Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Hoe Adriaan van Dis op wandel gaat in zijn hoofd
0 Reacties
literatuur

Hoe Adriaan van Dis op wandel gaat in zijn hoofd

Veel lezers en critici menen dat Adriaan van Dis nauwelijks verhulde autobiografische boeken schrijft. Maar is het werk van deze ‘ikkenverzamelaar’ wel zo eenduidig? ‘De werkelijkheid van vroeger is fictie geworden.’

In hoeverre is het proza van Adriaan van Dis een vorm van autofictie of autobiografie? Hoeveel van het leven van de schrijver schuilt er in zijn boeken? Die vragen rijzen opnieuw bij Van Dis’ laatste roman, Naar zachtheid en een warm omhelzen (2023). Daarin beschrijft de verteller hoe hij als negenjarige een tijdje in het herenhuis van zijn grootvader logeerde, daar allerlei boeiende mensen ontmoette en vertroeteld werd door een lieve en vrijgevige huishoudster die hij Ommie noemde en die hem als enige niet met Adje maar met Adriaan aansprak.

Tegelijk kun je je afvragen of dat wel een zinnige probleemstelling is. Moeten we als lezer niet gewoon genieten van de manier waarop de verteller alle bovenstaande avonturen beschrijft? En hoe hij zestig jaar later op zoek gaat naar gegevens over huishoudster Ommie, en tegelijkertijd nadenkt over zijn verhouding tot zijn Amsterdamse dagelijkse, multiculturele omgeving?

Overigens gaat de roman niet alleen maar over een jongen die bij zijn grootvader Huibert en huishoudster gaat logeren omdat zijn vader in een “gesticht” zit, hij er zelf niet zo goed aan toe is en zijn moeder het te druk heeft in hun Noord-Hollandse zeedorp. De alwetende verteller kent ook de jeugd van Ommie, weet hoe zij huishoudster van de boerenweduwnaar werd en dat zij in de Tweede Wereldoorlog onderduikers herbergde. Bovendien is hij ervan op de hoogte hij hoe het met haar afloopt.

Daarnaast is Naar zachtheid en een warm omhelzen ook een boek over de beschadigde mensen die de jongen tegenkomt. Zoals de alcoholische meneer Van Look, die hem als een soort leraar helpt bij de taken die de schooljuffrouw uit het zeedorp opstuurt. Ook hebben we de vervallen Poolse kolonel die elke middag met zijn grootvader komt schaken en een eenbenige Italiaanse vrouw met een invalide zoontje. Het meest gefascineerd is de jonge Adriaan door de knappe Indonesische student Max, die communistische sympathieën heeft. De jongen wordt gebiologeerd door deze figuren: buitenbeentjes zijn ze, net als de mensen die de oudere verteller tegenkomt in zijn Amsterdamse omgeving.

Zoals vaak bij Van Dis gaat het vooral om de verbeelding van de negenjarige – hij wil graag dansen, en ook toneelspelen, het liefst in de rol van de held uit zijn favoriete boeken. De geheimen van het grote, grootvaderlijke huis, met plaatsen waar Adriaan niet mag komen, doen denken aan jongensboeken. De oorspronkelijke eigenaar van de verrekijker die hij mag lenen, blijkt een Tsjechische verzetsstrijder die met zes anderen ondergedoken was in de kelder van het huis. Ook de oorlog is bij Van Dis nooit ver weg, al is het een andere oorlog dan die van zijn ouders en halfzusters.

Naar zachtheid en een warm omhelzen geeft ook een boeiend tijdsbeeld van de zomer van 1956, vooral door de taal van de protagonisten en de naoorlogse sfeer: het spreken over “fall-out” en “Watersnood”, de vanzelfsprekende aanwezigheid van een BB-blokhoofd, lampetkannen en koffiemolens.

Kloppen de herinneringen wel?

Van Dis streeft ernaar dat zijn werk, waarin volgens hem “alles met alles samenhangt”, een eenheid vertoont. Dat doet hij door de oerscènes van zijn jeugd in het zeedorp steeds opnieuw te vertellen in romans en verhalen, telkens aangevuld vanuit een ander perspectief.

