Publicaties
‘Het leven en de dood in den ast’ van Stijn Streuvels: alleen een schrijver kan de schijn ophouden
0 Reacties
© Filip Claus
© Filip Claus © Filip Claus
literatuur

‘Het leven en de dood in den ast’ van Stijn Streuvels: alleen een schrijver kan de schijn ophouden

Misschien wel hét hoogtepunt in het oeuvre van Stijn Streuvels is de novelle Het leven en de dood in den ast. Het is een tragedie zonder loutering, waarover de schaduw van het noodlot hangt. En de lezer zit op de eerste rij.

Het leven en de dood in den ast begint met een paukenslag:

De schuur met de dubbele poortluiken breed open, gelijkt een toneel waar, in de gapende diepte, door haveloze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd.

Dan wijkt de blik terug. Het blijkt om een bijzonder toneel te gaan:

Het gebouw staat er eenzaam op de verlaten vlakte; het toneel zonder toeschouwers, en de spelers doende achter een watermist, die ’t al omdoezeld houdt.

Dat kan tellen als expositio, als uiteenzetting van een situatie, uitstalling van de ingrediënten van een stuk. Het gaat weliswaar om een opvoering zonder publiek. De acteurs zijn doende, maar wat ze precies doen, blijft verborgen. Toch kan een tipje van de sluier worden opgelicht, kan de aard van de handeling – mechanisch, niet eindigend – nog wel worden verduidelijkt:

De mannen vervullen elk zijn aangewezen rol, – handeling welke ineensluit als een geordend werktuig dat in ’t ijle draait – een schouwspel dat in ’t tijd – en ruimteloze afspint.

Met deze drie precieze en inslaande zinnen begint deze novelle. Alles staat klaar voor een tragedie zonder loutering, een eenakter waarin de protagonisten blind en stom zullen blijven. Het geheel wordt bij elkaar gehouden door een alwetende verteller. En de lezer zit op de eerste rij.

De eenheid van tijd, plaats en handeling is gegarandeerd. We komen niet meer weg uit het huis clos van de schuur, die een ast (een plaats waar arbeiders chicoreiwortels drogen) blijkt te zijn, tenzij dan in de verhalen, gedachten en dromen van drie arbeiders.

Een avond en een nacht

Het verhaal speelt zich af in een avond en een nacht. De tijd wordt gescandeerd door het werk dat gefaseerd verloopt, en zich telkens herhaalt: de wortels worden gemalen, naar de zolder gebracht waar ze gedroogd worden. Intussen moet het vuur in de ovens onder de droogvloer brandend worden gehouden en moeten de gedroogde wortels in zakken weer naar beneden worden gebracht.

Tussen de bedrijven door kunnen de arbeiders rusten. Dan komen de verhalen en gedachten, de dromen even vrij.

Wie zijn de personages? Van de zes doen er twee eigenlijk niet mee. Het zijn de jongste, de Maf en Lot. Ze verdwijnen op hun enige, vrije zondagavond naar het dorp. Ze dienen als contrast voor de achterblijvers die de ast draaiend houden: de oude en pezige Blomme, de opperdroger Hutsebolle en de sukkel Fliepo.

Knorre, een zwerver, die men vroeger een landloper noemde, struikelt ’s nachts binnen, op zoek naar droogte en warmte. Hij zal als een blok in slaap vallen en in de ochtend dood blijken te zijn.

Tijd verstrijkt, liefde vervaagt

Hij is de chiquenaude initiale, dat tikje, duwtje, stootje dat in een tragedie alles in gang zet, alles tot stand brengt, de katalysator. Maar hier brengt hij alleen een inzicht tot stand. Een inzicht dat niet loutert, niet tot een verandering van gedrag leidt. Want de nooit eindigende arbeid roept. Ze houdt de werkers in het gareel, dwingt hen tot samenwerken, ook al levert die samenwerking geen solidariteit op, laat staan begrip.

Blomme, Hutsebolle en Fliepo uiten zich niet, geven geen stem aan hun innerlijk. Ze durven en kunnen niet. Zich uitspreken is onmogelijk. Individuum ineffabile. En de repetitieve arbeid is mechanisch, machinaal en dus verdovend, vervreemdend: het vullen van een vat zonder bodem.

In 2015 heeft men de teksten van Bob Dylan in een IBM-computer gestopt die Watson heet en natuurlijke talen verstaat. Na een analyse van de belangrijkste thema’s kwam Watson op de proppen met de volgende samenvatting van de lyrics van de bard: “Time passes and love fades.” Als dat niet hét thema is van alle literatuur. En dus ook van Het leven en de dood in de ast.

Blomme en Hutsebolle graven in hun verleden om terug te keren met de zekerheid dat de tijd is voorbijgegaan, dat hun jeugd voorbij is, dat ze gevangen zitten in een huwelijk en een dagelijkse routine. Dat de liefde is vervaagd.

