Publicaties
Een Vlaamse flirt - mag het ook iets meer zijn?
0 Reacties
© Tom Christiaens
© Tom Christiaens © Tom Christiaens
literatuur

Een Vlaamse flirt - mag het ook iets meer zijn?

Vlaanderen als eregast op de Brusselse Foire du Livre 2019

De Foire du Livre, die in 2019 op Valentijnsdag wordt geopend, is een van de belangrijkste evenementen voor auteurs, uitgevers en boekhandelaars uit de Franstalige wereld. Net als zijn beroemde tegenhangers in Frankfurt of Parijs heeft de beurs in Brussel de mogelijkheid om buitenlandse literatuur in de schijnwerpers te zetten door elk jaar een land als eregast uit te nodigen. Voor de vijftigste editie verwelkomen de organisatoren Vlaanderen, onder de titel Flirt Flamand. Kun je dan als de eerste de beste buitenlander eregast zijn in de hoofdstad van je eigen land? Ja, in België kan dat. En dat mag dan wel vreemd lijken, maar het is verre van absurd. Het is misschien zelfs noodzakelijk.

“Pour un flirt avec toi, je ferais n’importe quoi”: toen ik begin twintig was, kon je moeilijk aan dit liedje van wijlen Michel Delpech ontsnappen. Ik moest aan de verliefde tekst van deze popsong denken toen ik de ondertitel las van de editie 2019 van de Foire du Livre, de Franstalige boekenbeurs in Brussel: Flirt Flamand. Een flirt met Vlamingen dus, of met Vlaanderen. Het komt zelden voor dat een literair evenement ons zo expliciet uitnodigt om te flirten. En ons ook nog vertelt met wie. Wat zou daar de reden voor kunnen zijn?

Al langer wordt geconstateerd dat er een culturele kloof gaapt tussen de twee grootste gemeenschappen van het land. Het feit dat Vlamingen en Franstaligen al tientallen jaren worden opgeleid in volstrekt gescheiden onderwijssystemen en naar verschillende media luisteren en kijken, mist op den duur zijn uitwerking niet. Wanneer Vlaamse en Waalse universiteiten met elkaar samenwerken, doen ze dat in het kader van internationale programma’s en op basis van precies dezelfde overeenkomsten als met buitenlandse instellingen. Deelnemers aan de televisiequiz De slimste mens ter wereld worden alleen in Vlaanderen wereldberoemd, met uitzondering misschien van PVDA-politicus Raoul Hedebouw. Figuren als Béatrice Delvaux (senior writer bij de krant Le Soir) of Assita Kanko (politica, eerst bij de Franstalige liberalen van MR, nu bij de Vlaams-nationalisten van N-VA), die zich met evenveel gemak aan beide kanten van de taalgrens in de media kunnen manifesteren, zijn (zeer) dun gezaaid. In feite delen alleen bij sport Vlamingen en Walen dezelfde “nationale” helden: dan beven of juichen ze voor dezelfde atleten, voetballers, fietsers en tennissers.

Kort na het einde van de Grote Oorlog had koning Albert de wens uitgesproken dat al zijn onderdanen beide talen, Frans en Nederlands, op hetzelfde niveau zouden leren, zodat België daadwerkelijk een tweetalige staat zou worden. Voor een dergelijke maatregel was er op dat moment geen politieke meerderheid te vinden. En hoe staat het nu, bijna een eeuw later, onder Belgen met de wederzijdse kennis van “de taal van de ander”? Niet al te best, moet waarschijnlijk het antwoord luiden. Niet iedereen schijnt hetzelfde enthousiasme voor tweetaligheid aan de dag te leggen als prinses Elisabeth. En van jongere informanten hoor ik dat millennials uit beide groepen bij voorkeur in het Engels met elkaar communiceren.

Ik weet wel dat sommigen deze verengelsing van het maatschappelijke verkeer als een elegante oplossing zien om taalrivaliteit uit te bannen en – zoals filosoof en econoom Philippe Van Parijs – van een Engelstalig Brussel dromen. Maar zelf kan ik moeilijk warmlopen voor dat vooruitzicht: het doet me denken aan die binationale koppels die, omdat ze elkaars taal niet of nauwelijks kennen, hun toevlucht nemen tot een derde, die ze doorgaans ook niet perfect beheersen en waarmee ze geen intieme band hebben. Wederzijds begrip wordt er zelden door bevorderd.

