Publicaties
Hoe de Belgische Socialistische partij na bijna een eeuw splitste
0 Reacties
maatschappij
geschiedenis

Hoe de Belgische Socialistische partij na bijna een eeuw splitste

Recensie van ‘Bevriende vijanden’ van Harry Van Velthoven

In Bevriende vijanden brengt de Vlaamse historicus Harry Van Velthoven in kaart hoe de taal-, cultuur- en mentaliteitsverschillen tussen Nederlands- en Franssprekende socialisten in België in 1978 leidden tot de splitsing volgens communautaire breuklijnen van de Belgische Socialistische Partij (BSP). Dat was de opvolger van de in 1885 opgerichte Belgische Werkliedenpartij (BWP).

Wat en hoe Van Velthoven als vijfenzeventigjarige schrijft, is het resultaat van meer dan een halve eeuw hard werken als academisch historicus. Naast de Leuvense emeritus Lode Wils – met wie hij het intellectueel geregeld oneens is, soms in nuances en af en toe fundamenteel – is de voormalige hoogleraar aan de Hogeschool Gent momenteel de scherpzinnigste analist van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Ook in Bevriende vijanden, een titel die teruggaat op een uitspraak van de Waalse socialistische partijvoorzitter en minister Guy Spitaels (1931-2012), polemiseert de vrijzinnige Van Velthoven af en toe verfijnd met zijn katholieke vakgenoot – zonder dat die intellectuele discussies hun grote wederzijdse appreciatie in de weg staan.

De maatschappelijke en electorale doorbraak van het Belgische socialisme voltrok zich tijdens de kwarteeuw voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, precies ook de periode waarin de Vlaamse Beweging in een stroomversnelling terechtkwam, culminerend in de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse rijksuniversiteit. Tegelijk was de toenmalige BWP in Wallonië dominant en vooral gericht op militante en ideologische actie, in Vlaanderen minoritair en eerder gefocust op praktische en pragmatische organisatie. Een en ander leidde tot een aantal communautair gekleurde spanningsvelden binnen het – zeker in de decennia vóór en na 1900 – sterk internationaal georiënteerde Belgische socialisme.

Van Velthoven plaatst de francofoon-patriottische wallingant Jules Destrée (1863-1936) naast de Vlaamsgezinde Camille Huysmans (1871-1968). Destrée maakte in augustus 1912 met een open brief aan de koning definitief een einde “aan de rode illusie van elkaar versterkende ‘ras’-kenmerken tot een Belgisch volk”. In diezelfde jaren stuurde Huysmans “het Vlaamse socialisme in de Kamer naar een voorhoederol in de Vlaamse Beweging”, inhoudelijk althans, niet in getalsterkte.

Dit is verplichte lectuur voor historici en politici

De conflictstof die deze twee kopstukken aanleverden en de divergerende tendensen waarvan zij de vaandeldragers waren, brachten tijdens het interbellum ingrijpende verschuivingen inzake de taalkwestie met zich mee. Onder meer doordat de koning en de conservatieve machtselite het socialisme en het flamingantisme na 1918 “in quarantaine hadden geplaatst”, vonden beide bewegingen elkaar in hun oppositie tegen het afwijzingsfront van het Belgische establishment.

Huysmans en Frans Van Cauwelaert (1880-1961), de voorman van de katholieke flaminganten, werkten vanaf 1921 eerst samen in het Antwerpse stadsbestuur en positioneerden zich vervolgens als stuwende krachten voor “de uitvoering van het Vlaamse minimumprogramma: de vernederlandsing van Vlaanderen en tweetaligheid van de nationale instellingen”. Omstreeks 1930 werd, zowel binnen de socialistische partij als op het niveau van de Belgische staat, overeenstemming bereikt over de feitelijke eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië, weliswaar moeizaam, niet expliciet en inclusief de achterpoortjes, compensaties en anomalieën die kenmerkend waren – en zijn – voor de communautaire compromissen in België. “Een point of no return”, zo concludeert Van Velthoven halfweg zijn boek.

Ondertussen waren de taalverhoudingen binnen de BWP tijdens de jaren 1930 verre van harmonieus. Zo verklaarde het kamerlid voor Gent-Eeklo Jozef Chalmet (1897-1962), tiende uit een gezin van dertien en oorspronkelijk werkzaam als metselaar, “dat in de parlementsfractie geen woord ‘Vlaams’ werd gesproken, zodat wij als Vlamingen niet in staat zijn onze gedachten te doen ingang vinden”. In diezelfde jaren werd op Waalse socialistische congressen krampachtig, agressief en met clichématige anti-Vlaamse stigmatiseringen fel uitgehaald naar wat werd omschreven als “het Vlaamse imperialisme”, een voorafspiegeling van de naoorlogse mantra van l’Etat belgo-flamand.

In tegenstelling daarmee stoelden het Eerste Vlaams Socialistisch Congres in 1937 en de socialistische Guldensporenherdenkingen in 1938 en 1939 veeleer op “Vlaamsche eenheid naar den geest”, zoals de Brusselse socialistische senator, Gentse hoogleraar en Vlaamsgezinde literator en publicist August Vermeylen (1872-1945) het noemde, een soort voorafbeelding van de latere culturele autonomie.

