Ze was vrouw, dichtte in het Fries en hanteerde in haar debuutbundel een toon die voor 1959 erg direct en gepassioneerd was. Gevolg: Ella Wassenaer werd niet naar waarde geschat en haar reade runen raakten in de vergetelheid. Een heruitgave met veel extra’s laat haar vernieuwende stem nu opnieuw klinken: ‘uit al mijn kloven / zal ik schreeuwen’.
In 1959 publiceerde de Friese prozaschrijver en dichter Lipkje Post-Beuckens (1908-1983) onder het pseudoniem Ella Wassenaer haar debuutbundel reade runen. Die kunnen we vandaag opnieuw lezen dankzij rode runen. De herontdekking van de visionaire dichter Ella Wassenaer, een boek dat is samengesteld uit verschillende onderdelen. Naast het heruitgegeven poëziedebuut is er ook lyriek van jonge makers die zich door Wassenaers werk lieten inspireren en essays van hedendaagse auteurs als Maria Barnas, Annelies Verbeke, Albertina Soepboer en Sophia Blyden. Zindzi Tillot Owusu vertaalde de Friese gedichten naar het Nederlands. Door middel van facsimile’s is de oorspronkelijke Friese versie naast de Nederlandse vertaling geplaatst, zodat de lezer niets moet missen van de wervelende grafische vormgeving van dit Gesamtkunstwerk.
Presentatie van rode runen. De herontdekking van de visionaire dichter Ella Wassenaer op het festival Explore the North in Leeuwarden, editie 2025. Met van links naar rechts: dichter Sophia Blyden (die een essay schreef in het boek), Ypkje Hoekstra-Pos (dochter van Ella Wassenaer) en vertaler en dichter Zindzi Tillot Owusu© Dieuwke de Jong / Explore the North
De bundel van Ella Wassenaer deed (en doet nog steeds) mystiek, rebellerend en bezwerend aan en is duidelijk vanuit een vrouwelijk perspectief geschreven. Met een minimum aan woorden wordt een duister innerlijk landschap blootgelegd. Terugkerende motieven zijn licht en duisternis, lichamelijkheid en liefde. Wassenaer eigende zich surrealistische beelden, een grote vrijheid in taal en een onverholen directheid toe. Mooie voorbeelden van haar beeldenrijkdom, die bovendien een sterke gothic sfeer ademen, zijn de verzen: “en de schimmen van vandaag / sublimeren / tot vlees en bloed”. Of deze:
(…)
mijn paden rillen
van kruipend ongedierte
doodshemden mijn landen
luchtend in wind
en zon
haar schaduw
speelt
over mijn bloemen
(…)
Wassenaer schreef haar bundel in het Fries, een minderheidstaal die zich in 1959, een tijd van naoorlogse wederopbouw, aan het emanciperen was. Maar niet alleen door de taalkeuze behoorde Wassenaer tot een minderheidsgroep: ook haar statuut van vrouwelijke schrijver bezorgde haar een positie in de literaire marge. Het debuut oogstte neerbuigende en zelfs seksistische recensies, en ondanks het feit dat Wassenaer later de Rely Jorritsmaprijs (wel vier keer) en de Gysbert Japicxpriis ontving, raakten haar reade runen in de vergetelheid. Onterecht volgens de kunstenaars en essayisten die een bijdrage aan dit boek leverden: de vernieuwing in haar werk inspireert en sluit niet alleen aan bij het experiment van de Vijftigers (dichters die zich in de jaren 1950 tegen hun voorgangers afzetten), maar herinnert ook aan de mystieke traditie en mag feministisch ingekleurd worden. Met deze nieuwe uitgave beogen de samenstellers dus een eerherstel.
Wassenaers bundel bestaat uit zesentwintig compacte titelloze gedichten. Dat aantal is niet toevallig gekozen. Het gaat om de creatie van een eigen alfabet, geschikt om haar verhaal van liefde en verzet te vertellen. Ze kiest voor het begrip “runen” in plaats van “letters” en verwijst hiermee naar de oorsprong van het Fries, dat rond het jaar 800 in het runenschrift voor het eerst een materiële neerslag vond. Het adjectief “rode” kan staan voor bloed, vrouwelijkheid, vruchtbaarheid en strijd(lust). Dit levert de titel een primitieve connotatie op: een voorafschaduwing van de bijna heidense, dreigende ondertoon die de verzen kenmerken.
Lijfelijkheid en het spirituele vormen een terugkerende rode draad
De poëtica van Wassenaer blijkt inderdaad niet gekenmerkt door nette, stijve zinnen die beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt, en die dus met een rechtlijnige calvinistische opvoeding geassocieerd worden. Wel doet haar schepping denken aan geordende chaos. Ze kiest meestal voor korte, cryptische regels, waarvan soms een deel op zijn kop staat. Daar blijft het experimentele karakter niet bij. Wat opvalt in Wassenaers debuut, is de ontzettend gevarieerde vorm waarin de dichter haar taal heeft gegoten en de gewaagde grafische vormgeving die kunstenaar Josum Walstra heeft gekozen om dit te ondersteunen.
