Publicaties
Het geheugen van Gent in Nederland
0 Reacties
literatuur
geschiedenis

Het geheugen van Gent in Nederland

Nederland heeft heel wat sporen nagelaten in Gent. Maar hoe zit het met de Gentse invloed en aanwezigheid in Nederland? Heel pover, zegt Elsbeth Etty. Ze ondernam een zoektocht in de voetsporen van Multatuli, Edward Anseele, Henriette Roland Holst en Willem Wilmink.

Een half jaar geleden viel mij de eer te beurt om in het stadhuis van Gent de 35ste Pacificatielezing te houden, gewijd aan Multatuli. Bij de voorbereiding daarvan stuitte ik op ik op het boek Het geheugen van Nederland in Gent door Johan Decavele en Herman Balthazar. Dit boek deed bij mij de vraag rijzen hoe het eigenlijk gesteld is met het geheugen van Gent in Nederland.

Niet al te best, vrees ik. Want zelfs voor mij die zich de afgelopen jaren intensief heeft beziggehouden met schrijvers die een band hadden met Gent – te weten Multatuli, Henriette Roland Holst en liedjesschrijver/dichter Willem Wilmink - bevatte Het geheugen van Nederland in Gent veel nieuws.

In zijn bijdrage ‘Multatuli in Gent’ beschrijft Balthazar een lezing die de auteur van de Max Havelaar hier in 1867 hield op uitnodiging van het Gentse Van Crombrugghe Genootschap.

Voor een nokvolle zaal, versierd met Nederlandse en Belgische vlaggen begeleid door koorzangen van het kinderkoor van de katoenfabriek Parmentier van Hoegaerden, sprak Multatuli voor een begeesterd publiek “over het recht om een gevoelen af te keuren”.

De zaak kreeg een nazinderende bekendheid door een tumultueus incident dat ontstond tijdens het debat. De [...] Utrechtse hoogleraar George Willem Vreede was bij de gouverneur gaan dineren en kwam laat, wellicht wat beneveld, de zaal binnen. Hij meende dat Douwes Dekker het weer eens had over de Nederlandse misdaden tegen de Javaan en opende meteen een grote scheldpartij. Het kostte nogal wat verzoenende moeite om het misverstand uit de wereld te helpen. Het incident en de vele polemische commentaren in alle kranten zorgden er in elk geval voor dat Multatuli’s optreden niet vergeten geraakte.

Voor mij was deze passage aanleiding om me te verdiepen in dat Van Crombrugghe Genootschap. Ik ontdekte dat de leden ervan zo enthousiast waren over ‘de geniale Multatuli’ zoals hij in de notulen van een vergadering werd genoemd, dat ze hem onmiddellijk tot erelid benoemden. Ook kwam ik te weten dat in het fraaie 18de-eeuwse Genootschapsgebouw aan de Huidevetterskaai een Multatuli-eetcafé werd gevestigd.

En ik leerde dat er nog veel meer in Gent is dat aan Multatuli herinnert.

In 1877 doopten jonge Gentse socialistische arbeiders hun toneelgezelschap om tot ‘Multatuli’s Kring’ en later tot ‘Multatuliteater’ dat nog altijd actief is. Als zeventienjarige speelde Herman Balthazar himself bij deze toneelgroep de rol van Masco, de stroper uit Cyriel Buysses Het Gezin van Paemel. Twee jaar geleden deed hij zelfs nog mee aan een door het Multatuliteater opgevoerd stuk van Bertolt Brecht.

In een interview vertelde Balthazar daarover:

Mijn vader, die overleden is toen ik 7 jaar was, speelde voor de oorlog in de Multatuli. Hun allereerste voorstelling onmiddellijk na de bevrijding in 1944 vond plaats in Ons huis op de Vrijdagsmarkt in de Anseelezaal. Het was een reeks eenakters van Bertolt Brecht. Het is eigenlijk omwille van de herinnering aan mijn vader die ik bijna niet gekend heb, dat ik in die Multatuli-kring ben gaan spelen.

Dit lezende begon ik mij een beetje beschaamd te voelen. Want zoveel als er in Gent te vinden valt over Nederland en Nederlanders, zo weinig kennis hebben wij van Gent en Gentenaren. Vrijwel geen Nederlander heeft bijvoorbeeld ooit gehoord van Ons Huis op de Vrijdagmarkt, laat staan dat iemand weet wie de naamgever was van de Anseelezaal.

Als biograaf van Henriette Roland Holst wist ik dát nou toevallig wel.