Samen sterk

In de boekensector draagt de economie van de branche nog bij tot een verdere scheiding tussen Franstaligen en Nederlandstaligen. In de culturele wereld is bekend dat Belgen vaak naar het buitenland moeten gaan om bekendheid te verwerven – en ze slagen er opmerkelijk goed in, zowel in de grote culturele instellingen van Nederland als in de Franse media, die hun kijk- of luistercijfers zouden zien kelderen zonder hun Belgische komieken. Dat geldt des te meer voor schrijvers, voor wie de omweg via het buitenland een noodzaak is. De grote Nederlandstalige literaire uitgeverijen zijn gevestigd in Amsterdam en hun Franstalige tegenhangers in Parijs (en soms in het zuiden van Frankrijk). Ondanks de aanwezigheid van enkele zeer goede literaire uitgevers in België, zoals Polis of Vrijdag voor Vlaanderen, loopt de weg naar succes voor de meeste auteurs nog steeds via een buitenlandse hoofdstad. Het enige gebied dat tot op zekere hoogte aan deze “marktwetten” ontsnapt, is dat van de kinder- en jeugdliteratuur en stripverhalen, bij uitstek een domein waarin Belgische uitgevers sinds lang uitblinken, en waar boeken met gemak de taalgrens rechtstreeks in beide richtingen overschrijden.

Kortom, de literaire werelden uit beide gemeenschappen hebben de neiging om elkaar de rug toe te keren. Dat is niet nieuw. In 1999 was ik betrokken bij de organisatie van een literair festival van het Centre National du Livre, de Franse tegenhanger van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Onder de naam Les Belles Etrangères had dat jaarlijkse evenement, dat nu helaas ter ziele is gegaan, tot doel om telkens een groep buitenlandse schrijvers uit te nodigen voor een tournee door Frankrijk, of ze nu al vertaald of nog te vertalen waren. Omdat dit festival door Fransen was bedacht werden de auteurs niet op basis van hun taal, maar van hun nationaliteit uitgenodigd. In dat jaar vergezelde ik daarom een groep “Belgische” schrijvers naar Parijs.

De Franstalige organisatoren van de Foire du Livre stellen vast dat “[zij] de Vlaamse literatuur veel te slecht kennen”

Toen ik achteraf samen met hen de balans opmaakte, merkte ik met enige verbazing dat de meeste deelnemers in de eerste plaats de mogelijkheid hadden gewaardeerd om gedurende een aantal dagen samen met collega’s uit andere taalgemeenschappen (er was ook één auteur uit de Duitstalige gemeenschap in België) om te gaan, iets waartoe ze in eigen land blijkbaar nooit de gelegenheid hadden gekregen. Dat was bijna twintig jaar geleden; sindsdien is weinig veranderd, en het is dan ook niet verwonderlijk dat de Franstalige organisatoren van de boekenbeurs van Brussel nu nog vaststellen dat “[zij] de Vlaamse literatuur veel te slecht kennen”. Vandaar het idee om in 2019 aan een “Vlaamse flirt” te beginnen.

Beter laat dan nooit, zegt de populaire wijsheid. Maar deze uitnodiging, die we zeker moeten toejuichen, roept nog een andere vraag op: op grote festivals of beurzen presenteren Vlaamse auteurs zich meestal in het gezelschap van hun collega’s uit Nederland. Dat was in het najaar 2016 bij de Frankfurter Buchmesse nog het geval. Daar was de Nederlandstalige literatuur als geheel, als uiting van een gemeenschap van drieëntwintig miljoen mensen, als eregast aanwezig. Samen sterk, is dan de leuze. Daarvan wordt ook een treffend voorbeeld geleverd door de promotiecampagne Les Phares du Nord (“Vuurtorens uit het Noorden”), geïnitieerd en ondersteund door Vlaanderen en Nederland: in dit kader zijn vanaf 2017 tientallen Nederlandstalige auteurs, ongeacht hun nationale of regionale achtergrond, in Frankrijk uitgenodigd. In mei 2018 mocht ik meemaken hoe zij gezamenlijk een enthousiast Frans publiek voor zich konden winnen op het festival La Comédie du livrein Montpellier. Waarom gebeurt dat niet in Brussel? Omdat het vooral, als ik het zo mag zeggen, een Belgisch verhaal is, een dialoog tussen twee gemeenschappen binnen hetzelfde land.

