Publicaties
Denken, aarzelen, durven en doorzetten. Hoe kunst en poëzie elkaar ontmoetten in Watou
0 Reacties
literatuur

Denken, aarzelen, durven en doorzetten. Hoe kunst en poëzie elkaar ontmoetten in Watou

In het boek Dat was Watou geeft Gwy Mandelinck inkijk in zijn hoogstpersoonlijke notities over de jaren dat hij samen met zijn vrouw, Agnes Hondekyn, de Poëziezomers in Watou organiseerde. Hugo Brems leidde het boek in met een fraai historisch exposé. ‘We zijn getuigen van het geknars, gebroed en geblaas dat ieder jaar weer aan de Poëziezomer voorafging en tot die verbluffende eenvoud leidde.’

In 1974 verscheen van Gwij Mandelinck de dichtbundel De wijzers bij elkaar. Het was het jaar voor Gwij en Agnes uit Tielt verhuisden naar Watou. In die bundel staat onder meer het gedicht ‘Die naar het wonder rolt’. Ik lees twee strofen daarvan:

Het gaat mij zichtbaar voor de wind:
geduldig schep ik water
in de draagmand van de zon;
in het hoog beminde licht
werk ik traag de vrede bij.

Ook ’s zomers kunnen kinderen bedrijvig zijn:
zij lopen kevers achterna
en volgen ver de draad
die naar het wonder rolt.

Je zou dit gedicht kunnen lezen als een metaforische aankondiging van de Poëziezomers die vijf jaar later van start zouden gaan. In deze zomerse wereld vol wonderen, is immers niets wat het lijkt. De wereld is betoverd. Het gedicht roept ook de idylle op die veel bezoekers later met Watou zullen associëren. Een zomerse uitstap naar een landelijke uithoek van Vlaanderen, wandelen langs de velden, zich laten verrassen door kunst en poëzie in verlaten en vervallen gebouwen. En dan nagenieten bij een streekgerecht of een Hommelbier. Het lijkt allemaal zo eenvoudig en vanzelfsprekend. Maar lezend in Dat was Watou moest ik denken aan een versje van Leo Vroman:

Eenvoud is een eindprodukt.
In een bord, brood, kaas,
eindigen eeuwenlang mislukt
geknars, gebroed, geblaas.

In Dagboek van de Poëziezomers, dat hier vandaag wordt voorgesteld, zijn we getuigen van het geknars, gebroed en geblaas dat ieder jaar weer aan de Poëziezomer voorafging en tot die verbluffende eenvoud leidde. Over twee aspecten daarvan wil het kort hebben.

Het eerste heeft te maken met de combinatie van poëzie en kunst. De eerste jaren, toen het nog louter artistieke zomers waren, was dat natuurlijk geen kwestie. Wel valt het op hoe Gwy in zijn dagboekbladen over die jaren kunst bekijkt en beleeft via de gedichten in zijn hoofd.
Maar op 1 oktober 1990 noteert hij:

‘Elf zomers etaleerden we in Watou facetten van de hedendaagse beeldende kunst […]. Ik wou me niet wagen aan een promotie van wat mij het diepst raakt, het woord. Durf ik vandaag weerwerk bieden tegen de verdrukking van het geschreven woord, dat veelal gereduceerd wordt tot ondertitels? Geen sinecure.’

En een maand later neemt hij het initiatief om aan dichters te vragen om het jaar daarop naar Watou te komen samen met een door hen gekozen beeldend kunstenaar. En zo geschiedt in 1991, met de eerste echte poëziezomer onder de titel ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ (Slauerhoff). De poëzie neemt meteen de macht over en palmt het dorp in. Pleinen en straten worden naar dichters hernoemd en verzen vormen zebrapaden. De inwoners van Watou gaan als het ware inderdaad in gedichten wonen.

Het samenspel van het beeld, het woord en het dorp verloopt enkele jaren zonder veel wrijving. Dat was natuurlijk te danken aan het feit dat er één man was met één visie, die alles bij elkaar hield met zijn verrassende, soms wilde, maar altijd creatieve geest. Enkele jaren later noteert hij in een terugblik:

‘ […]. Er is veel geduld nodig: de poëet en de beeldend kunstenaar komen in een wedloop terecht, de stok moet accuraat worden doorgegeven.’

