De exclusieve aandacht voor driedimensionale kunst, de Spartaanse architectuur en de ligging pal aan zee maken Beelden aan Zee tot een uniek museum. Door een enigszins zwabberend tentoonstellingsbeleid is het grotendeels onder de radar van de kunstpers gebleven. Maar daar is de afgelopen jaren verandering in gekomen. Beelden aan Zee staat aan de vooravond van een doorbraak naar internationale status.
“Een sculptuur is iets waar je over struikelt wanneer je een stap achteruit doet om een schilderij te bekijken”, schreef Ad Reinhardt ooit. Het zal niet verbazen dat Reinhardt een schilder was. Maar ook veel particuliere verzamelaars en museumdirecteuren delen zijn mening, zeker in Nederland. In dit schildersland bij uitstek is beeldhouwkunst eeuwenlang het onderschoven kindje geweest. In de burgerlijke republiek heerste afkeer van koninklijk of ander autoritair machtsvertoon in de vorm van ruiterstandbeelden of borstbeelden, die in andere landen de basis vormt onder de beeldhouwkunst.
Buitenplaats museum Beelden aan Zee© Studio Gerrit Schreurs
Het is daarom des te opmerkelijker dat Nederland wel een museum heeft dat exclusief gewijd is aan sculpturen: Beelden aan Zee in Scheveningen. Dat is te danken aan verzamelaarsechtpaar Theo en Lida Scholten. De topman van SHV en later Robeco en zijn vrouw kochten in 1966 hun eerste beeldje en hadden meteen de smaak te pakken. Binnen dertig jaar tijd bouwden ze een collectie op van ruim duizend stuks. Geïnspireerd door Amerikaanse voorbeelden besloten ze hun bezit publiekelijk te delen door een eigen museum te beginnen. Toenmalig koningin Beatrix knipte in 1994 het lint door.
Architectonisch meesterwerk
Als architect hadden de Scholtens Wim Quist in de arm genomen, waardoor het nieuwe museum niet alleen inhoudelijk uniek zou zijn maar ook qua verschijningsvorm. De architect met uitgesproken geometrische voorliefde combineerde twee cirkels tot een schelpvorm die van buiten bijna onzichtbaar is. De beigekleurige buitenmuren zijn diep ingegraven in het duin, dat extra is opgehoogd. Bovendien loopt het museumgebouw door onder het neoclassicistische Paviljoen Von Wied uit 1827, dat als een buitenissige soort zeepok bovenop de schelp zit.
De beigekleurige buitenmuren zijn diep ingegraven in het duin. Een steeds wisselend deel van de collectie wordt deels op de buitenterrassen getoond© Studio Gerrit Schreurs
Ondanks de gesloten gevel baadt het interieur van Beelden aan Zee in daglicht. Vrijwel het gehele plafond is gemaakt van glas, waardoor de bezoeker zich in de opeenvolging van zalen, patio’s en terrassen voortdurend verbonden voelt met het omringende duinlandschap. Die inbedding wordt versterkt door geelgrijze zandtinten van de gebruikte materialen: van Italiaans graniet tot Amerikaans grenen. Ornamenten ontbreken in Quists verder nogal spartaanse ontwerp. Alles is functioneel en strak. Zo bieden de schroefgaten in de wandbetonplaten de mogelijkheid om kleine planken of haken toe te voegen om beelden op of aan te plaatsen.
Tentoonstelling 'If not now, when? Max Vorst Collection' in museum Beelden aan Zee, 2024© Studio Gerrit Schreurs
De collectie van de Scholtens bestond in de beginjaren uit voornamelijk Nederlandse beeldhouwers die zij met aankopen ondersteunden. Maar gaandeweg verbreedde hun blik. Tijdens zakenreizen naar de Amerika’s, Azië en andere landen in Europa bezochten ze ateliers en galeries. Naast werk van Charlotte van Pallandt en Atelier Van Lieshout werden er beelden aangekocht van Berlinde De Bruyckere, Tony Cragg, Edwin Wurm en andere internationale grootheden. Een steeds wisselend deel van die collectie wordt in het museum getoond, deels op de buitenterrassen.
Kunst langs de boulevard
Tien jaar na de opening van het museum doneerden de oprichters 23 beelden van Tom Otterness aan de gemeente Den Haag ter verfraaiing van de aangrenzende boulevard, de drukste van Nederland. De cartooneske figuurtjes stellen sprookjesfiguren als Hans en Grietje, Gulliver en Pinocchio voor. Onschuldige “kunst om te pleasen” lijkt het op het eerste gezicht, maar zoals vaker bij Otterness schuilt er iets grimmigs onder het vrolijke oppervlak. De goede verstaander leest er kritisch commentaar in, op massaconsumptie en als entertainment verpakte propaganda. Dat heeft de reusachtige haringeter er niet van weerhouden uit te groeien tot officieuze mascotte van Scheveningen, de vroegere parel van de Hollandse haringvisserij.
