Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Drinkebroers, schutters en schalks kijkende vrouwen: Frans Hals schilderde ze magistraal tot leven
0 Reacties
Jonge vrouw (‘La Bohémienne’), ca. 1632 © Musée du Louvre, Parijs, Département des Peintures
Jonge vrouw (‘La Bohémienne’), ca. 1632 © Musée du Louvre, Parijs, Département des Peintures Jonge vrouw (‘La Bohémienne’), ca. 1632 © Musée du Louvre, Parijs, Département des Peintures
recensie
kunst

Drinkebroers, schutters en schalks kijkende vrouwen: Frans Hals schilderde ze magistraal tot leven

Het Rijksmuseum stelt circa vijftig van de beste werken van Frans Hals tentoon. Die selectie brengt een virtuoos vakman voor het voetlicht. Als geen ander kon de zeventiende-eeuwse meester neergekwakte vegen en gepenseelde smeersels transformeren tot sprekende portretten.

Als je de tentoonstelling Frans Hals in het Rijksmuseum binnenloopt, houdt het museum de schilderijen nog even voor zich. In neonletters licht zijn naam op, in zwart-wit worden zijn woeste penseelstreken psychedelisch uitvergroot. Wat gaan we hier zien? Wat gaan we ervaren? “Rauw”, schrijft de eerste zaaltekst en De vrolijke drinker zwaait ons tegemoet, een goed gevulde berkenmeier wankelend op zijn vingertoppen, alsof hij wil zeggen: pak een glas, kom binnen, ik stel je voor aan mijn vrienden.

En dan begint het, zaal na zaal, portretten en tronies van kooplieden en kinderen, schutters en drinkebroers, sekswerkers en muziekmakers die oogcontact met ons zoeken, beschroomd glimlachend, ginnegappend, sommigen schateren hun slechte tanden bloot. En als ik heb teruggekeken en teruggelachen begin ik mijn ronde opnieuw, beter observerend.

Ik zie de liefdevolle blik waarmee een echtgenote naar haar man kijkt, al vier eeuwen is haar rechterhand innig met de zijne verweven. Ik kijk in de bruine ogen van een man die misschien Pieter Verdonck heet, ogen die me vasthouden in een mengeling van vrolijkheid en wanhoop, pas later zie ik het merkwaardige ezelskaakbeen dat hij in zijn hand heeft geklemd. Willem van Helthuysen verschijnt, wippend op zijn stoel, een en al beweging tot in de sporen van zijn baldadig geschilderde laarzen.

En overal dat magistrale penseel van Hals, dat de zachtheid van veren, de koude van een schedel, het nat van een oog weet te vangen in een toets die door de jaren heen steeds onstuimiger wordt – woestheid waarbinnen alles onder controle is.

48 schilderijen

Grote tentoonstellingen van Frans Hals waren te zien in 1937, 1962, en 1990 – en nu, in 2024, in het Amsterdamse Rijksmuseum. De expo begon vorig jaar in een iets andere vorm in de National Gallery in Londen en zal straks, ook weer in een andere gedaante, doorreizen naar de Berlijnse Gemäldegalerie. Voor de Amsterdamse tentoonstelling werden door conservator Friso Lammertse 48 schilderijen geselecteerd van de 220 die het Rijks aan de meester toeschrijft.

Frans Hals' toets wordte door de jaren heen steeds onstuimiger wordt – woestheid waarbinnen alles onder controle is

Nadat de eerste monografie over Hals in 1871 was verschenen, kwam er een stroom aan publicaties op gang waarin die ene centrale vraag de gemoederen bezighield: welke werken zijn wel, niet, of gedeeltelijk eigenhandig door de meester geschilderd? Twee grote oeuvrecatalogi waren sleutelmomenten in dit discours: die van Seymour Slive uit 1970-1974 (222 schilderijen) en die van Claus Grimm uit 1989 (145 schilderijen). In zijn allernieuwste onderzoek, dat hij verrichtte in samenwerking met het RKD Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis en het Frans Hals Museum, telt Grimm 120 eigenhandige werken van de meester. Het eerste deel van zijn nieuwe catalogue raisonné is inmiddels online op de website van het RKD verschenen, de volledige catalogus wordt later deze lente online gepubliceerd.

Het Rijksmuseum volgt nog steeds op hoofdlijnen de toeschrijvingen van Seymour Slive en het is verfrissend dat de toeschrijvingsdiscussies niet centraal staan in de catalogus die bij de tentoonstelling is verschenen. Reden daarvoor is, zo zeggen de auteurs, dat het materiaaltechnisch onderzoek naar het oeuvre van Hals nog in de kinderschoenen staat. Hoe anders is dat met de oeuvres van Rembrandt en Vermeer! En wat een rust brengt dat in het kijken! Het is wonderbaarlijk om met röntgenapparatuur, infraroodtechnologie of andere digitale wondermiddelen naar schilderijen te kijken, maar het is nog wonderbaarlijker om dat met onze eigen ogen te doen – geholpen door de piekfijne essays in de catalogus.

Renaissance-elleboog

Vaak gaat het in die essays natuurlijk over het verbluffende penseel van de meester. Frans Hals (geboren omstreeks 1584) arriveerde als peuter van een jaar of twee met zijn ouders in Haarlem, als een van de vele nieuwkomers die de Zuidelijke Nederlanden waren ontvlucht na de Val van Antwerpen. In 1610 trad hij toe tot het Sint-Lucasgilde in Haarlem en ook diende hij als musketier in de schutterij van de Sint-Jorisdoelen.