Vertalers komen voor het voetlicht

Zonder de bemiddeling van de vertaling is het ondenkbaar om de Vlaamse literaire productie beter bekend te maken bij een breed Franstalig publiek. Gelukkig is er de laatste jaren, mede dankzij de promotiecampagne Les Phares du Nord, sprake van een heropleving van de vertaalactiviteit; er zijn dus veel recente publicaties beschikbaar en juist naar aanleiding van deze beurs staan ook verschillende titels op het punt om in het Frans te verschijnen, met name Zuivering van Tom Lanoye en Wil van Jeroen Olyslaegers. In de poëzie is de oogst van deze winter overvloedig, met meerdere vertalingen van hedendaagse dichters (Charlotte Van den Broeck, Delphine Lecompte, Erik Spinoy, Roland Jooris)en oude of moderne klassiekers, van Hadewijch tot Paul Van Ostaijen. De vertalers Alain van Crugten, Françoise Antoine, Kim Andringa, Daniel Cunin, Jan Mysjkin en Pierre Galissaires, die hiermee fantastisch werk hebben geleverd, verdienen meer dan een pluimpje.

Bij wijze van uitzondering zullen de vertalers op deze beurs niet alleen, zoals gebruikelijk, vertegenwoordigd worden door de vruchten van hun werk, maar dankzij het Vlaams Fonds voor de Letteren worden ze uit de schaduwzone gehaald waar ze zich meestal ophouden, om deel te nemen aan paneldiscussies of interviews. Natuurlijk is dat maar een klein onderdeel van een breed en veelzijdig programma, met een zestigtal uitgenodigde auteurs die alle literaire genres vertegenwoordigen, en in een brede waaier aan ontmoetingen en evenementen zullen optreden.

‘De Brabançonne in het Vlaams’

Hoe lang duurt een flirt? In het frivole liedje van Michel Delpech was er enkel sprake van een tochtje in de kleine uurtjes – “un petit tour, au petit jour”. Bij het Vlaams Fonds voor de Letteren hoopt men natuurlijk op een duurzamere relatie, een dialoog die jaar na jaar hernieuwd kan worden, niet alleen om de Vlaamse literaire productie te bevorderen, maar ook om in een hoofdzakelijk Franstalige hoofdstad de activiteit van tweetalige of Nederlandstalige Brusselse culturele instellingen op het gebied van podiumkunst, maatschappelijk debat of beeldende kunst te promoten. Daardoor zou de Beurs een sterker “Belgisch” karakter krijgen.

Maar volgens een andere volkswijsheid moet liefde van twee kanten komen. Volgens de directie van de Brusselse Beurs zullen Franstalige auteurs en uitgevers voortaan ook elk jaar vertegenwoordigd zijn op de grote boekenbeurs van het Nederlandse taalgebied, die van Antwerpen. Dat was tot nu toe bij mijn weten nog niet het geval. Dat betekent natuurlijk niet dat Waalse auteurs niet regelmatig in het Nederlands vertaald werden. Jacques De Decker, François Emmanuel, Jacqueline Harpman, Caroline Lamarche, Amélie Nothomb, Jean-Luc Outers, Jean-Philippe Toussaint en vele anderen zijn al lang in het Nederlands vertaald. Maar ze worden daarom nog niet per se waargenomen als exponenten van een “Belgisch” cultureel gemeengoed. Bij de in Frankrijk zeer succesvolle Nothomb of Toussaint is dat zelfs zeker niet het geval.

Misschien draagt een wederzijdse aanwezigheid van Nederlands- en Franstaligen op de twee grote boekenbeurzen van het land bij tot het besef van een enigszins gemeenschappelijke literaire cultuur in twee talen, ook al lijken taalkundige verschillen moeilijk weg te denken en affiniteiten juist daardoor moeilijk te benoemen.

De in 2012 overleden romanschrijfster Jacqueline Harpman vertelde graag deze anekdote: tijdens de Tweede Wereldoorlog waren zij en haar familie naar Marokko gevlucht en hadden zich in Casablanca gevestigd, waar zij naar een Franse school ging. Kort na haar aankomst vroegen de leerlingen uit haar klas aan het “nieuwe meisje” om “Belgisch” tegen hen te praten. Toen begon de kleine Jacqueline spontaan voor haar klasgenoten de Brabançonne, het Belgische volkslied, te zingen... “In het Vlaams”, zoals zij zelf zei.

De Foire du Livre vindt plaats in Tour & Taxis, Brussel, van 14 tot en met 17 februari 2019, flb.be. Alle informatie over Vlaanderen als eregast vind je op flirtflamand.be.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be