Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Een laudatio op het Taalunie-verdrag, dat de LOF-prijs der Nederlandse Taal krijgt
1 Reacties
© Francis Bruyninckx
© Francis Bruyninckx © Francis Bruyninckx
taal

Een laudatio op het Taalunie-verdrag, dat de LOF-prijs der Nederlandse Taal krijgt

De Stichting Nederlands heeft de LOF-prijs der Nederlandse Taal toegekend aan het Verdrag van de Taalunie, die veertig jaar geleden is opgericht. Luc Devoldere, oud-hoofdredacteur van Ons Erfdeel vzw, sprak bij de uitreiking in Brugge een lofrede op het Verdrag uit. ‘Wees blij dat het Verdrag bestaat. Wees blij dat de Taalunie bestaat. Want vandaag zou ze niet meer worden opgericht.’ Vlaams minister-president Jan Jambon nam de prijs in ontvangst.

Vrienden, Vlamingen en Nederlanders, lagelandgenoten, leen mij uw oren.

Ik ben naar hier gekomen om een verdrag te begraven, niet om het te eren. Het kwaad dat verdragen veroorzaken, leeft na hen door. Het goede dat ze bevatten, wordt vaak met hen begraven. Laat het zo zijn met het Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie.

Honorabele heerschappen, taalkundigen en sociolinguïsten hebben u gezegd dat het Verdrag ambitieus was, dat het een monument bezingt, terwijl taal een instrument is van communicatie dat de gebruikers toebehoort. Dat monumentenzorg geen pas meer heeft en dat een beleid, toegespitst op de concrete taalgebruiker en de consument van literatuur, meer van deze tijd is.

Dat voor het Verdrag alleen standaardtaal – godbetert: cultuurtaal – bestond, en dat er dus geen passende aandacht uitging naar al haar variëteiten.

Als dat waar is, dan was dat een zware fout. En het Verdrag heeft de prijs betaald. Zo sta ik hier dan, om met verlof van de huidige taalbewakers – honorabele heerschappen, dat zijn ze allemaal – te spreken bij de begrafenis van dit Verdrag.

Ik sta hier dus om het Verdrag inzake de Taalunie te begraven, en mijn hart, mijn taal – de taal van een blanke en oudere man – ligt in de kist daar, samen met dat Verdrag.

De Taalunie bestaat veertig jaar. Eenenveertig jaar intussen. Veertig jaar is een cruciale leeftijd voor een instelling: matuur genoeg om zichzelf zonder angst af te vragen waarvoor ze op aarde is, en nog soepel genoeg om zichzelf te overstijgen.

Staatsrechtelijk verdrag

Op 9 september 1980 werd in het Egmontpaleis in Brussel het Taalunieverdrag plechtig ondertekend. Het was een staatsrechtelijk verdrag tussen twee landen, België en Nederland. De monarchen Beatrix en Boudewijn beslisten.

De Nederlandse staatssecretaris D.F. van der Mei en de Belgische minister van Buitenlandse zaken, de Franstalige Charles Ferdinand Nothomb, ondertekenden die dag in het Egmontpaleis het Verdrag. Nothomb was een zwierige, Ardennese landjonker van de Parti Social Chrétien die een voor zijn tijd en kaste opmerkelijk en zelfs enigszins zwierig Nederlands sprak, maar dat zal eerder aan zijn innemende charme hebben gelegen: ik groet de man, want het lot heeft gewild dat hij van alle betrokkenen bij de oprichting van 1980 bij mijn weten als enige nog in leven is.

Van der Mei, ook een christendemocraat, was staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en belast met Europese samenwerking in het eerste kabinet Van Agt. Inderdaad: Nederland heeft de minister van Buitenlandse Zaken, de liberaal Van der Klaauw, niet naar Brussel laten afzakken. U mag daarvan denken wat u wil.

Het verdrag werd na bespreking in beide parlementen geratificeerd in de Ridderzaal in Den Haag op 27 januari 1982. Als gevolg van de Belgische grondwetswijziging van 8/9 augustus 1980 werd het Verdrag door de Vlaamse Raad besproken, en niet door het Belgisch parlement. Het Verdrag trad op 1 april 1982 in werking.