“Nathan was er nooit geweest, maar wel gemaakt. Zijn zusters waren er geboren, net als zijn vader en veel van zijn ooms en tantes. Indië was overal in huis.” Zo begint de novelle Nathan Sid, waarmee Van Dis in 1983 debuteerde. We vernemen dat het gaat om halfzusjes Jana, Ada en Saskia die met de moeder in een “jappenkamp” hebben gezeten en wier Indonesische vader in de oorlog door de bezetters is vermoord. Dat ze in een zeedorp wonen tussen andere repatrianten uit Nederlands-Indië, buitenbeentjes. Dat Pa Sid werkloos is, maar keurig gekleed gaat en als ex-militair tegelijk getraumatiseerd is én van zijn zoon kadaverdiscipline verwacht. Nathan is altijd bang. Zijn intensieve thuisonderwijs blijkt hem juist het tegendeel van een voorsprong te hebben opgeleverd. Pa Sid sterft aan griep. De zweverige Ma Sid heet eigenlijk Punt. Haar vader is een welgestelde herenboer.

Het “oerboek” Nathan Sid wordt in de loop der jaren aangevuld met nieuw werk, gecorrigeerd ook: kloppen de herinneringen wel?

In Indische duinen (1994) vertellen een halfzusje en een tante dingen die Nathan niet weet, net als een man die met de vader als dwangarbeider voor de Japanners moest werken. De verteller krijgt een envelop van zijn moeder waarin allerlei onbekende informatie is besloten. De welgestelde grootvader, de Taaie, blijkt een deel van een grote Brabantse boerenfamilie. Later is er sprake van een in het jappenkamp geboren broertje dat stierf en zijn naam aan de verteller heeft geschonken. De namen van de drie halfzusjes keren terug, maar Pa Sid heet nu Justin en moeder Lea.

Adriaan van Dis vult zijn oerboek ‘Nathan Sid’ steeds weer aan met nieuwe geschiedenissen. En hij corrigeert het ook: kloppen de herinneringen wel?

Het verhaal ‘Een waarze sat’ (1997) vertelt vooral over de middelbareschooltijd van Adje/Adriaan. Hij verwijst naar het jappenkamp, waarna zijn ouders alles kwijt waren. Hij wil toneelspeler worden en droomt veel van Indië, als gevolg van de verhalen die hij thuis aan tafel in Bergen aan Zee hoort. Zijn naam “verandert” van Mulder in Van Dis. Grootvader betaalde alles.

In Familieziek. Een roman in taferelen (2002) lijken de bovenstaande verhalen opnieuw te worden verteld, maar wel via het doortrekken van verhaallijnen naar latere periodes en het inzoomen op bepaalde gebeurtenissen, zoals een rit achter op de motor met de vader. De namen van de personages zijn weer anders. De verteller heet de jongen en zijn vader meneer Java. Daarnaast hebben we moeder, eerstezus, middelstezus en derdezus. De boerenfamilie blijkt getroffen te zijn door de watersnood van 1953.

Het procedé van aanvullen en corrigeren wordt het duidelijkst in Ik kom terug (2014). De moeder – Marie – vertelt dingen aan de zoon. Zijn ze waar, zijn ze niet waar? Hij herinnert zich gebeurtenissen uit zijn jeugd. Of worden die juist opgeroepen door wat de moeder vertelt? Hij hoort in Brabant allerlei dingen van en over Van Dissen. Herinnert zich zijn grootvader in het herenhuis en diens huishoudster. Ook na haar dood blijkt hij nog bang voor zijn moeder.

Vijf vrolijke verhalen (2021) bevat ‘Pannenman’ en ‘Vlagduin’. Het eerste verhaal zoemt in op de bewoners van het “gesticht” waarin de vader verbleef en het tweede is een ode aan het zeedorp met meer gedetailleerde aandacht voor de inwoners.

Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen gaat de verteller op zoek naar meer informatie, in archieven, brieven, fotoalbums en gesprekken met nabestaanden. Het personage Ommie, dat zoals hiervoor bleek niet uit de lucht kwam vallen, is daardoor een combinatie van nieuwe herinneringen met aanvullingen van eerder beschreven herinneringen en correcties daarop. Zo voegt Van Dis met elk nieuw boek iets aan zijn geschiedenissen toe, en verandert hij die tegelijk ook weer.

