Publicaties
‘De overheid moet dringend een visie op onderwijs formuleren’
0 Reacties

‘De overheid moet dringend een visie op onderwijs formuleren’

Filosoof Ad Verbrugge over de toekomst van de universiteit in Nederland

Het gaat niet goed met de universiteiten in Nederland. Ze verzaken hun belangrijkste taak, vindt filosoof Ad Verbrugge: de zorg voor de intellectuele ontwikkeling van het land. Maar de voorzitter van Beter Onderwijs Nederland (BON) ziet aan de horizon de tekenen van verandering. ‘Er is alleen meer nodig dan een klein zetje.’

Ga naar de website van Harvard University, instrueert Ad Verbrugge. Daar vind je na enig zoeken éénenvijftig Nobelprijswinnaars en vijftig Pulitzerprijswinnaars onder de faculteitsmedewerkers en zelfs dertig staatshoofden onder de afgestudeerden. “Dat zegt iets over de universiteit die Harvard wil zijn”, vertelt hij. “Namelijk: wij zijn er niet alleen voor natuurwetenschap, techniek en economie, maar ook voor geesteswetenschap, sociale wetenschap, literatuur, journalistiek en politiek. Het gaat hier om kennis én kunst, en ook om de maatschappelijke, politieke en culturele opdracht van een universiteit.”

Ook in de Lage Landen dient ieder serieus gesprek over de universiteit te beginnen bij de elementaire vraag: wat voor instelling moet ze zijn? Of zoals Verbrugge zegt: waartoe is de universiteit op aarde? De filosoof, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam, verwijst daarmee expliciet naar de titel van een essaybundel die hij als voorzitter van de actiegroep Beter Onderwijs Nederland (BON) in 2014 met Jelle van Baardewijk samenstelde. Toen legde hij voor het eerst zijn visie op het hoger onderwijs neer. Zes jaar later heeft hij daar nog niets van afgedaan.

“De kern is dat een universiteit in Nederland – en Vlaanderen – een publiek gefinancierde instelling is. Het zijn geen onderzoeksinstellingen die door privaat geld overeind worden gehouden, hoeveel privaat geld er soms ook naar bepaald onderzoek gaat. In die bekostiging door de overheid ligt een taak of verantwoordelijkheid besloten: dat een universiteit daar iets voor terugdoet aan de samenleving. Dat de universiteit activiteiten ontplooit die Nederland ten goede komen. Er moet een wederkerigheid zijn tussen universiteit en samenleving.”

Er moet een wederkerigheid zijn tussen universiteit en samenleving

Natuurlijk, nuanceert hij, moet een universiteit in vrijheid en onafhankelijkheid kunnen opereren. “Men spreekt niet voor niets over de artes liberales – de vrije kunsten, waarvan het leren geen direct economisch gewin opleverde. Of scholè – Grieks voor ‘vrije ruimte’, waar ons woord voor school van is afgeleid. Maar de mogelijkheid om in vrijheid kennis te ontwikkelen ontslaat de universiteiten niet van de verantwoordelijkheid tegenover wie hen bekostigt.”

Waar zit de wederkerigheid in? Vaak wordt gezegd: de universiteit levert de ingenieurs, rechters, bedrijfskundigen en leraren Duits af die de maatschappij nodig heeft. “Allemaal waar”, erkent Verbrugge. Maar ook: te kort door de bocht. “Dat lijkt me niet het wezen van een universiteit. Dat zit hem eerder in kennis, kunde, intellectuele ontwikkeling, karaktervorming. De universiteit is de hoogste instelling van ons onderwijsgebouw, en draagt daarom een verantwoordelijkheid voor voor het kennis- en kunstpeil, ja zelfs voor de mentaliteit van de samenleving.”

De universiteit draagt een verantwoordelijk-heid voor het kennis- en kunstpeil van de samenleving

Een universiteit is idealiter dus geen ivoren toren, “maar een baken van licht”. Zij kan dat licht op verschillende manieren verspreiden. Heel simpel: door wetenschappers bevindingen en inzichten te laten delen via de media en toegankelijke publicaties in de eigen taal. Verbrugge wijst op veelgevraagde professoren als Robbert Dijkgraaf en Erik Scherder. Hij heeft het zelf ook gedaan, onder meer door van 2011 tot 2016 mede het televisieprogramma Het filosofisch kwintet te presenteren, waarin filosofen praatten over actuele urgente maatschappelijke thema’s.

