Publicaties
Dit is een klus voor de taaldetective
0 Reacties
column Taaltoestanden
taal

Dit is een klus voor de taaldetective

Fieke Van der Gucht vindt een ongedateerde cassette waarop is te horen hoe ze als kind sprookjes navertelt. Maar hoe oud is ze precies in die opnames? Als een ware taaldetective probeert ze dat te achterhalen aan de hand van haar taalniveau. ‘Mijn lexicale ontwikkeling stelde me diep teleur.’

Was ik geen professioneel kommaneuker geworden, dan was ik nu vast forensisch taalkundige: een soort taaldetective die, bij misdaden, bewijs puurt uit gesproken en geschreven taal. Zo werd ene David uit Yorkshire ontmaskerd als moordenaar van zijn ex-vrouw op basis van een talige analyse van zijn sms-verkeer. School er ook een taaldetective in mij, vroeg ik me gisteren af. Dat zou ik mooi uitvogelen met twee audio-opnames van Fieke junior, nam ik me voor: De wolf en de zeven geitjes (met transcriptie en uitleg) en Roodkapje (met transcriptie en uitleg). Op de originele cassette stond geen datum. Met een taalkundige analyse (en met Schaerlaekens De taalontwikkeling van het kind) hoopte ik erachter te komen hoe jong ik precies was. De coronacrisis maakt nostalgici van ons allen, niet waar?

Kinderen zijn grote sponzen, zo stelde ik vast toen ik mijn jongere zelf beluisterde. Van Roodkapjes schrille stemmetje (Wat heb je grote ooooogen, wat heb je grote ooooren, wat heb je grote tanden!) tot de wolfs linke timbre (Dat is om je goed te… opeten!): het bleek één grote imitatie van de meester-verteller, wijlen mijn grootvader André Van der Gucht. Mijn moeders invloed liet zich dan weer gelden via de jagers verwijt aan Grootmoe en Roodkapje nadat hij hen had bevrijd uit de buik van de wolf: da komt ervan, hé! Die zin gebruikt(e) mama steevast bij klein en groot onheil waarvoor ze me vooraf nog zó gewaarschuwd had.

Interessante observaties, maar ze brachten me niet dichter bij mijn leeftijd. Dat deed de huilende baby op de achtergrond wél. Het geblèr werd geproduceerd door mijn broertje, neefje of nichtje, die alle drie minstens drie jaar jonger zijn. Ha! Ik was dus op zijn minst drie jaar. Daarmee had ik de prelinguale fase (huilen en brabbelen) en de vroeglinguale fase met eenwoord- (Boek’), tweewoord- (Fieke boek!) en meerwoordzinnen (Fieke boek lezen!) achter de rug. Zeker was nu: ik zat in de differentiatiefase die loopt van 2,5 tot 5 jaar en waarin de moedertaal zich explosief ontwikkelt. Nu restte me nog uit te zoeken of ik dichter tegen de drie dan wel tegen de vijf jaar aanzat: hoe méér ik onder de knie had, hoe ouder ik vermoedelijk was.

Op fonologisch vlak kon ik alvast de moeilijkste klankencombinatie in het Nederlands afvinken, de sch (Da’s de grootste schaar!): om die klank goed te krijgen, moet je onmiddellijk switchen van de s die je vooraan in je mond vormt naar de ch die je diep vanuit je keel produceert. Mijn klankenarsenaal wees dus veeleer naar 5 dan naar 3 jaar. Ook op morfologisch vlak was ik al goed ter tale. Zo gebruikte ik vlot verkleinwoorden en begreep ik bovendien dat ik daarmee naar een kleine uitvoering van het basiswoord verwees in realiteit (“Kijk, da zijn allemaal grote! En da’s een kleintje”, zei ik over de geitjes).

De forensisch taalkundige begon steeds meer te geloven in een vijfjarige Fieke junior!

Verder had ik de trappen van vergelijking onder de knie (“Maar gij hebt geen zacht stemmeke. Da’s de stem van de wolf. En de mama heeft een zachter stemmeke.” En: “Nu heb ik een klein geitje en da’s de grootste schaar!”) en met de meervoudsvorming van naamwoorden kreeg ik ook de hele congruentie van onderwerp en werkwoord eronder. Ik had het namelijk over “En de mama Geit (= enkelvoud) doet (= enkelvoud) de klok open” en “Waar zijn (=meervoud) al mijn andere geitjes (=meervoud) naartoe?”

De forensisch taalkundige begon steeds meer te geloven in een vijfjarige Fieke junior! Ook mijn grammaticale beheersing leek die hypothese te bevestigen. In de differentiatiefase breidt een kind zijn tijdsgebruik eerst uit naar de onmiddellijke toekomst (met hulpwerkwoord gaan) en onmiddellijke verleden (met hulpwerkwoord hebben of zijn en een voltooid deelwoord), later naar de verdere toekomst (met hulpwerkwoord zullen) en verdere verleden, wellicht een weerspiegeling van hoe zijn temporele bewustzijn zich ontwikkelt. Die fases had ik klaarblijkelijk allemaal doorlopen: “’t Kleinste gaat gaan kijken, hé!”, “Hij heeft het gehoord, hij zit achter de boom”, “Ik zal ies eerst naar ’t huisje lopen, zegt de wolf” en “Dan ging de mama naar de markt”.

Alleen: met mijn woordenschat was het een pak schraler gesteld. Hoewel ik het gebruik van (on)bepaalde lidwoorden en voornaamwoorden niet foutloos (“de bed”), maar aardig beheerste, stelde mijn lexicale ontwikkeling me diep teleur. Ik leed nog aan overextensie: mijn moeder Geit ging met een kruiwagentje naar de markt, waardoor ik kruiwagen te breed inzette. Roodkapje trekt de bloemetjes af, in plaats van ze te plukken en de geitjes verstoppen zich niet, ze steken zich in een ton of in de bed. Was vijf jaar dan toch te gul gegokt?

Ironisch genoeg gaf de wiskunde, niet de taalkunde uitsluitsel

Ironisch genoeg gaf de wiskunde, niet de taalkunde uitsluitsel. Het tellen van de zeven geitjes verliep duidelijk moeizaam: “De zeven geitjes zijn er allemaal: 1, 2, 4, 6, 9, 8, 5, 6!”, hoorde ik mezelf zeggen, terwijl ik de geitjes één voor één aanwees. Jaja, ik was duidelijk een stadium verder dan driejarigen die nog akoestisch tellen – een rijtje tot tien aframmelen zonder door te hebben dat er telkens een eenheid bijkomt – maar resultatief tellen als vijfjarigen zat er nog niet in. Ik had namelijk nog niet door dat het laatste getal in de telrij de hoeveelheid aanduidt en je telt om een aantal te bepalen. Mijn telrij van de zeven geitjes eindigde bij zes en in totaal somde ik acht verschillende cijfers op. Wat ik wél deed, was synchroon tellen: de telrij opzeggen en de getallen via een één-op-éénrelatie verbinden met personen of voorwerpen, in dit geval de getekende geitjes. Als vierjarige een geit of getal vergeten of twee keer tellen, was perfect normaal, zo las ik opgelucht.

De forensisch taalkundige klokte af op vier jaar! Enthousiast belde ik mijn moeder met een veel te lange taalkundige uitleg. “O jee”, onderbrak ze me halverwege. “Je had je de moeite kunnen besparen. We maakten die opname toen we onze eerste cassetterecorder in huis hadden gehaald. Dat was in 1982… en toen was je vier!”

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.