A play within a play

De schrijver vergast ons in deze novelle op een opmerkelijk intermezzo, een toneel in het toneel. Als de nacht is neergedaald en de spelers – uitgeteld, geveld – in slaap liggen, toont de enige die wakker is gebleven – de verteller – hoe de muizen te voorschijn komen om in een frenetieker wordend ritme hun spel te spelen, het leven te vieren. “De mannen van niemendal” en “de vette renteniers” gaan op zoek naar eten. De dierenwereld aapt de mensenwereld na. Na het bevredigen van de primaire lusten “begint de leute en de zottemarterije”.

De schrijver put zich uit in een overdaad van altijd weer nieuwe, vreemde, eigen woorden om dat spel, dat verhevigde leven te beschrijven en op te roepen voor de lezer die geen toeschouwer is maar toch getuige.

Een vodde die valt

Alleen hangt over dit spel een schaduw, die van het Noodlot, dat als een hakbijl zal neerdalen. Een uil ploft, “evenals een vodde die valt”, van de hanenbalk op het gewoel neer, en klauwt drie muizen mee. Het spel van graaien, genieten en elkaar belagen is bruusk uit. Exit.

Hoe moeten we dit play within a play dat niemand in de ast heeft opgemerkt, tenzij wij, begrijpen? Het is geen één op één spiegeling met wat zich in de ast afspeelt. De dood van Knorre is niet die van een willekeurige muis. Misschien moeten we juist geen analogie zoeken. Misschien heeft W.F. Hermans ongelijk als hij beweert dat er in een roman geen mus van het dak valt zonder dat het een gevolg heeft. Misschien vallen mussen gewoon van daken. Zonder doelgerichtheid. En in een ast woont een uil.

We kunnen alleen heel algemeen zeggen dat in het tussenspel de algemene condition humaine (graaien, genieten, elkaar belagen, bruusk en onverklaarbaar, onvoorspelbaar ooit afgesneden door de dood) resoneert in de specifieke situatie van de ast: die van enkele mensen die gevangen zitten in de driehoek van arbeid, waken en dromen. De arbeid verdooft; het waken bevrijdt niet; de dromen verlossen niet.

Ongerief van woorden

Even gloort een ommekeer (peripeteia), zelfs katharsis, een louterend inzicht. De dood van de landloper die zijn vrijheid is gevolgd, confronteert hen met de schamelheid van hun eigen bestaan, hun gevangenis. Misschien kan hun leven nu een andere wending krijgen. Maar als de arbeid in de ochtend mechanisch wordt hervat, verdwijnt dat perspectief opnieuw.

De ontoereikendheid van elk spreken over het diepste zelf komt samen met dag weer tevoorschijn. Onherroepelijker dan ooit. Alleen onvermogen blijft achter: onvermogen zelfs om het onvermogen uit te spreken.

Alleen onvermogen blijft achter: onvermogen zelfs om het onvermogen uit te spreken.

De Griekse sofist Gorgias wist het al: er bestaat niets. Zelfs als er al iets was, zouden we het niet kunnen kennen of bevatten. Zelfs als we het zouden kunnen bevatten, zouden we het niet kunnen meedelen aan elkaar.

Alleen de schrijver kan de duur van een novelle lang de schijn ophouden. De schijn ophouden – dat is literatuur. Tot het doek valt, de poorten van de schuur dichtklappen, van die ene ast, daar ergens, monumentaal neergegooid in een vlakte.

Meedogenloze conclusie

De novelle – die onder het motto van de psalmist is gestart: “Doch ik - een worm en geen mens, // spot der schare, veracht door het volk.” (Psalm XXII, 7, vertaald door Ida G.M. Gerhardt en Marie H. van der Zeyde) – eindigt abrupt met een omineuze vaststelling:

Als achter een gesloten wand zullen ze elk hun ondervinding verdoken houden, met zich omdragen. ’t Geen zij in gesprek er over loslaten, zijn enkel de oppervlakkige beschouwingen en nietsbetekenende bijzonderheden; van ’t geen in de diepere lagen van hun onderbewustzijn begraven ligt, kunnen ze elkander niets mededelen, – ’t geen ze met ongerief van woorden, zouden willen uitkramen, moet noodzakelijk vals klinken, een averechtse betekenis krijgen, verkeerd begrepen worden; met een dubbelzinnig hart uitgesproken, zou het tot niets anders dienen dan om zichzelf te misleiden en spot te verwekken.

De conclusie is meedogenloos en stemt tot wanhoop voor de wormen die Blomme, Hutsebolle en Fliepo zijn (en binnen afzienbare tijd ook de jonge Maf en Lot). Er is geen verlossing. Alleen de literatuur krijgt het gezegd: zij spreekt niet dubbelzinnig, misleidt zichzelf niet en wekt geen spot. Is zij dan onze enige verlossing?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be