Open je kop, want de kolonie mept terug

De grote belangstelling voor mensen die aan de kant zitten waar de klappen vallen, is sinds het begin van deze eeuw een hoofdthema in Van Dis’ oeuvre. Daarbij verschuift de blik steeds meer van de buitenstaanders zoals de repatrianten in het zeedorp van vroeger, naar de buitenstaanders die de oudere verteller in Amsterdam tegenkomt. Het duidelijkst daarover is Van Dis in ‘Open je kop voor andere culturen’, de dankrede die hij uitsprak toen hij in 2022 zijn Nijmeegse eredoctoraat ontving, en in zijn begin 2024 verschenen essay De kolonie mept terug. Over witte arrogantie en voortschrijdend inzicht: een denkoefening en leesreis.

De grote belangstelling voor mensen die aan de kant zitten waar de klappen vallen, is sinds begin deze eeuw een hoofdthema bij Van Dis

Dit boekje is een uitgebreide versie van de (laatste) Rudy Kousbroek-lezing, die Van Dis in november 2023 hield. In drieëntachtig pagina’s geeft hij een boeiend en persoonlijk overzicht van de vele publicaties die de laatste jaren zijn verschenen over de (de)kolonisatie van Indonesië en andere landen en vooral hoe naast een bredere, inclusievere en betrouwbare kennis van die periode een geheel ander globaal perspectief is ontstaan.

Op het persoonlijke vlak wordt Van Dis tegelijk milder en kritischer over uit “Indië” gerepatrieerde mensen als zijn ouders en halfzusjes. Met name als hij in Parijs woont en ziet hoe uit Afrika afkomstige migranten “hun land van herkomst op markten en in koffiehuizen koesteren”, op manieren die in het betreffende land zelf al niet meer bestonden. “In Parijs begreep ik de repatrianten uit mijn jeugd beter: ook zij koesterden een verloren land in hun herinneringen.” Van Dis heeft ook medelijden met hen omdat zij hun uiterste best deden zich te aanpassen en desondanks werden gediscrimineerd.

Tegelijkertijd stond zijn familie aan de verkeerde kant van de geschiedenis: de moeder die danste met de door haar bewonderde generaal in Nederlands-Indië Simon Spoor en haar beide echtgenoten die als KNIL’er tegen hun landgenoten zouden hebben gevochten, als de eerste niet door de Japanners was onthoofd, en de tweede niet was afgekeurd voor militaire dienst.

Van Dis haalt de historicus Johan Huizinga aan, die al in 1935 constateerde dat de internationale handelscontacten ons eeuwenlang geestelijk hebben verrijkt. Zijn conclusie is dat wij ons moeten aanpassen aan de veranderende wereld om ons heen.

Die aanpassing was ook de boodschap van ‘Open je kop voor andere culturen’, grotendeels geschreven als een brief aan zijn – inmiddels overleden – halfzusjes. Daardoor herinneren we ons weer hoe de dood van de halfzusjes het herinneringsproces in werking stelt in Indische duinen, en hoe het overlijden van de moeder dat doet in Ik kom terug. Van Dis’ dankrede voor de Constantijn Huygensprijs, in 2016 bibliofiel uitgegeven als De ikkenverzamelaar, begint met de doodzieke jongste halfzus. Die zuster heette in werkelijkheid niet Saskia maar Vicky, zo werd in 2022 onthuld, net als Ada eigenlijk Sonja heette. Ook in deze gelegenheidstekst duikt de repatriantenjeugd in het zeedorp – zijdelings – weer op.

Ruw materiaal en verbeelding

De vraag aan het begin van dit artikel was in hoeverre Van Dis’ proza een vorm is van autofictie of van autobiografie. Toen ik een halve eeuw geleden in Leiden werd opgeleid tot literatuurwetenschapper was zo’n vraag uit den boze. Het werk stond immers centraal in de ergocentrische, structuralistische benadering die in Nederland populair werd door het tijdschrift Merlyn. Daarbij kwam nog dat Leiden niet alleen het bolwerk van de vrijheid was, maar ook van Forum, de literatuuropvatting van Ter Braak en Du Perron uit de jaren 1930 die zeer nadrukkelijk de vent (de schrijver en diens persoonlijkheid) stelde boven de vorm (het literaire werk op zich). En dat staat dus haaks op het alleen op het werk gerichte ergocentrisme. Vadermoordenaars werden we, maar aardige.

Wat later, na een opeenvolgende serie nieuwe modes in de literatuurwetenschap, wilden we geen benaderingen meer die alle vorige naar de mestvaalt van de geschiedenis verwezen. We verlangden een welgevulde gereedschapskist waaruit we voor elke individueel werk de passende instrumenten konden zoeken. Dus keken we naar de biografie van de auteur als die relevant materiaal leverde voor de interpretatie van een werk, materiaal dat we op een andere manier niet boven water konden krijgen. Bij de lectuur van Adriaan van Dis onthult zijn expliciet autobiografische informatie iets van de literaire ontwikkeling van de auteur.