Hier moet ik met passende eerbied de belangrijkste architect van de Taalunie, de Vlaamse cultuurambtenaar Johan Fleerackers, noemen. U begrijpe mij goed. In die verre tijden kon een civil servant van een zeldzame klasse als Johan Fleerackers – fijnzinnig, doortastend en hardnekkig, als een spin in het web – de oprichting van een honorabele instelling als de Taalunie sturen en tot stand brengen.

In de aanloop naar het verdrag schetste een artikel in ‘Ons Erfdeel’ de primeur en het unicum van dit Verdrag tussen twee staten: ze stonden een stuk van hun soevereiniteit af

In de aanloop van de oprichting en als eerste Vlaamse voorzitter van de Raad voor Nederlandse Taal en Letteren, het belangrijkste uitvoerende orgaan van de Taalunie, schreef Fleerackers in de herfst van 1980 in Ons Erfdeel een artikel. Daarin schetst hij de voorgeschiedenis van het Verdrag en definieert scherp zowel de primeur als het unicum van dit Verdrag tussen twee staten, die niet meer of minder dan een stuk van hun soevereiniteit afstonden aan een supranationale instelling.

In dat artikel, ‘De Nederlandse Taalunie, een verantwoording’, schetste hij de voorgeschiedenis van het Verdrag en bakende hij de opdracht van de Taalunie af, had het over het geloof in de “culturele integratie”, waarvan hij al voorvoelde dat het, door het groeiende zelfbewustzijn van Vlaanderen, op de helling zou komen te staan. Zinnen uit dit stuk blijven nazinderen:

“De Taalunie is van de staten ‘afgedwongen’.”

“De Raad (voor de Nederlandse Taal en Letteren, LD) blijft het levend geweten van de Unie: blijkt de Raad zonder inspiratie, dan valt ook de Taalunie in puin.”

En de slotzin: “De Taalunie heeft slechts zin in zoverre de Nederlandssprekende er in zijn dagelijks bestaan iets aan zal hebben.”

De optuiging van de Taalunie was doordacht: met een Comité van ministers van Onderwijs en Cultuur uit Noord en Zuid dat “het beleid bepaalt”, een interparlementaire commissie van volksvertegenwoordigers uit parlementen in Nederland en Vlaanderen die controleert, een Raad die “desgevraagd of uit eigen beweging” het Comité van Ministers adviseert en een Algemeen Secretariaat dat het beleid voorbereidt en uitvoert. Al deze organen hebben sinds 1980 hun wel en wee gekend. Eerbare organen zijn het.

Koele minnaar

Het jaar 1980 was niet alleen een beginpunt. Eigenlijk was het, achteraf bekeken, een eindpunt, de consecratie van een droom, die vooral in Vlaanderen werd gedroomd.

Kwatongen beweren dat Vlaanderen zo lang zeurde om die Taalunie, dat Nederland in 1980 eindelijk overstag ging om van dat gezeur af te zijn. Een minnaar? Ja, maar dan een van de koelere soort.

Tijdens het proces van de langzame emancipatie van Vlaanderen binnen de Belgische staat is het Nederlandse taalkundige en culturele model heel lang nodig geweest.

De wereld stond niet stil. Het Nederlands is een pluricentrische taal geworden

In artikel 1 van het Taalunie-verdrag staat dat het doel van het verdrag is/was: “de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het gebied van de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin”. De geschiedenis, die natuurlijk doordendert, heeft deze hooggestemde doelstelling voor een deel ingehaald. In de loop van de jaren tachtig van de vorige eeuw is het paradigma van de “integratie” geruisloos verdwenen, als het ging om de relatie tussen Vlaanderen en Nederland. Integratie is vervangen door “samenwerking”, een concreter en realistischer paradigma.

Intussen stond de wereld ook niet stil. Destijds ging het nog over de Nederlandse taal en letteren in de ruimste zin. Sindsdien zijn er literaire fondsen in Nederland en Vlaanderen aangetreden. In 1995 werd de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland opgericht. Ook al bestaat die Commissie vandaag eigenlijk niet meer.

Het Nederlands is ook een pluricentrische taal geworden. Dat wil zeggen dat er verschillende gebieden/landen zijn waarin de taal gesproken wordt, met elk een eigen norm. We spreken vandaag over één taal met drie variëteiten: Het Nederlands Nederlands, het Belgisch Nederlands en het Surinaams Nederlands.

