Gezellige mensen stoken kolen – of was het nu gas? Hoe emotie en erfgoed het energiedebat oppoken
Gas is gezellig en oer-Hollands, hoor je in het verhitte Nederlandse debat over de energietransitie. Wie het verbiedt, pakt een thuisgevoel af. Nog niet zo lang geleden was het precies andersom: stoken op kolen, dát hoorde bij de Nederlandse identiteit. Zulke verwijzingen naar ‘thuis’ en naar het verleden in hedendaagse kwesties zijn nooit onschuldig, schrijft erfgoedspecialist Ernst van den Hemel (Meertens Instituut) in een essay uit de bundel Venster op thuis. Gezelligheid ontleed, over hoe veelzijdig en veranderlijk ‘thuis’ is. Een voorpublicatie.
Een jongen fietst over een dijk door een winterlandschap. Op het ijs wordt geschaatst. De zon is aan het ondergaan en het wordt al donker. De jongen komt binnen, hangt zijn muts en winterjas aan de kapstok en gaat aan tafel zitten waar een pan op het vuur wordt gezet. De camera zoomt in op het gasfornuis, waar een blauwe gasvlam aanvonkt onder de pan met stamppot en rookworst. De eetkeuken wordt gevuld met een warme gloed terwijl het gezin zich genoeglijk aan de warme maaltijd zet. Het is zomaar een reclame zoals er de afgelopen decennia vele verschenen zijn: of het nu gaat om het bord stamppot, een pot Douwe Egberts-koffie, erwtensoep of rookworst, de blauwe gasvlam is een graag gebruikt beeld in reclames om een warm en typisch Nederlands thuisgevoel op te roepen.
Wat op het eerste gezicht slechts een sfeervol reclameshot lijkt – een pan op een gasvlam als symbool van huiselijkheid – onthult bij nadere beschouwing een dieper maatschappelijk patroon. De blauwe gasvlam is meer dan alleen een teken van warmte en gezelligheid; zij is ook een geladen symbool geworden in het debat over de klimaattransitie. Verschillende spelers in de maatschappij mobiliseren de gasvlam als vertrouwd, huiselijk icoon voor uiteenlopende doeleinden. De gasvlam biedt zo toegang tot een bredere culturele strijd: wie bepaalt wat als “thuis” voelt, en wie ervaart veranderingen als een aanval op dat gevoel? In dit artikel zet ik eerst uiteen hoe de gasvlam in het heden als omstreden symbool gebruikt wordt, vervolgens bespreek ik waar dat symbool vandaan komt, om te besluiten met enkele bespiegelingen over hoe het thuisgevoel een rol speelt in energietransities.
Protest tegen het ‘aardgasverbod’
In de discussies over klimaatverandering, of het nu gaat om het omarmen van maatregelen tegen klimaatverandering, of juist het verzet daartegen, worden niet alleen cijfers over CO2-niveaus of energierekeningen gebruikt: er wordt vaak ook een beroep gedaan op emotie. Ook protest tegen klimaatmaatregelen wordt regelmatig gepresenteerd in emotievolle symboliek. Zo wordt de toekomst door de een geschetst als een duistere dystopie waarbij men achter torenhoge dijken probeert te overleven in een permanent ontregeld klimaat, door de ander als een dystopie waarin “we” insecten moeten eten en niet meer mogen barbecueën van de “woke gedachtepolitie”.
In dergelijke gepolariseerde beeldvormingen speelt het begrip “thuis” een belangrijke rol. Het thuisgevoel is een veelgebruikte dimensie wanneer mensen de ernst van klimaatverandering willen overbrengen. Klimaatverandering bedreigt het Nederlandse thuis door stijgende zeespiegels. Maar ook klimaatsceptici beroepen zich op een thuisgevoel: maatregelen die klimaatverandering moeten tegengaan, worden gepresenteerd als een aanval op het huis van de gewone Nederlander. Het is tegen deze achtergrond dat de blauwe gasvlam een opvallende rol speelt. Neem bijvoorbeeld de campagne van de conservatieve, traditionalistisch-katholieke organisatie Cultuur onder Vuur die, naar eigen zeggen, in de bres springt voor Nederlandse tradities, de christelijke cultuur en het belang van het gezin.
Onder meer op haar site zet de organisatie Cultuur onder Vuur de blauwe gasvlam in als een symbool voor een bredere strijd van de gewone Nederlander tegen de ‘Groene Lobby’ In de afgelopen jaren heeft Cultuur onder Vuur zich ontwikkeld als een polariserende stem in Nederland, die met socialemediacampagnes en de nodige media-aandacht actievoert rond onderwerpen als Zwarte Piet, de vermeende seksualisering van kinderen in seksuele voorlichting op scholen, wat zij de “Groene Lobby” noemen. Als onderdeel van dit laatste dossier voeren zij actie met flyers waarop een grote blauwe gasvlam staat afgebeeld, voorzien van teksten als:
Nederland wordt geplaagd door een heuse Groene Lobby. Grote bedrijven, politieke partijen en linkse actiegroepen vinden elkaar in één doel: de Nederlandse burger richting een brave green world brengen. Een wereld zonder vleeseten, dieselauto’s en cv-ketels. Een wereld zonder de burgerlijke vrijheid en zelfstandigheid die Nederland van oudsher kenmerkt.
