Dit sympathieke boek biedt verlichte ideeën uit de ‘donkere’ middeleeuwen
Wat vroeger kon, moet ook nu mogelijk zijn: in Het Ministerie van Middeleeuwse Zaken dient het verleden als voeding voor vandaag. Lovenswaardig en inzichtrijk, maar de speelse en idealistische aanpak botst in dit boek soms op haar grenzen.
“Middeleeuwse toestanden” is een omschrijving die zelden als compliment wordt gebruikt. Ze doet denken aan barbarij, brandstapels en vrouwenhaat, alles wat niet door de toverstok van het humanisme is aangeraakt. Dit beeld is inmiddels al lang door mediëvisten rechtgezet, recent nog in de bundel Middeleeuwse medemensen. De clichés over de donkere eeuwen voorbij (Ertsberg, 2023). De middeleeuwen waren géén zwart gat in de geschiedenis, maar een bruisend millennium vol ideeën, tegenstellingen en experimenten.
Die veelzijdigheid vormt het uitgangspunt van Het Ministerie van Middeleeuwse Zaken. Het fraai vormgegeven boekje op zakformaat biedt middeleeuwse inzichten die ons kunnen helpen bij het vormgeven van “een veerkrachtige en duurzame samenleving”. In veertien essays komen actuele thema’s voorbij als conflictbeheersing, vrouwelijk leiderschap, recycling, vrijheid van meningsuiting, het onderscheid tussen kennis en geloof en de rol van meertaligheid in het onderwijs.
De benadering in deze essays is ronduit idealistisch, soms eerder politiek dan wetenschappelijk. De schrijvende kunsthistorici, geschiedwetenschappers en historisch letterkundigen willen de huidige maatschappij verbeteren of een spiegel voorhouden. Dat past bij de bredere trend om het verleden te bekijken door de bril van het heden en historische personen te veroordelen vanuit het perspectief van nu. We zien dat aan de “beeldenstorm” in verschillende landen: de controverse over monumenten voor zeehelden (J.P. Coen in Hoorn) en staatslieden (Winston Churchill en Robert Milligan in het Verenigd Koninkrijk) van wie de ooit bewonderenswaardige woorden en daden vloeken met de morele eisen van sommige hedendaagse critici.
De schrijvende kunsthistorici, geschiedwetenschappers en historisch letterkundigen willen de huidige maatschappij verbeteren of een spiegel voorhouden
Wetenschappelijk is zoiets riskant. Wie zoekt naar wat mooi of waardevol is vanuit het perspectief van onze tijd, of dat nu op artistiek of moreel gebied is, loopt kans de middeleeuwen niet meer in hun eigen historische context te zien. Een anachronistische visie ligt dan op de loer, waarin duizend jaar geschiedenis wordt gezien als een opmaat tot ons moderne zelf. Doen we dan wel recht aan de middeleeuwse cultuur? Hoe representatief zijn bijvoorbeeld de aangehaalde opvattingen voor de mensen van toen?
In dit vrolijke boek spelen deze vragen geen rol. De auteurs zien de middeleeuwse gedachtewereld als een laboratorium waarin experimenten zijn gedaan die ons iets kunnen leren. De toon is soms naïef maar steeds optimistisch, waarbij gesuggereerd wordt: wat vroeger kon, moet ook nu mogelijk zijn. Zo schrijft Tim Soens over de omgang met natuurrampen die in de vijftiende eeuw verrassend weinig slachtoffers eisten. Het begrip “natuurramp” past eigenlijk niet in de middeleeuwse wereld, omdat men ervan uitging dat het menselijk leven op elk moment verstoord kon worden. Rampen waren een vanzelfsprekend onderdeel van Gods schepping. Men paste zich aan (accommodatie) in plaats van te streven naar controle. Het is een lovenswaardige maar tegelijkertijd fatalistische houding waarvan je je kunt afvragen in hoeverre zij vandaag acceptabel zou zijn. Of die accommodatie een specifieke middeleeuwse karaktertrek is, valt ook te betwijfelen. Is het niet eerder een kenmerk van de pre-industriële samenleving, met eenvoudigweg minder mensen, minder dieren, minder belangen?
Leerzaam zijn de zogeheten steenboetes in de late middeleeuwen. Daarmee kon een veroordeelde zijn schuld aan de maatschappij repareren door zelf stenen aan te schaffen die konden worden gebruikt voor het bouwen van een school of stadsmuur. Zo herstelde iemand lokaal de maatschappelijke schade, een praktijk die mijlenver is verwijderd van de boetes die vooral de algemene schatkist spekken, zoals in het geval van verkeersovertredingen. Nathan van Kleij pleit voor een moderne variant van zulke steenboetes: specifiek toegewezen boetes voor lokale doeleinden. Een boete kan dan een bijdrage aan de lokale verkeersveiligheid zijn of aan de veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte. Zo’n systeem repareert niet alleen de schade, maar verhoogt ook de kans op rehabilitatie van de overtreder. Het lijkt me een aantrekkelijk plan dat evenwel in onze mobiele, efficiënte wereld moeilijk uitvoerbaar is. Moet ik de parkeerboete die ik onlangs aan de andere kant van het land kreeg, voldoen door een paar uur te werken als verkeersregelaar? En waar dan? Voorlopig is een QR-code handiger voor zowel de burger als de overheid.