En daar duikt het woord weer op, de mantra, het vlaggenschip van de hedendaagse taalkunde: variatie.

Eenheid

Vrienden, Vlamingen en Nederlanders, lagelandgenoten, leen mij uw oren.

Ik heb niets tegen variatie. Zonder variatie geen werkelijkheid. Zonder variatie geen leven.

Maar het blijft belangrijk om, als het over het Nederlands gaat, en zeker over het Nederlands in de wereld, altijd eerder de eenheid te benadrukken dan het verschil, de variatie.

Natuurlijk zijn taalnormen constructies en, in wezen, ficties. Maar het zijn nuttige ficties. En het stellen van een norm is niet per definitie een machtsaanspraak die de taalgebruiker fnuikt, laat staan kwetst, vernedert of uitsluit.

Het is juist democratisch dat vooral het onderwijs in een samenleving bij het aanleren van een taal in alle situaties een norm stelt. Dat onderwijs moet alleen zo worden georganiseerd dat zo veel mogelijk mensen in staat zijn om die norm te halen. Het gaat om streven naar de norm: alle cultuur is streven, beweerde Huizinga. Het is geen ramp als de norm niet wordt gehaald. Toch moeten alle inspanningen daarop wel gericht zijn. Sterker, pas dan kan men zich afwijkingen permitteren. Afwijkingen worden dus pas interessant, als er een norm is. Iemand heeft de standaardtaal ooit omschreven als een dialect met een leger. Welaan dan, leve zo’n leger.

Schouders van reuzen

Vrienden, Vlamingen en Nederlanders, lagelandgenoten, leen mij voor de laatste keer uw oren.

U bent de tekst van het Verdrag vergeten. Ik mag hem niet lezen. Het is niet goed dat u zou beseffen in welke edele bewoordingen er over onze taal werd gesproken in dat plechtige, wat stroeve Nederlands van 1980.

U bent niet van hout of steen. U zijt mensen. En deze tekst zal u in vuur en vlam zetten. Zal u boos maken. Maar ik zeg u.

U zult onze taal eren door haar te gebruiken in alle registers, in alle omstandigheden. Door erin te denken, te spreken en te schrijven, door wetenschap erin te blijven bedrijven en literatuur, maar vooral, ook, ja: wetenschap. Want een taal die een functie verliest, verliest prestige. We zijn het verplicht aan Simon Stevin, die het schip van onze taal optuigde voor de wetenschap.

We zullen haar eren door erin te vloeken en te strelen, de liefde te bedrijven en te haten, te begrijpen en trefzeker te veroordelen, wanneer dat moet. Door haar aan te leren aan onze kinderen en kleinkinderen, aan al wie op deze planeet erom vraagt, zelfs als men er niet om vraagt.

Door ze aan te bieden aan nieuwkomers, als geschenk en als opdracht, als wijd open toegangspoort voor onze samenleving. En ik schroom niet het te zeggen: door moeite te vragen ervoor aan iedereen. Want een taal leren vraagt tijd en inspanning.

Nooit komen we aan in een taal. Maar een taal is geen muur waartegen ons denken botst. Het is eerder een weldadige oceaan waarin ons denken wordt opgenomen en verdrinkt.

De taal bestond vóór ons. Maar ze zal blijven bestaan, ook als wij, individuele gebruikers ervan, haar niet meer spreken, schrijven of prevelen. Ze blijft zichzelf en metamorfoseert tegelijk onder onze ogen en onder onze handen. Ze is nooit van mij. Maar altijd van ons.

Wees blij dat het Verdrag inzake de Taalunie bestaat. Wees blij dat de Taalunie bestaat. Want vandaag zou ze niet meer worden opgericht.

Dank dus aan de vroede vaderen van de jaren zeventig van de vorige eeuw, hoofdzakelijk Vlaamse civil servants, de fijnzinnige en doortastende Johan Fleerackers voorop, en generaties cultuurflaminganten. Dank aan Charles Ferdinand Nothomb en Van der de Mei, de passanten die het Verdrag namens ons, de vrije burgers van de Lage Landen, mochten ondertekenen.

Laat de verantwoordelijke ministers doortastend en onverschrokken handelen, zonder angst voor de eigen schaduw

Het huidige Comité van Ministers, hier vertegenwoordigd door Vlaams minister-president Jan Jambon, dat deze prijs in ontvangst mag nemen, staat op de schouders van reuzen.