Op rechts-conservatieve websites wordt aardgas neergezet als iets moois, schoons en als een bron van trots voor de natie: ‘de gasvlam van de Noordzee zal branden als nooit tevoren!’
De gasvlam functioneert hier als symbool voor een bredere strijd van de gewone Nederlander tegen de “Groene Lobby”. Cultuur onder Vuur plaatst de gasvlam op de voorkant van hun flyers, en somt een reeks voorbeelden op van alledaagse gebruiken die volgens hen dreigen te verdwijnen. De directe aanleiding van deze campagne was de Nederlandse beleidsambitie om Nederland tegen 2050 aardgasvrij te maken. In de Energieagenda 2050 worden naast klimaatambities ook toekomstbeelden geschetst van de wereld anno 2050:
Elektriciteit wordt dan duurzaam opgewekt, gebouwen worden voornamelijk verwarmd door aardwarmte en elektriciteit, bedrijven hebben hun productieprocessen aangepast, er wordt niet langer op aardgas gekookt en er rijden vrijwel alleen maar elektrische auto’s.
Het is voor tegenstanders van “het aardgasverbod” een dystopische toekomst vol overheidsbemoeienis. De campagne van Cultuur onder Vuur maakt deel uit van een gepolariseerd dossier waarin aan de ene kant voorstanders van het behalen van klimaatdoelen staan en aan de andere kant degenen die zich daartegen verzetten. Steeds vaker staan deze groepen lijnrecht tegenover elkaar. Tegen die achtergrond ontstond een strijd om de verbeelding waarbij verschillende actiegroepen en belangengroepen het op zich namen om de gevolgen van het al dan niet navolgen van het “aardgasverbod” te visualiseren. Op opiniepagina’s van kranten, in de Tweede Kamer, gemeenteraden en op sociale media woeden verhitte debatten over de noodzaak om “van het gas af te gaan” of om juist gas te behouden.
Nell Langlais, de vrouw van fotograaf Willem van de Poll, steekt het fornuis aan, 1933© Nationaal Archief / Fotocollectie Willem van de Poll
Het voorbeeld van Cultuur onder Vuur past binnen een breder activistisch patroon waarbij milieumaatregelen als het absolute kwaad gezien worden. De “Groene Lobby” wordt hierbij afgeschilderd als een orwelliaanse dictatuur en als een aanval op niet alleen de energierekening, maar ook op uw dieet, vervoermiddel en op de manier waarop u uw huis verwarmt, op cultuur en op identiteit – kortom, op het hele leven.
Cultuur onder Vuur is niet de enige die de gasvlam op deze wijze gebruikt. Op rechts-conservatieve websites als De Dagelijkse Standaard wordt aardgas neergezet als iets moois, schoons en als een bron van trots voor de natie: “de gasvlam van de Noordzee zal branden als nooit tevoren!” Op het weblog GeenStijl wordt tegen klimaatdwingelandij van leer getrokken, en hierbij worden aardgas, nationale identiteit en traditie met ironie verbonden:
EN DAN GAAN WE DE BARRICADES OP WANT KOKEN OP GAS IS VAN ONS ! WE HEBBEN ON ZE ZIEL VERKOCHT AAN BRUSSEL MAAR KOKEN OP GAS HOORT BIJ ON ZE CULTUUR ! KOKEN OP GAS IS EEN NEDERLANDSE TRADITIE! VETERANEN TEGEN INDUCTIEKOOKPLATEN OP HET MALIE VELD!! WIJ ZIJN NIET WIT, WIJ ZIJN BLANK EN WIJ KOKEN OP GAS!
Waar komt dit beeld vandaan? En wat zegt het over de rol van het thuisgevoel bij het nadenken over energietransities?
Aardbevingen
In zijn boek De Nederlandse Aardgastransitie beschrijft Sven Ringelberg hoe de ontdekking van de aardgasbel in Groningen een snelle en ingrijpende verandering in Nederland teweegbracht. Na de vondst van aardgas in Slochteren in 1959 ging de transitie snel: binnen tien jaar schakelde Nederland over van kolen op aardgas. Die omschakeling had grote gevolgen voor het dagelijkse leven. Er werd een geheel nieuwe infrastructuur aangelegd, met duizenden kilometers leidingen. De financiële staatshuishouding veranderde ingrijpend, net als de manier waarop Nederlanders woonden, kookten en verwarmden. Zo maakte aardgas tuinbouw op grote schaal mogelijk, wat op zijn beurt leidde tot een permanent beschikbaar aanbod van groenten en fruit.