De Scholtens hadden hun museum bedoeld als alternatief voor de traditionele, in hun ogen logge musea
De Scholtens hadden hun museum bedoeld als dynamisch tentoonstellingspodium, een alternatief voor de traditionele, in hun ogen logge musea. De organisatie is dan ook “lean en mean”. Een kleine professionele staf wordt bijgestaan door een grote groep vrijwilligers, die in de terminologie van de oprichters “partners” worden genoemd. De inmiddels hoogbejaarde Lida Scholten bleef tot lang na het overlijden van haar echtgenoot in 2005 eens per week werken in het documentatiecentrum.
Van regionale naar landelijke ambities
Als private onderneming moet Beelden aan Zee zijn eigen broek ophouden. Het laag houden van de overhead wordt gecombineerd met eigen inkomsten uit de boekwinkel en het uiterst aangename museumcafé. Maar de kaartverkoop is de belangrijkste pijler onder de bedrijfsvoering.
Publiek trekken is geen probleem gebleken met gedegen monografische tentoonstellingen van kanonnen als Ossip Zadkine of Pablo Picasso. Maar met alsmaar stijgende kosten voor transport en verzekering kun je tegen een beperkt budget niet een compleet jaarprogramma vullen met dit soort publiekslievelingen. Een tijdje is gewerkt met een landenthema: actuele beeldhouwkunst uit onder andere België en Roemenië. Groeps- en solotentoonstellingen wisselden elkaar af, met wisselend succes. Zo zette Tirzo Martha met zijn No Excuses! in 2017 een overdonderende presentatie neer. Maar veel andere kunstenaars kregen geen grip op de intimiderend grote ruimte van de hoofdzaal en zagen hun beelden verdrinken in de betonnen reuzentrommel.
Dat is natuurlijk niet in eerste instantie de kunstenaars aan te rekenen maar de conservatoren, die de mogelijkheden en valkuilen van hun eigen tentoonstellingsruimte zouden moeten kennen. Maar ook hen lukte het niet om een programma van consistente kwaliteit neer te zetten. Gecombineerd met een inhoudelijk zwabberende koers leverde dat Beelden aan Zee een officieuze B-status op onder landelijke recensenten. Het museum zakte langzaam maar zeker af tot het niveau van regionaal instituut terwijl het – zeker door het onderzoeksinstituut dat gelieerd is aan de Universiteit Leiden – landelijke ambities had.
Doordat het Koninklijk Monument van Arthur Spronken voor vijf jaar in bruikleen is gegeven aan paleis Soestdijk is op het terras ruimte vrijgekomen voor wisselpresentaties. Tot 22 april 2026 is er de installatie ‘Sun and Sea Listening House’ te zien, een replica van de opera-performanceruimte die in 2019 de Gouden Leeuw won op de Biënnale van Venetië.
Gerenommeerde tentoonstellingen
Ook het tentoonstellingsprogramma kreeg een ambitieuze kwaliteitsinjectie. Bloksma’s eerste wapenfeit was ‘Henry Moore: vorm en materiaal’, waarin tachtig werken van de Britse beeldhouwer uit een periode van zestig jaar werden samengebracht. Op associatieve wijze werd de bezoeker door Moores oeuvre geleid, maar zijn creaties werden ook gekoppeld aan zijn denk- en belevingswereld. Zo stond naast Three Way Piece No 1: Points (1964-1965), een bijna twee meter hoog en ruim 1.200 kilo zwaar gevaarte dat nog het meeste lijkt op een dinowervel, een vitrine met stukken drijfhout, prehistorische vuistbijlen, botjes en kiezels die de kunstenaar vond tijdens zijn lange wandelingen. Tussen dit inspiratiemateriaal lag ook het vuursteentje dat model moet hebben gestaan voor de eye catcher van de tentoonstelling.
Tentoonstelling ‘Henry Moore: vorm en materiaal’ in museum Beelden aan Zee, 2024© Studio Gerrit Schreurs
Tijdens de Moore-tentoonstelling waren in de gipsotheek een paar gipsmodellen te zien van Hans Arp (1886-1966). Ze zijn onderdeel van de schenking die Beelden aan Zee, net als vier andere internationale musea, kreeg van de stichting die de nalatenschap van de Frans-Duitse dadaïst beheert. Het gaat om één brons en 21 gipsen, die in de achterzaal worden tentoongesteld. Op houten blokken en – ondanks de kwetsbaarheid van het gips – zonder glaskappen, waardoor je je bijna in Arps atelier waant. Ondertussen is er met de andere uitverkoren musea een grootschalig onderzoek gestart dat in 2027 moet resulteren in een ongeëvenaard Arp-overzicht.
Parallel aan de Arp-presentatie presenteerde Beelden aan Zee in 2024 een selectie uit de nooit eerder tentoongestelde collectie van privéverzamelaar Max Vorst. Een knalgele elektrische stoel van Sterling Ruby, een marmeren veiligheidshelm van Ai Weiwei, Cyprien Gaillards brute hijskraangrijper met ophangsysteem van halfedelstenen en nog veel meer internationale topwerken.
Dit soort presentaties en de belofte van een consistente, meerjarige programmalijn luidden een volgende fase in voor Beelden aan Zee. Eentje waarin de uitstraling van het museum ver voorbij de Scheveningse duinen reikt.








Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.