Zoals gezegd, is de invloed van de Vijftigers duidelijk zichtbaar in dit werk. Wassenaer breekt met esthetische conventies die als een belemmering van haar vrijheid aanvoelen (“uit al mijn kloven / zal ik schreeuwen / om het woord / het nieuwe / waar ik elk moment / in geloven / kan”). Verder maakt ze associatieve sprongen, bijvoorbeeld: “dauwwormen / mijn gedachten / maden / mijn daden / duizendpoten / mijn angsten / kevers / mijn angsten / spinnen / mijn verlangens”. Lijfelijkheid is een terugkerende rode draad: “MIJN LEDEMATEN DRINKEN JOU / MIJN OGEN FONKELEN JOU / MIJN NIEREN SCHREEUWEN JOU”, net als het spirituele: “ademloos / vluchtend / voor zondvloed // bevend / bonzend / op hemelpoort”. Deze sterke religieuze ondertoon levert elders in het werk nog prachtige beelden op:
rode runen, Ella Wassenaer© Pelckmans
jij hebt bloemen in mij geplant
maar hebt niet geregend
het wilde vuur
van mijn bloei
verschiet in zonnevlammen
nu lig ik gekruld
als een slang
biddend
in het verschroeide gras
van mijn bestaan
Ondanks de spaarzame woorden kan dit gedicht op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Is het lyrisch subject verliefd of zwanger geworden (“jij hebt bloemen geplant”) en moet zij vervolgens de goede zorgen van de “jij” ontberen (“maar hebt niet geregend”)? Is haar liefde (“het wilde vuur van mijn bloei”) omgeslagen in passionele woede (“verschiet in zonnevlammen”)? Wacht zij nu in de overblijfselen van haar vernietigde wereld (“het verschroeide gras van mijn bestaan”) om wraak te nemen (“als een slang”), tegelijkertijd hopend op een goede uitkomst (“biddend”)? Of is het een hervertelling van de verdrijving van Adam en Eva uit Eden: God creëerde de vrouw, maar verstootte haar bij een misstap (de verleiding van de slang), waarna zij een hard bestaan moest lijden? In ieder geval is de slang een duidelijk negatieve metafoor voor de vrouw, veelvuldig gebruikt door mannelijke auteurs in de loop der eeuwen. Wassenaers keuze is interessant: ze gebruikt een bekend misogyn beeld van de vrouw om het naar haar hand te zetten en zich toe te eigenen.
Wassenaer schrijft met een voor haar tijd ongewone directheid en hartstocht, die soms geïnterpreteerd werden als vrouwelijke pathetiek. Waar een passionele relatie met een goddelijke figuur aanvaard werd in het kader van de mystiek, gold het uiten van een ongebreidelde passie voor een mens van vlees en bloed als afkeurenswaardig, ongepast.
De opzet van deze heruitgave is geslaagd: vandaag kan Wassenaer een breder publiek aanspreken, mede dankzij de voorstellingen die rond het werk georganiseerd zijn. Dankzij de verduidelijkingen in de toegevoegde essays gaat dat publiek niet voorbij aan de historische complexiteit van het werk en aan interessante details zoals neologismen (tinkrioelen, vertaald als denkkrullen, en ierdstrielresken vertaald als aardstraalrussen) en verklaringen voor woorden als doodshemd (een net hemd dat in de kast klaar hangt om een dode in te begraven) en amerij (de korte tijd die nodig is voor een gebed).
De rauwe taal en beelden van Ella Wassenaer beklijven in onze soms apocalyptische actualiteit
Bovendien kan Wassenaers werk aansluiten bij dat van vrouwen die niet in de vergetelheid zijn geraakt, bijvoorbeeld de gepassioneerde poëzie met duistere en religieus geïnspireerde beelden van Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva. En bij dichters die nu aan hun opmars beginnen en gothic motieven en een experimenteel gevarieerde vorm hanteren, zoals Victoria Kennefick. Voor ons eigen taalgebied denken we dan aan Julia Tulkens, die met haar zinnelijke, vrouwelijke en taboedoorbrekende thematiek stof deed opwaaien, en Charlotte Van den Broeck die met haar erotische verzen het poëziegeschenk voor 2025, getiteld Plakboel, omtrent het thema lijfelijkheid bij elkaar schreef.
In onze soms apocalyptische actualiteit beklijven de rauwe taal en beelden, blijft de oorlogstaal relevant en is de vrouwelijke identiteit in het gedicht én in de literaire wereld een zaak waarvoor nog altijd gestreden moet worden.
Willem Bongers-Dek en Marleen Nagtegaal (samenstelling en redactie), rode runen. De herontdekking van de visionaire dichter Ella Wassenaer, gedichten uit het Fries vertaald door Zindzi Tillot Owusu, Pelckmans, Kalmthout, 2025, 152 p.
Beluister via de-lage-landen.com ook de podcast over de herontdekking van Ella Wassenaer, gemaakt door onze jonge medewerkers van De Mediakaravaan.




Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.