Door aardgas gingen Nederlanders anders wonen, anders eten en anders belasting betalen. Het werd zowel symbool als bron van het moderne, welvarende Nederland. Wanneer we vandaag reclames zien waarin mensen zich behaaglijk warmen rond de blauwe gasvlam, zien we een relatief recent fenomeen dat zich in ongekend snelle tijd heeft genesteld in Nederlandse huizen en het Nederlandse zelfbeeld. Het Nederlandse gas wordt als dusdanig belangrijk beschouwd dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zelfs in termen van erfgoed over het aardgas spreekt:
Het gasveld symboliseert een belangrijk punt in de nationale geschiedenis met de overstap van kolen naar gas, de economische impuls en de welvaartsstaat die het hielp opbouwen (…) Het is een geschiedenis van nationaal belang die hoe dan ook herinnerd zal worden.
Gas is in Nederland zo vanzelfsprekend geworden dat de meeste mensen vergeten zijn dat het nog niet zo lang geleden is dat aardgas juist gezien werd als een aanval op het typisch Nederlandse thuisgevoel.
‘Gezellige mensen stoken kolen’
In een reclamecampagne uit 1964, die verscheen tegen de achtergrond van de energietransitie waarbij men van kolen overging op aardgas, wordt de zogeheten “mevrouw D.J. de Jong” opgevoerd. Zij vindt het invoeren van aardgas maar niks en benadrukt dat aardgas duurder is en allerlei onwenselijke gevolgen heeft. Ze wijst op de hoge kosten (“dat kostte me handenvol geld”) maar ook op een verlies van gezelligheid. Niet alleen is mevrouw De Jong gehecht aan de stralingswarmte (“in de kamer waarin je leeft, kan je niet zonder echte stralingswarmte”), maar de komst van het gas betekent ook verlies van de persoonlijke band met de kolenhandelaar (“Ik wil graag klant blijven (…) van een kolenhandelaar, die wéét wie ik ben als ik opbel”).
‘Mevrouw D.J. de Jong’ vindt het invoeren van aardgas maar niks. De komst van het gas betekent ook verlies van de persoonlijke band met de kolenhandelaar
Daarnaast plaatst deze reclame de komst van aardgas in een breder kader van dwingelandij die van boven opgelegd wordt: het gebruik van het woord “ze” in zinnen als “ze jagen je maar op kosten” toont een houding die kritisch staat tegenover machthebbers die van gewone mensen naamloze nummers willen maken. We zien hier een emotioneel appel: het romantiseren van de verhouding tussen klant en kolenhandelaar en de persoonlijke band die klanten met de kolenhandelaar zouden onderhouden. Dat suggereert een warme, levendige sfeer die rondom de warmte van kolen hangt (“warmte waar wat aan te beleven is”). Hier komt met de transitie naar aardgas een kille, steriele, van bovenop opgelegde energievorm voor terug. Maar mevrouw De Jong legt zich er niet bij neer: “gezellige mensen stoken kolen”.
Vrouw bij het schillen van de aardappels terwijl de man de kachel annex fornuis voorziet van kolen in de kombuis van het schip Siegfried & Erik in Parijs, 1950© Nationaal Archief / Fotocollectie Willem van de Poll
De reclame komt voort uit de Stichting Vaste Brandstoffen, een organisatie van belangenbehartigers van de kolenindustrie. De reclames tegen de komst van het gas en voor het behoud van kolen maken niet alleen economische argumenten, zij proberen vooral gevoelens van traditie, gezelligheid en een bedreigd thuisgevoel op te roepen. Stoken op kolen zou gezelliger zijn, Nederlandser, en sterker verbonden met het vertrouwde, normale leven dat door elites wordt bedreigd en afgepakt. De reclames worden gepresenteerd uit naam van “gewone” Nederlanders die zich verzetten. De reclame is daarmee een vroeg voorbeeld van “astroturfing”: het doen alsof iets spontaan uit de bevolking (grassroots) opkomt, terwijl het in werkelijkheid een gecoördineerde marketingstrategie is.