In zijn non-fictietitels suggereert Adriaan van Dis hoeveel zijn jeugd lijkt op wat hij erover heeft verzonnen

De relatie tussen beide tekstsoorten is complex. Ten onrechte menen veel lezers en zo te zien ook critici dat het werk van Adriaan van Dis bestaat uit een nauwelijks verhuld corpus van autobiografische teksten, zeker wanneer de verteller Adriaan van Dis heet – zoals dat vanaf 2014 het geval is. De auteur relativeert dat vaak in zijn romans en verhalen zelf, of in nawoorden die bijna het karakter van een disclaimer krijgen. Tegelijk suggereert hij in non-fictie ook hoeveel zijn jeugd lijkt op wat hij erover heeft verzonnen. “Ruw materiaal”, zo omschrijft hij in Ik kom terug de dingen hij beleeft en die hij later naar believen kan verwerken. Maar dat ruwe materiaal kan in de loop van de tijd de receptie van het literaire werk beïnvloeden.

In 2010 verscheen de negentiende druk van Nathan Sid, die verlucht is met veel foto’s en een nawoord bevat dat verwijst naar de realiteit – zuster Jana heette bijvoorbeeld Nady. Drie jaar eerder al had Van Dis veel van zijn jeugd niet zozeer onthuld, dan wel op een feitelijke manier beschreven in de non-fictiebundel Leeftocht. Veertig jaar onderweg. Daarin nam hij op allerlei manieren expliciet afstand van een directe vorm van realisme in zijn fictie. In het stuk ‘Mijn dorp is een verzinsel’ heet het: “De werkelijkheid van vroeger is fictie geworden. Er zit voorlopig dus niets anders op dan in mijn hoofd aan het wandelen te gaan.” Zo heeft Bergen aan Zee geen vuurtoren, in tegenstelling tot Van Dis’ zeedorp.

In de tekst ‘Het idee van je leven’ vertelt Van Dis hoe hij als kind een schaduwhuis bouwde waar nooit ruzie was: “Met de pen het leven draaglijk maken – dat is het.” In dat verband moest ik denken aan Adje doet heel druk (2019), dat verscheen in de Gouden Boekjes-serie voor kinderen, met illustraties van Lotte Klaver. De titel verwijst naar een notitie in de marge bij Van Dis’ laatste rapport van de lagere school. Het kinderboek concentreert zich op de rijke verbeeldingswereld van de jongen, maar dan – opvallend – zonder de angsten. Een schaduwhuisje dus.

Over verhalen vertellen schrijft Van Dis in ‘Leugenland’: “Herinneringen aan een verleden waar ik geen toegang toe had. Een Indië dat ik zelf heb verzonnen.” En in Een deken van herinnering (1998) heette het al: “Het verleden zat in een fotoalbum. Indië werd aan tafel opgediend.” Een laatste voorbeeld: aan het eind van In het buitengebied. Een roman in verhalen (2017) begint een veelzeggende noot met de stelling: “Niet alle verbeelding is autobiografisch.” Ergens in een buitengebiedse boekenkast staat de titel Indische tuinen. Misschien is die d-t-wisseling wel het kortste voorbeeld van hoe Adriaan van Dis de werkelijkheid verandert: net een beetje.

In dat licht is er ook de interessante ontwikkeling die het personage Pa Sid uit de eerste boeken doormaakt – in later werk heet hij Victor Justin Mulder. Deze vaderfiguur krijgt steeds meer dimensies dan louter die van de man die voedsel tegen de muur smeet, zijn zoon sloeg en dwangmatig moest tellen. We vernemen uiteindelijk dat ook hij een getraumatiseerd slachtoffer is: niet alleen door het jappenkamp, maar ook door zijn jeugd. Die diagnose wordt door Van Dis’ non-fictie ondersteund. Ontroerend is dan ook hoe de jongen zich aan het eind van Familieziek probeert te verbeelden dat zijn ouders zich verzoenen. Verbeelden. In Naar zachtheid en een warm omhelzen vertelt Ommie de jongen over de zachte kant van zijn vader: “Hij houdt van jullie allemaal.”

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.