Ballade met acrostichon ‘Willem de Gortter’, met de verzen ‘Mint uwen naesten, ten sal u niet berouwen / Doet uwen vijant deucht, wie dat is groot oft cleijn’© Koninklijke Bibliotheek van Belgie (KBR), Brussel
In zijn essay over nepnieuws stelt Bram Caers dat de boekdrukkunst een positief én negatief effect had. Enerzijds verspreidde ze kennis en stimuleerde zo de opkomst van het humanisme, anderzijds had ze ook een sterk polariserende werking, met name als het gaat om de godsdiensttwisten van de zestiende eeuw. Martelingen en gruwelen werden vaak sterk overdreven om de vijand zwart te maken, precies zoals nu op sociale media gebeurt. Caers toont een ander, hoopgevend voorbeeld: de dichter Willem de Gortter. Als protestant in een katholiek Mechelen zocht hij bewust verbinding. “Hij sympathiseerde als lutheraan dan wel met de Republiek, zijn persoonlijke situatie maakte dat hij zich evengoed kon verplaatsen in de alledaagse besognes van zijn katholieke vrienden.” Zijn houding toont dat mensen met meningsverschillen kunnen samenleven in een maatschappij die vergiftigd is door polariserende vijandbeelden.
Cécile de Morrée duikt dieper in de wereld van de seksualiteit en toont hoe consent in het zestiende-eeuwse Antwerpse Liedboek werd uitgesproken. In deze liederen zijn minnaars aan het woord die hun instemming expliciet uiten, waarbij ze herhaaldelijk navragen of hun wens tot seks toch echt wederzijds is, een hoffelijkheid die zeker als een voorbeeld kan dienen voor menig Andrew Tate-aanhanger. “Ai, lief meisje, hoe beval ik je”, vraagt de man, waarop de vrouw antwoordt: “Je bevalt me zeer goed.” Opvallend is hoe in de liederen consent een proces is dat niet stopt zodra er een voet staat tussen de deur van de slaapkamer. Tot vlak voor de daad gaat het voortdurende uitspreken van instemming door, soms zelfs tot irritatie van een enkele vrouw voor wie het ritueel te lang duurt. Zij spoort haar minnaar aan om nu eens zijn kousen en schoenen uit te doen. “En coemt hier bi mi onder!” En kom onder de dekens.
Een jonkvrouw haalt haar minnaar op in een korf, afbeelding uit de Codex Manesse, 1300-1340 © Universitätsbibliothek, Heidelberg
Het essay is een levendig bewijs dat consent geen moderne uitvinding is. Jammer dat het essay besluit met de oproep om een mediacode op te stellen, zodanig dat films en tv-series met “gelijkwaardigheid en wederzijdsheid” prioriteit krijgen. Zoiets klinkt sympathiek, maar het riekt toch naar een beknellende neiging om kunst te kuisen omdat ze het publiek moet opvoeden, precies de houding die we doorgaans niet zo charmant vinden aan de middeleeuwen.
De speelse benadering van het verleden slaat door in het essay over genderfluïditeit van Jonas Roelens. Hier lijken de middeleeuwen niet langer te dienen als inspiratiebron voor oplossingen voor actuele vraagstukken, maar als bevestiging van hedendaagse verlangens, als een lost paradise. Zo wordt de legende van de heilige Wilgefortis aangehaald: een vrouw die God smeekte haar onaantrekkelijk te maken om een huwelijk te ontlopen, waarna ze wakker werd met een snor en baard. Het verhaal wordt gepresenteerd als een teken dat genderfluïditeit een historische grondslag heeft. Mij lijkt dit nogal vergezocht: illustreert het niet vooral dat een vrouw met baard als ongebruikelijk (en onaantrekkelijk) werd gezien, wat je daar verder ook van vindt?
Jheronimus Bosch, Wilgefortistriptiek, circa 1494-1515, Venetie, Gallerie dell’Accademia© Wikimedia Commons
Eenzelfde wishful thinking zie je bij de bespreking van Adam, die volgens sommige theologen zowel mannelijke als vrouwelijke kenmerken bezat (Eva was uit hem geschapen). Deze visie op Adam zou aantonen dat men in de middeleeuwen best genuanceerd dacht over genderfluïditeit. Dat kan best zo zijn geweest, maar ik vrees dat er binnen de kloosters en burchten van onze voorouders weinig begrip is geweest voor de moderne genderexpressie.
Op dit punt krijg je toch echt bedenkingen. Zijn de aangehaalde “inspirerende” voorbeelden wel representatief voor de middeleeuwse cultuur en samenleving? In hoeverre moet je deze periode als een voorbeeld zien? En zijn de oplossingen wel realiseerbaar in onze samenleving die toch wezenlijk anders is? In Het Ministerie van Middeleeuwse Zaken doet dat er nauwelijks toe. Het gaat om de oplossingen, de ideeën, niet om de historische volledigheid. In die zin heeft het boek iets gratuits. Je zou ook oplossingen uit heel andere tijdvakken en culturen kunnen aandragen. Bovendien heeft die selectieve verheerlijking van de oude tijd ook een andere kant. Wie zoekt naar “oplossingen” uit de middeleeuwen vindt niet alleen verlichte voorbeelden: plunderingen, Jodenhaat, kruistochten, onderdrukking van vrouwen, lijfeigenschap, dogmatisme. Komt er ook een “ministerie” dat deze minder verheffende zaken opdiept om die ons ter inspiratie voor te houden?
Dit Ministerie zet de deuren naar vroeger open op een sympathieke, schaamteloos progressieve manier. Daarmee staat ze ongetwijfeld aan de goede kant van de geschiedenis. Je zou wensen dat elke beleidsmaker en politicus dit optimistische boekje af en toe uit de binnenzak opdiept en raadpleegt. Voor de aangeboden oplossingen én om zich af te vragen: hoe middeleeuws willen wij echt zijn?
Cécile de Morrée (red.), Het Ministerie van Middeleeuwse Zaken. Inspirerende oplossingen voor de grote vraagstukken van nu, WalburgPers, Zutphen, 2025, 208 p.









Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.