Tegelijkertijd waren er organisaties als De Gasunie, die er juist voor ijverden dat aardgas door de Nederlandse bevolking zou worden omarmd. Deze specifieke organisatie bracht krantjes, films en spotjes uit waarin op allerlei manieren de voordelen en de aantrekkelijkheid van het gas werden gepromoot. Sven Ringelberg beschrijft hoe de Gasunie “een meester in communicatie” was in die tijd. Zo verschijnt er een reclamefilmpje met de populaire acteurs Willeke van Ammelrooy en John Clive die een echtpaar spelen wiens leven positief beïnvloed wordt door de komst van het aardgas. In 1969 verscheen een reclame waarin een liedje gezongen werd op de wijs van ‘In Holland staat een huis’:
In Holland ligt een buis
en die buis gaat naar uw huis
(…)
door die buis daar stroomt het gas
en het gas gaat naar de haard
en de haard verbrandt het gas
en ’t gas verwarmt het huis
(…)
in Holland brengt een buis
de warmte bij u thuis
De campagnes uit de jaren vijftig en zestig vertonen in meerdere opzichten overeenkomsten met die van nu. Ze laten zien hoe er om onze aandacht wordt gevochten, hoe emoties worden opgeroepen, vormgegeven en aangestuurd. Net als nu werden er toen ook via allerlei mediakanalen beelden verspreid die suggereren hoe de Nederlander zich zou moet voelen over energietransities. Hoewel de gasvlam tegenwoordig vanzelfsprekend als symbool van Nederlandsheid wordt gebruikt, werd aardgas nog niet zo lang geleden juist gepresenteerd als een aanval op de gezellige kolen van vroeger.
Wat als thuis telt, en wat gezien wordt als tijdloze essentie van het thuisgevoel, is dynamisch, veranderlijk en afhankelijk van allerhande sociale, economische, technologische ontwikkelingen. Daarnaast laten deze campagnes zien hoe allerhande initiatieven proberen ons thuisgevoel te ontwerpen, op te roepen, te sturen. Of het nu de overheid is, de kachelhandelaar, activistische clubjes, of de rookworstfabrikant uit de reclame waar ik dit stuk mee begon: ons thuisgevoel wordt continu beïnvloed vanuit allerlei hoeken en vanuit allerlei motieven.
Hoe ons thuisgevoel gemaakt wordt
Het is altijd belangrijk om te weten hoe onze emoties opgeroepen en gemanipuleerd worden, maar in het hedendaagse tijdsgewricht, waar een multimediaal landschap om onze emotionele aandacht strijdt, is het bij uitstek een belangrijke vaardigheid. Acceptatie van, of verzet tegen, veranderingen wordt gevormd en beïnvloed door middel van emotionele framing. Wat op sociale media over kan komen als een natuurlijke uiting van emotie, kan in werkelijkheid een uitgekiende poging tot beïnvloeding zijn.
De opkomst van rechts-populisme valt in hoge mate te begrijpen als een beweging die een bedreigd thuisgevoel centraal stelt
Het voorbeeld van “mevrouw De Jong” die zich druk maakt over de aanval op gezellige kolen, laat zien dat ook vóór de tijd van sociale media al campagnes bestonden waarin energietransities werden gepresenteerd als een aanval op de “gewone Nederlander”.
Het thuisgevoel leent zich bij uitstek voor het opwekken van emoties. Dit is in recente jaren nog sterker het geval omdat het begrip “thuis” een centrale rol is gaan spelen in de verbeelding van Nederland. De opkomst van rechts-populisme valt in hoge mate te begrijpen als een beweging die een bedreigd thuisgevoel centraal stelt. Ook aan progressieve zijde wordt er vaak gesproken over een bedreigd thuisgevoel: om de klimaatverandering tegen te gaan moeten er offers worden gebracht. Kortom, wat als “thuis” wordt gezien en gevoeld – en wat als bedreiging daarvan wordt ervaren – is een centraal onderdeel in een hedendaagse strijd om de verbeelding en heeft daarmee ingrijpende gevolgen voor beleid en samenleving.
In het bijzonder is hierbij de rol van erfgoed interessant. We zien in activistische campagnes dat tradities en het verleden worden ingezet om emoties op te wekken. De gehechtheid aan het verleden is materiaal voor protest tegen verandering. Tegelijkertijd blijkt dat wat als erfgoed wordt beschouwd, sterk aan verandering onderhevig is. Wat nu aanvoelt als onveranderlijke essentie van het thuisgevoel, was niet lang geleden nog een schofferende vernieuwingsdwang die een ander thuisgevoel verdrong. Hier en in andere vergelijkbare dossiers van verandering ligt een belangrijke taak en uitdaging voor erfgoedprofessionals. Door herinneringsprocessen te begeleiden en te duiden kunnen zij bijdragen aan de-escalatie in gepolariseerd Nederland.
Dit is het ingekorte essay ‘De gasvlam als thuisgevoel’ uit het boek Venster op thuis. Gezelligheid ontleed (red. Markus Balkenhol, Nina Lamal, Olga Leonhard, Britt van Sloun), Sterck & De Vreese, Gorredijk, 2026, 160 p.
Aan Venster op thuis droegen onderzoekers bij die verbonden zijn aan onder meer het Meertens Instituut en het Huygens Instituut.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.