Van “hebban olla vogala” tot Lisette Ma Neza, van Simon Stevin tot Martine Tanghe, van Raymond van het Groenewoud tot Multatuli.

Het Comité heeft een belangrijke verantwoordelijkheid en een schone taak. Voor de zorg van de taal zijn we allen individueel verantwoordelijk. Voor het taalbeleid en meer nog, de taalpolitiek, zijn de over ons aangestelden verantwoordelijk. Laat ze dus doortastend en onverschrokken handelen, zonder angst voor de eigen schaduw.

Ik wil aan het Comité van Ministers drie werven voorleggen: het Nederlands in de wereld; een taalpolitiek van echte meertaligheid die het prestige van het Nederlands in onderwijs en onderzoek ten goede komt; een focus op leesvaardigheid.

Het Nederlands in de wereld

Het Nederlands in de wereld verdient meer ondersteuning van uw Comité. Nederland en Vlaanderen besteden namelijk fors minder dan andere Europese landen (Zweden, Portugal, Duitsland, Polen en Hongarije) aan het buitenlands onderwijs van hun taal. Terwijl toch uit onderzoek, van de Taalunie zelf, bleek dat Nederland en Vlaanderen wel veel baat hebben bij een sterk internationaal onderwijs van de taal en cultuur.

Honorabel comité van ministers, afgevaardigden van de even honorabele Nederlandse en Vlaamse overheden: investeer in de studie van het Nederlands buitengaats, uit welbegrepen eigenbelang en in het kader van een gerichte en slimme cultuurpolitiek.

Echte meertaligheid

Organiseer een echte politiek van meertaligheid die voor ogen houdt dat Engels noodzakelijk is maar niet voldoende; dat met name Frans en Duits, net zoals Engels, van vitaal belang zijn voor de Lage Landen, gezien hun geostrategische positie.

Echte meertaligheid kan en moet met recht en reden worden gecombineerd met een politiek van “Nederlands, tenzij” in het hoger en universitair onderwijs en onderzoek. Want functieverlies van een taal, het Nederlands dus, dat op termijn minder concepten gaat ontwikkelen in een wetenschappelijke discipline, leidt tot prestigeverlies.

Leesvaardigheid

Dat Nederlandse en Vlaamse kinderen hun leesvaardigheid zien dalen en minder graag lezen, is dan weer een complex onderwijskundig, cultureel en maatschappelijk probleem, waar ook de om zich heen grijpende digitalisering, het tanend prestige van opleidingen geesteswetenschappen, en dus ook talen, mee te maken heeft.

Minder en minder jongeren gaan Nederlands studeren of willen leraar worden. Het vermogen om complexe teksten te lezen en te interpreteren neemt af. Een maatschappelijk probleem van de eerste orde. Want een democratische samenleving heeft mondige en kritische burgers nodig die boodschappen kunnen duiden en ontrafelen.

Onze wereld

Ceterum censeo – overigens ben ik van mening – niet dat Carthago moet worden vernietigd, zoals Cato bepleitte na elke tussenkomst in de Romeinse senaat, maar dat Nederland het Nederlands in de grondwet moet opnemen als taal van het koninkrijk. Het is al drie keren voorgesteld als ik het goed heb. Het is niet te laat. Het is nooit te laat.

Natuurlijk zal dat niets veranderen, maar de mens leeft niet alleen van meetbare vooruitgang. Een samenleving, een cultuur, leeft ook van symbolische representatie.

Er zijn een zesduizend talen op deze planeet in een uithoek van een heelal dat niet schijnt te spreken. Van die zesduizend zou de helft deze eeuw kunnen verdwijnen, beweren taalkundigen.

Wat er ook van zij, al die talen zijn elkaar waard. Geen enkele is beter of slechter dan een andere om de wereld uit te drukken en de werkelijkheid tot stand te brengen.

Maar het Nederlands drukt onze wereld uit en onze werkelijkheid.

Frank De Clercq

Grote dank aan Luc Devoldere voor deze zo mooie LOF-rede op het Taalunie-verdrag.

Moge deze een dagelijkse aansporing zijn ter respect voor ons Nederlands.

Frank JL De Clercq

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.