg te onderzoeken waarom Italië en Spanje hun economie niet hadden hervormd in tijden dat ze er goed voorstonden. Sophie Wilmès (MR) opereert als Belgisch federaal minister met Europese zaken in haar portefeuille heel behoedzaam. Vooralsnog zijn er geen signalen dat ze op het Europese toneel een krachtige rol speelt. Weinig kans dat dit duo net zo’n mooie match vormt als Beyen en Spaak.

Besproken boeken

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.