Henriette Roland Holst was behalve een bekend dichteres ook een vooraanstaand lid van de SDAP, de Sociaal Democratische Arbeiderspartij. In die hoedanigheid ontmoette ze in 1900 als jonge vrouw van nog geen dertig haar veertien jaar oudere Gentse partijgenoot Edward Anseele op een congres van de Tweede Internationale in Parijs.

In haar verslag in de partijkrant Het Volk bekende ze dat dit congres een lichamelijk gevoel in haar had opgewekt. Zoals een hartstochtelijk verliefde vrouw over haar minnaar vertelt, beschreef ze welke indruk de leiders van de internationale arbeidersbeweging op haar hadden gemaakt. Anseele noemde ze “een kind van het volk met in zich al de kracht, al de begeerlijkheid van dat volk.”

Nou, u begrijpt dat ik niet kon wachten om in Gent het standbeeld van Anseele op het Frankrijkplein te gaan bezichtigen. Maar daar aangekomen schrok ik me dood. Op het vijf meter hoge granieten beeld van Jozef Cantré torent de in werkelijkheid kleine, tengere Eedje Anseele als een gigantische macho uit boven een rijtje kleinere figuren. Voorop een vrouw die bijna bezwijkt onder de machtige arm van de socialistische voorman. Uiteraard symboliseren de figuranten het werkvolk, door Anseele beschermd met zijn gestrekte arm die hen tevens de weg wijst naar hun toekomst.

Net als Henriette Roland Holst kreeg ik bij het aanschouwen van dit beeld een lichamelijk gevoel: maar het was het onaangename gevoel waaruit intussen de #MeToo-beweging is voortgekomen. Maar goed, daar kan die arme Anseele natuurlijk niets aan doen, zoals Multatuli het niet kan helpen dat zijn standbeeld in Amsterdam bij bepaalde toeristen verkeerde associaties oproept. Die reusachtige bronzen buste van een vervaarlijk kijkende kerel in aanvalshouding rust op een enorme sokkel van roze marmer waarop in grote goudkleurige letters ‘Multatuli’ staat. Dagelijks zie je er hordes schaterlachende Finnen selfies maken. Niet omdat ze zo graag op de foto willen met de man die veel geleden heeft, maar omdat multa tuli in het Fins betekent: ‘Ik ben klaargekomen’.

In het boek Het geheugen van Nederland in Gent las ik ook een mij onbekend verhaal over het in opdracht van Anseele gebouwde Stadhuis der Werklieden, ofwel 'Ons Huis' op de Vrijdagmarkt. Daar liggen de voetstappen van honderden Nederlandse socialisten, waaronder ongetwijfeld die van Henriette Roland Holst.

Onder de kop ‘De bedevaart van Nederlandse socialisten naar Gent’ beschrijft Herman Balthazar dat de SDAP in augustus 1903 een bijzondere trein charterde om met maar liefst 815 partijgenoten het pas geopende Volkshuis aan de Vrijdagmarkt te bezoeken. Die bedevaart inspireerde de SDAP-leden zodanig dat ze een paar maanden later aan de Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht ook een Volkshuis openden. Henriette Roland Holst wijdde er een groot stuk aan in Het Volk met als titel ‘Het huis der arbeiders’.

Haar artikel begon zo:

Een paar drukke straten door, een stil deftig grachtje. Hier staat het huis, het uwe en het mijne, kameraad: het ónze. Niet gebouwd voor proletariërs werd, wat nu door proletariërs in bezit is genomen.

Binnen gonst het. Warm en vol en rookerig en gezellig is het. Hier is ieder als onder vrienden, werkers aan ’t zelfde werk, bouwers aan dezelfde levensbouw zijn wij.

Ze besloot haar lofzang op het Utrechtse Volkshuis met de opmerking: “In Amsterdam zijn wij nog niet zover. Maar we zullen óók zover komen – het moet.”

Helaas: Amsterdam is geen Gent en Pieter Jelles Troelstra geen Anseele: het is er dan ook nooit van gekomen. En het Volkshuis in Utrecht is een stille dood gestorven.

De Gentse inspiratie heeft al met al weinig sporen nagelaten in Nederland. Het is bij ons behoorlijk slecht gesteld met het geheugen van Gent. Wij hebben dan ook geen naar een beroemde Vlaamse schrijver genoemd toneelgezelschap of eetcafé. Ik heb in elk geval nog nooit gehoord van bijvoorbeeld het Maeterlinck Theater of van Brasserie Maeterlinck. Alleen de Rotterdamse ‘Bouwspeeltuin Maeterlinck’ herinnert aan deze Franstalige Gentenaar die in 1911 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg.

