Publicaties
Haan
0 Reacties
© Rijksmuseum / Marianne Hommersom
© Rijksmuseum / Marianne Hommersom © Rijksmuseum / Marianne Hommersom
Oude werken, jonge schrijvers
literatuur

Haan

deBuren vroeg achttien jonge schrijvers uit Vlaanderen en Nederland om eeuwenoude topstukken uit de Eregalerij van het Rijksmuseum een stem te geven vanuit één kernvraag: wat zie je als je door een genderbril naar deze schilderijen kijkt? Mona Thijs laat ons opnieuw kijken naar het Joodse bruidje van Rembrandt: wat zag de schilder in zijn modellen? ‘Tussen zijn dikke wenkbrauwen zit nu de frons van een geneesheer.’

Mijn armen bezwijken bijna onder het gewicht van mijn pofmouwen, maar ik hou mijn slapende hand stevig op Clara’s warme borst. Ze staat muisstil in haar bloedrode jurk. Het is gek om haar niet wild rennend in haar stoffen schort te zien, terwijl ze straatkippen achter zich aan heeft. Haar hart klopt opgefokt. Stil, denk ik iedere keer.

Niemand weet ervan, alleen wij en hij. En Carolus. Die stootte een kreet uit, toen ik vandaag voor dag en dauw door het achterpoortje wegsloop. Ik siste naar hem: “Hou je bek.” En dat deed hij, die volgzame haan.

Mijn hoofd tolt van de honger, maar ik zou iedere gebraden kip afslaan om hier nog uren te mogen staan, naast Clara. Ik zie hoe hij ruw de verf mengt, alsof hij de wereld opnieuw schept, op zijn palet. Ik kan niet geloven dat hij ons wil schilderen, twee meisjes samen. Hij heeft ons toch gezien bij de mesthoop, die avond. Hoe we ongemakkelijk onze jurken dichtknoopten.

Hij heeft ons niet kreupel geslagen. Hij zei helemaal niks. Als een jongetje begon hij beetjes mest in een potje te lepelen. Waarschijnlijk was hij gefascineerd door de kleur. Clara fluisterde: “Pst, hij is het.” Ze tikte hem brutaal op de schouder: “Zijn wij het waard om geschilderd te worden?” Zijn lippen gingen geamuseerd van elkaar. Als datzelfde jongetje knikte hij, en het voelde alsof hij ons geheim naar zijn eigen schouders overtilde.

En waarom zou hij dat doen, de grote schilder?

Vanuit mijn ooghoek zie ik zijn blik van mij naar Clara glijden. Zijn ogen lichten op. Ze spant haar lippen ondeugend aan en slaat haar dikke paardenwimpers neer. Het weerkaatsende kaarslicht in haar parelsnoer en ringen werpt een glans over haar huid. Ze moet aartsmoeilijk zijn om te schilderen, maar bij haar windt hem dat op. Dat zag ik al bij die mesthoop. Ook al deed hij alsof het een pact was tussen ons drieën.

Hij vindt het vast doodzonde, dat ze iets in een meisje ziet. En dan nog in een meisje als ik, met stroharen onder een te grote hoed en dunne lippen. Zijn blik glijdt naar mijn borsten. Mijn gezicht wordt klam. Clara raakt kort mijn hand aan. Stil maar.

Traag heft hij zijn arm naar het doek, alsof het een verschrikkelijke opgave is die borsten te schilderen. Net voor het doek blijft zijn penseel hangen. Hij kijkt mij opnieuw aan. Tussen zijn dikke wenkbrauwen zit nu de frons van een geneesheer.

Carolus staat weer voor me, als haantje nog. Mijn mollige handjes die hem bij zijn nekvel pakken en hem onder mijn rok op mijn onderbuik drukken, alsof hij mijn buurmeisje is. En daarna de stukjes brood om hem te sussen. Stil maar Carolus. Ik ben ziek.

Hij beweegt zijn penseel opnieuw naar zijn palet. Hevig mengt hij de kleuren tot een soort bruin. Ik meen mest te ruiken. Ik zie zijn frons, het puntje van zijn tong tussen zijn lippen. Dan begint hij vastberaden te schilderen. Ik weet dat hij denkt dat hij mij beter kan maken.

Reeks:

Oude werken, jonge schrijvers

Gewone mannen

De tweede blik

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.