In oktober 1945 koos het door socialisten beheerste Waalse congres ervoor om zich aan te sluiten bij Frankrijk, iets waar men weliswaar vrij snel op terugkwam. Nadien volgden de bewust antagonistische uitvergroting van het “contrast tussen het ‘fascistische Vlaanderen’ (van de collaboratie) en het ‘democratische Wallonië van het verzet’”, de in Wallonië bloedige ontknoping van de Koningskwestie in 1950 en de confrontaties tijdens de Schoolstrijd (1954-1958) onder een antiklerikale “paarse” regeringscoalitie.

Als gevolg van al die ontwikkelingen en gebeurtenissen groeide de Luikse vakbondsleider André Renard (1917-1962) tijdens de staking tegen de Eenheidswet in 1960-1961 van een christendemocratisch-liberale regering onder de leiding van Gaston Eyskens (1905-1988) uit tot “de tweede cultfiguur van het Waalse socialisme, na Jules Destrée”. Tegen de achtergrond van “desindustrialisering en een sociale catastrofe, te beginnen met de sluiting van niet langere rendabele steenkoolmijnen” in Wallonië, bepleitte hij een combinatie van federalistische en economische structuurhervormingen. Sindsdien is het (con)federalisme prominent aanwezig op de Belgische politieke agenda, mede omdat het ook in flamingantische kringen meer en meer opgeld maakte.

Het wettelijk vastleggen van de taalgrens in 1962-1963 betekende de definitieve en beslissende doorbraak van het territorialiteitsbeginsel, een ontwikkeling die de opflakkering en de afwikkeling van de strijd om Leuven Vlaams met zich meebracht en die in 1970 uitmondde in het begin van een reeks staatshervormingen die de centralistische Belgische staat zouden omvormen tot een federale constructie.

Daardoor verhoogden ook de Vlaams-Waalse spanningen binnen de BSP. Eerst en frontaal in Brussel, waar de Nederlandssprekende socialisten zich zodanig in de hoek gedrongen voelden dat zij zich afscheurden en zich in 1968 als Rode Leeuwen met een zelfstandige lijst aan de kiezer presenteerden. Ondertussen rommelde het ook binnen het Vlaamse socialisme, waar het “unitair immobilisme” van de generatie van nationaal ondervoorzitter Jos Van Eynde (1907-1992) meer en meer werd gecontesteerd door jongeren als Karel Van Miert (1942-2009). Die stelde dat hij “nooit goed had begrepen waarom de socialisten zich niet durfden voordoen als overtuigde Vlamingen”.

Dit boek bestrijkt de politiek-maatschappelijke geschiedenis van België tussen 1880 en 1980

Nadat respectievelijk in 1968 en 1972 de christendemocratische en liberale partijen waren uiteengevallen, trok de Luikse wallingant, nationale voorzitter en “onbetwiste leider van het Waalse socialisme” André Cools (1927-1991) er na de mislukking van het Egmontpact en de val van de regering-Tindemans II in oktober 1978 eigenmachtig de stekker uit. Dat de Vlamingen die aan het onderhandelen waren over de socialistische boedelscheiding dat via de radio moesten vernemen, was tekenend voor het gepolariseerde klimaat en voor de historische tweederangsrol van de Vlamingen binnen het Belgische socialisme. “Nadat gedurende een eeuw de nationale solidariteit had geprimeerd, was de ongelijke regionale ontwikkeling onoplosbaar geworden”, zo besluit Van Velthoven.

De Gentse emeritus-hoogleraar geschiedenis Herman Balthazar (1938) getuigde in het tijdschrift Samenleving en Politiek (2019/6) dat Harry Van Velthoven in zijn jongste publicatie “groot meesterschap” etaleert en dat in het bijzonder zijn analyse van de periode vanaf de jaren 1960, die zij beiden actief meebeleefden, “meesterlijk goede stukken” heeft opgeleverd. Net als Balthazar ben ik van mening dat Van Velthovens recente monografie “verplichte lectuur” is voor (Belgische) historici, politiek en historisch geïnteresseerden en politici, en niet alleen van socialistische signatuur. Wie vragen heeft bij de maatschappelijke relevantie van geschiedschrijving, wordt door Bevriende vijanden op superieure wijze van antwoord gediend.

Vanuit een volkomen beheersing van de materie borstelt Harry Van Velthoven een historisch fresco dat zijn onderzoeksthema zodanig overstijgt dat het zowat de hele politiek-maatschappelijke geschiedenis van België tussen 1880 en 1980 bestrijkt. Feitenrelaas, analyse, interpretatie en commentaar versmelten tot een diepgaande en breedvoerige synthese, inclusief tal van soms verrassende nieuwe inzichten en persoonlijk gekleurde terzijdes. De auteur hanteert bovendien een geëngageerd discours in combinatie met een essayistische schrijfstijl.

Dat alles maakt zijn jongste boek, net zoals Scheurmakers & Carrièristen. De opstand van de christendemocraten en katholieke flaminganten 1890-1914 uit 2014, tot een model dat hopelijk veel andere (Vlaamse) contemporanisten tot voordeel en voorbeeld strekt.

Harry Van Velthoven, Bevriende vijanden. Hoe de Belgische socialisten uit elkaar groeiden, Polis, Antwerpen, 2019, 292 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.