Vergeten is de enorme invloed van Maurice Maeterlinck op Nederlandse kunstenaars en intellectuelen in het fin de siècle. Ook Henriette Roland Holst liet zich als beginnend dichteres door hem inspireren. In 1894 bezocht ze de voorstelling Pelléas et Melisande in Den Haag, waar ze dolenthousiast over was. Eenmaal socialist geworden schilderde ze hem weliswaar af als ‘de dichter van de stervende bourgeoisie’, maar dat kan toch geen reden zijn om een speeltuin naar hem te vernoemen waar kinderen hutten mogen bouwen met hamers en spijkers.

Hoe het ook zij: Henriette Roland Holst is zich altijd verbonden blijven voelen met Gent, waar ze net als Multatuli een erelidmaatschap aan overhield. Niet van het Van Crombrugghe’s Genootschap, maar van de eerbiedwaardige Koninklijke Vlaamsche Akademie voor Taal- en Letterkunde. Die eer viel haar te beurt in 1931, het jaar dat haar boek over Guido Gezelle verscheen.

Tot een Gents erelidmaatschap heeft de in 2003 overleden dichter en tekstschrijver Willem Wilmink het niet gebracht. Maar hij zou het zeker verdiend hebben. Uit mijn aan hem gewijde biografie In de man zit nog een jongen blijkt zijn liefde voor deze fantastische stad, die hij vele malen bezocht. Die liefde komt tot uiting in zijn liedjes, jeugdboeken en vertalingen van Middelnederlandse teksten, zoals de deels in Gent spelende hoofse tragedie De burggravin van Vergi. In zijn in de Middeleeuwen spelende jeugdboek Rutgers reis, vergelijkt hij de oude textielstad Gent met het Enschede van zijn eigen jeugd. Wilminks vader werkte bij een Enschedese textielfabriek en werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw een van de eerste slachtoffers van de tragische teloorgang van de Twentse textielindustrie.

Het boek Het geheugen van Nederland in Gent eindigt met het hoofdstuk: ‘Hoe populair is Gent bij de Nederlanders?’ Het eerlijke antwoord luidt dat “de bekendheid van de stad bij de modale Nederlander vooral is te danken aan de razend populaire tv-serie Flikken Gent. Het hoge realiteitsgehalte van het wel en wee van het Gentse politieteam van het commissariaat aan de Belfortstraat en niet het minst ook het mooi in beeld gebrachte historische stadscentrum: ze zijn sedert 1999 een onbetaalbare toeristische promotie voor Gent in Nederland."

Hoe het vóór die tijd was met de populariteit van Gent blijkt uit het rond 1983 geschreven gedicht ‘Op doorreis in Vlaanderen’ waarin Willem Wilmink zijn onbegrip uitsprak voor de onterechte gebrekkige Nederlandse interesse in Gent en andere Vlaamse steden:

Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk
voor vakantie en vertier.
Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen
en ik ben haar passagier.
Meid, waarom zo ver gereden,
waarom blijven we niet hier,
waarom blijven we niet in Vlaanderen
met zijn duizend soorten bier?
Hier zijn middeleeuwse steden,
majesteitelijk en fier,
hier schiep Brueghel zijn taferelen
van het landvolk aan de zwier,
hier schiep Rubens vrouwenbillen
die getuigen van plezier,
in het landschap van Stan Ockers
en van Peerke Pollentier.
Weet je soms nog witter bloemen
dan de hagelwitte vlier,
zijn er ergens hogere bomen
dan de Vlaamse populier?
Smalle huizen op de velden:
ieder huis de pionier
van een nooit voltooide hoofdstraat
in een nooit gebouwd kwartier.

Vlaanderen, Vlaanderen, door welk noodlot,
door welk wonderlijk bestier
word je steeds voorbijgereden,
worden al je mooie steden,
Brugge, Antwerp, Gent en Lier,
tot op heden steeds gemeden,
waarom blijft er niemand hier?

Beluister hier de lezing van Elsbeth Etty.

Een versie van deze tekst werd op 14 mei 2019 uitgesproken tijdens ‘Mijn ziel erkent het oude Gent’, het colloquium waarmee Ons Erfdeel vzw afscheid nam van de voorzitter van haar raad van bestuur, Herman Balthazar. Hier vindt u de overige teksten en podcasts van die bijeenkomst.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be