Een breekpunt is 1998, het jaar waarin met de komst van Jan Hoet, de curator zijn intrede doet. Dat had direct effect op het artistieke luik, dat veel diverser en internationaler werd. Zowel die invasie van beelden als de onverschilligheid soms van de curatoren voor poëzie, dreigde die in de verdrukking te brengen. Na de eerste gesprekken met Hoet beseft Gwy dat gevaar direct:

‘De dichter zal het tijdens deze “zomer” […] niet makkelijk hebben. […] Woord en beeld onttrekken zich in ’98 aan elkaar: ze nemen letterlijk een grote afstand. Een nieuwe uitdaging ?’ (17 april 1998).

En in een gesprek van Piet Piryns met Mandelinck en Hoet worden het misverstand en de botsing helemaal duidelijk. Wanneer Gwy het vol enthousiasme heeft over de confrontatie van verschillende disciplines, zet Hoet hem direct met twee voeten op de grond: ‘Maarnee gij! Ik heb het u al honderd keer gezegd: ieder kunstwerk is autonoom, zoals ieder gedicht autonoom is.’

Of het een nieuwe uitdaging was, vroeg Mandelinck zich af in het vorige citaat. En uitdagingen is hij nooit uit de weg gegaan. Integendeel, vastberaden en bevlogen is hij op zoek gegaan naar telkens weer nieuwe manieren om de poëzie te presenteren, om ze te laten standhouden tegen het soms spectaculaire geweld van de beelden. Daarvoor schakelt hij architecten, vormgevers, acteurs en cineasten in. Maar in dit dagboek volgen we ook het ‘geknars, gebroed, geblaas’ van zijn creatieve, associërende geest in het kiezen van de gedichten. Zijn mentale voorraad van verzen lijkt wel onuitputtelijk.

Het geloof is sterker gebleken dan de twijfel. In een terugblik op 20 maart 2011 schrijft hij:

‘Misschien ging het vooral om de tijdelijke spanning, om de druk van het verrassende toeval. […] Het ging om kunstexpressies die voor een korte tijd toevallig samenvielen en toch ver uit elkaar lagen. In de bedwelming van het kortstondige lag wellicht de fascinatie van vele edities.’

Het tweede aspect van al dat gebroed en geblaas heeft te maken met een ander dilemma, dat tussen authenticiteit en institutionalisering. Veel van de aantrekkingskracht van Watou hangt samen met het contrast tussen kunst en poëzie en aan de andere kant het ongekunstelde van het dorp en het platteland. Maar het ironische is natuurlijk dat de poëziezomers, naarmate de tijd vorderde, juist dat uitgangspunt gingen ondergraven. En wel langs twee kanten tegelijk: de kant van het dorp en die van de kunst.

De inwoners van Watou voelden zich aanvankelijk aangevallen, bespot door de in hun ogen arrogante kunstenaars en hun snobistische publiek. Zij werden als het ware tijdelijk uit hun dorp verbannen. Er hing zelfs dreiging in de lucht. Op 17 september 1990 noteert Gwy:

‘Wij leven op een kleine vulkaan. De potentiële lava is niet gestold rondom een mini-Pompeji. In 1985 werd heel het centrum van Watou bij Koninklijk Besluit een beschermd ‘dorpsgezicht’. […] Of dat voor applaus zal zorgen bij de plaatselijke bevolking? Ik wil er niet aan denken.’

Maar meteen is daar, vanuit het dorp, de aanzet naar een omslag, van afweer naar annexatie. Een schijnbaar positieve ontwikkeling, maar die tegelijk een van de grondgedachten van Watou dreigt te ondergraven.

‘[…] er worden straks premies binnengehaald van zestig tot tachtig procent van de uitgevoerde renovaties. […] En ik heb de indruk dat de huizen er allesbehalve goedkoper zijn geworden. Ik zie er jonge gezinnen neerstrijken die een zekere feeling voor kunst en nieuwe ideeën demonstreren. En of de horeca er bloeit ? ‘

De poëtisch slotzin van deze mijmering vat het probleem mooi samen:

‘Dat hoor je zomaar als je vanop een terrasje de kassa hoort concurreren met de zilveren stem van de rijpe korenaren uit de nabijgelegen velden..’