Hij bouwde, onder andere als lid van de rederijkerskamer Wijngaardranken een groot sociaal netwerk uit in de stad, dat door nieuw onderzoek nu beter in kaart is gebracht. Maar Hals zou de contacten met de Zuidelijke Nederlanden blijven onderhouden. In 1616 bezocht hij Antwerpen, en het is zeer waarschijnlijk dat hij toen in het atelier van Rubens het werk heeft gezien van “penseelvirtuozen” Anthony van Dyck en Jacob Jordaens die toen bij Rubens werkzaam waren.

De ruige toets moet Hals hebben aangesproken, doorheen de jaren zou hij zich een steeds grotere vrijheid gunnen in het gebruik ervan en hij zou hem tot in de perfectie gaan beheersen. Je ziet het als je met je neus op de schilderijen gaat staan (en daarna, thuis, de uitvergrote details in de catalogus bekijkt): gepenseelde smeersels en streken, neergekwakte vegen en vouwen die zich, als je afstand neemt, op wonderbaarlijke wijze tot een hand, een laars, een kanten kraag transformeren.

Bart Cornelis wijst ons in zijn essay ook op een ander middel waarmee de modellen van Hals onze aandacht weten te vangen: de “renaissance-elleboog”, waarbij de geportretteerde de hand in de zij houdt en met de elleboog naar ons toegekeerd staat. Die zwierige ellebogen, ze verbinden niet alleen macht met elegantie, maar ook de geportretteerde met ons, de kijkers, ze komen uit het doek tevoorschijn, steken uit de lijst en eisen hun eigen ruimte op in ónze ruimte.

De ellebogen zelf werden ook weer meesterstukjes, soms bijeengeveegde verf, soms juist met een bijzondere verfijning geschilderd. Kijk toch eens naar die mouw van De lachende cavalier waarop we Cupido’s pijl kunnen ontwaren die uit een hartjesbloem tevoorschijn komt, of het magistraal gepenseelde exemplaar van Jasper Schade wiens hautaine blik ons duidelijk maakt dat we zijn kledingstijl nooit zullen kunnen evenaren.

Ook “een van de luisterrijkste figuren” (dixit Cornelis) die Hals ooit schilderde, namelijk de vaandeldrager die geheel links staat te shinen op De magere compagnie, heeft zo’n elleboog. Over die vaandeldrager verzuchtte Van Gogh in een brief aan zijn broer Theo: “ik heb zelden goddelijk mooier figuur gezien.” Ook dit schilderij biedt een les in kijken: links de figuren van Hals, rechts de figuren zoals geschilderd door Pieter Codde, die het schilderij voltooide.

Wie waren toch al die geportretteerden? De catalogus brengt dankzij nieuw onderzoek velen van hen voor het voetlicht door het sociale netwerk en het atelier van Hals voor ons in beeld te brengen. Uit nieuw onderzoek blijkt ook dat Hals internationaal bekendheid moet hebben gehad, zo kwam zijn naam voor op een lijst met 350 werken van Hollandse schilders waaruit de Deense koning Christiaan IV werken kon aankopen. In de catalogus wordt ook voor het eerst ingegaan op de portretprenten die naar het werk van Hals werden gemaakt.

Gerimpelde wangen en naakte tanden

Dat Frans Hals de kunstenaar van de lach is, dat weten we allemaal, en als we het nog niet wisten dan is het ons inmiddels door de afdeling marketing van het Rijksmuseum wel ingepeperd. In een aanstekelijk geschreven essay van Friso Lammertse lezen we voor het eerst over de gelaagdheid van al dat geschater in het werk van Hals. Want al is lachen van alle tijden, in de zestiende en zeventiende eeuw deden filosofen, medici, schrijvers en kunstenaars op alle mogelijke manieren onderzoek naar de lach.

Lammertse neemt ons mee in die geschiedenis en begint bij Erasmus: “Het misstaet ook dat zommige / als zy lacchen een gebries maken. Oock onbetaamlijk is die lach / welke de opsperring van de mond / met gerimpelde wangen en naakte tanden wydt van een strekt / welcke hondelijck is.” Gelukkig wisten kinderen niets van Erasmus, en als Hals’ modellen te diep in het glaasje hadden gekeken gold er geen enkel decorum meer en kon de meester hun gegier en geschater vastpakken met zijn penseel.

Hals blonk niet alleen uit in het weergeven van de uitbundige lach. Hij beheerste ook het register van de fijnzinnigheid en ingetogenheid, ook bij vrouwen, met wiens glimlachjes en schalkse blikken hij liefde en toewijding tot leven schilderde. En ook dit essay leert ons het werk van Hals beter te zien: kijk hoe hij de vluchtigheid van de lach volgt met zijn tempo en zijn losse toets, kijk naar die penseelstreek die alles in beweging zet en tegelijkertijd alles stilzet, voor ons, voor mij, in het nu, vier eeuwen later.

De tentoonstelling Frans Hals is tot en met 9 juni te zien in het Rijksmuseum en reist daarna in een andere vorm door naar de Gemäldegalerie in Berlijn. Catalogus met essays van Bart Cornelis, Friso Lammertse, Justine Rinnooy Kan en Jaap van der Veen. Meer lezen over Hals? Zie dan dit leeslijstje met de favorieten van Friso Lammertse.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.