Is het niet zeker of Mandelinck op dat moment al helemaal beseft wat de betekenis is van die ontwikkeling, twee jaar later is dat duidelijk wel het geval:

‘De toeristische sector palmt stiekem het dorp in. Routes worden geafficheerd. Je struikelt er over terrasstoelen. De “hards” uit de wereld van de beeldende kunst kijken denigrerend neer op het zomerse evenement. Vanachter schrijftafels wordt gif uitgepend. Je wordt daardoor wat weerloos. Na de fusies van de gemeenten in 1979 lag het dorp op sterven. Nu bloeit de horeca. Die mensen zet je toch niet tegen een muur. Een verscheurend dilemma? ‘ [15 december 1992]

Watou is een merk geworden, een mythe, een evenement, naast of bovenop het eigenlijke dorp. Het siert Gwy en Agnes dat ze dat dilemma onderkend hebben en niet uit de weg zijn gegaan. Men kan inderdaad, zoals sommigen, geringschattend doen over het verschijnsel ‘kunstdorp’, maar daar staat tegenover dat de poëziezomers meer leven en welvaart in een leegbloedend dorp hebben gebracht.

Uit het vorige citaat blijkt ook het toenemende probleem met de kunst, en in mindere mate de poëzie. Een van de leidende gedachten was immers om kunst anders en nieuw te laten zien door ze in een onbelaste, ongekunstelde ruimte te presenteren. Maar de herhaling en de toenemende professionalisering hebben die zogenaamd onbelaste ruimte stilaan omgevormd tot een alternatieve museale ruimte. Kunst en poëzie tonen in Watou is dan niet langer kunst en poëzie tonen in een slaperig dorp of in de velden maar in het instituut Watou, het buitenverblijf van het museum. Maar het blijft wél kunst tonen en poëzie laten klinken. Hoe moeilijk het soms ook was en hoeveel tegenstrijdige krachten en belangen er ook aan het werk waren, toch zijn Gwy en Agnes erin geslaagd om jaar na jaar de bezoekers te verrassen en te fascineren.

Dat is het geknars, gebroed en geblaas dat we in dit boek als het ware live meemaken: het denken, aarzelen, durven en doorzetten. Altijd rond de cruciale vragen hoe de kunst met de werkelijkheid bezig is, maar ook hoe vreemd ze voor elkaar blijven, hoe onverschillig de dingen blijven, net zoals de gedichten even lonken naar de kunstwerken, om dan weer hun eigen weg te gaan.

Een van de meest opvallende dingen in dit boek is het overvloedige gebruik van de vraagvorm. Dat is geen toeval. Het tekent fundamenteel de houding van Gwy en Agnes tegenover hun eigen onderneming. Er is geen zweem van eigendunk. Er zijn geen starre zekerheden. Er is alleen een permanente, eerlijke en gedreven zoektocht.
Daarom is het ook zo mooi dat dit dagboek niet eindigt in 2008, met de laatste Poëziezomer. Op de bladzijden die gaan over de jaren 2009 tot 2014 blikt Gwy terug op de afgelegde weg. De gevoelens die daar overheersen zijn dankbaarheid en twijfel. In alle nederigheid vraag hij zich af of die Poëziezomers geen vorm waren ‘van zelfrechtvaardiging, van ijdelheid’. En hij aarzelt om te zeggen dat ze ‘een “verstandhouding” hebben bereikt’ tussen de kunst, de poëzie en het dorp.

Op 10 maart 2014, de voorlaatste aantekening in dit dagboek, schrijft Gwy, behoorlijk zelfverzekerd:

Watou ligt nu vijf zes jaar achter ons. Nostalgie koesteren? Nee, dat is niet onze aard. […] We stonden open voor alle kunstenaars die de wereld in ons huis binnensmokkelden. We wisten dat er geen pasvorm te vinden was voor de combinatie woord/beeld. Nooit hebben we ons geïsoleerd binnen een agrarische context. We zagen ontelbare mogelijkheden, maar nooit hebben we ons gefixeerd op één stroming in de beeldende kunst of de poëzie.

Maar dan, in hetzelfde dagboekfragment, komen toch weer de vragen: ‘Hebben we van dit dorp van twaalfhonderd inwoners een buitenland gemaakt?’ en ‘Hadden we achtentwintig fabels aangebracht in een dorp dat in 1980 dreigde te verijlen?’

Op die vragen kunnen enkel positieve antwoorden komen: jullie hebben van dit dorp geen buitenland gemaakt maar jullie hebben er wel de wereld binnengebracht. En jullie hebben dat iedere keer weer gedaan op een fabelachtige manier. Zoals aangekondigd in het gedicht waarmee ik dit praatje begon:

Ook ’s zomers kunnen kinderen bedrijvig zijn:
zij lopen kevers achterna
en volgen ver de draad
die naar het wonder rolt.

Hugo Brems sprak deze tekst uit op 15 november 2019 tijdens de presentatie van Dat was Watou bij deBuren.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.