“Maar het belangrijkst is dat de universiteit zorg draagt voor het gehele onderwijsgebouw. Want de verspreiding van kennis in de samenleving gebeurt het best als mensen goed opgeleid worden en die kennis weer doorgeven. Daarnaast dien je als universiteit te stimuleren dat studenten kiezen voor het lerarenberoep en moet je zelf ook sterke en inspirerende lerarenopleidingen hebben. Toekomstige leraren hebben bij voorkeur een academische opleiding. Ook zorg je voor kwalitatief goed lesmateriaal . Dat moet op het hoogste niveau geschreven worden. En ten derde: je controleert de kwaliteit. Bijvoorbeeld door voeling te houden met wat in het hoger beroepsonderwijs (hbo) gebeurt.”

Uit het zicht

Alleen: de ideale universiteit is de afgelopen decennia uit het zicht geraakt. Al zegt Verbrugge er gelijk bij: er zijn hoopvolle tekenen dat het tij keert.

Eerst de misstanden. De universiteit heeft haar kerntaak uit het oog verloren en is in zichzelf gekeerd geraakt. Neem dat lesmateriaal voor beroeps- en middelbaar onderwijs. “Vroeger wérd dat vaak door academici geschreven, ook door hoogleraren, of ze waren erbij betrokken. Maar dat vereist natuurlijk bepaalde kennis en vaardigheden. Je moet samenwerken met leraren en didactici. Je moet er vakmatig georganiseerde netwerken voor onderhouden in je eigen land, alleen al om te weten wat er leeft onder de huidige generatie scholieren. Die netwerken hebben plaatsgemaakt voor internationale onderzoeksnetwerken. Academici in Nederland schrijven nu vrijwel geen lesmateriaal meer, omdat de organische samenhang met het hele onderwijsgebouw verloren is gegaan.”

De nadruk is daarbij sinds de jaren 1980 komen te liggen op activiteiten “die op gespannen voet met de kerntaak staan of daar regelrecht tegen indruisen”. Bijvoorbeeld: de nadruk op onderzoek. “Daarbij is een heel specifieke wetenschappelijke activiteit dominant geworden. Simpel gezegd: het publiceren in kleine, specialistische, peer reviewed tijdschriften. Want dat levert onderzoeksmatig het meeste op. Maar ook: de financiering van de NWO [Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, die het onderzoeksgeld verdeelt, MD] en carrières zijn daar voor het grootste gedeelte op gestoeld.”

Nederlandse universiteiten zijn wereldtop. Maar op het gebied van onderwijs zijn ze niet meer dan middel-maat

In het verlengde daarvan is – aangejaagd door de overheid – competitie steeds belangrijker geworden. “Het gaat om productie en rendement. Zoveel mogelijk artikelen publiceren in zo hoog mogelijk gewaardeerde tijdschriften. Het gaat om punten binnenhalen. Om zo hoog mogelijk te scoren op impactranglijsten. Om zo veel mogelijk onderzoeksgelden binnen te halen. Om te netwerken in kringen die een optimaal resultaat bevorderen. Natuurlijk zijn wetenschappers altijd competitief geweest, maar nooit volgens déze financieel gestuurde spelregels.”

Het gevolg daarvan is “dat Nederland heel goed scoort op het gebied van onderzoek”, zegt Verbrugge. “Nederlandse universiteiten zijn volgens die criteria wereldtop. Maar niet op het gebied van onderwijs. Dan zijn ze niet meer dan middelmaat. Om die positie op de onderzoeksranglijst vast te houden, zorgen we niet voor goede eigen kweek, maar halen we toppers uit het buitenland, met name in de exacte wetenschappen. Kijk naar de herkomst van promovendi. Universiteiten lijken daarin op rijke voetbalclubs die overal talent inkopen in plaats van het op te leiden.”

Het huidige systeem van bekostiging verergert die tendens, waaronder vooral het onderwijs te lijden heeft en waardoor de relatie met de maatschappij verslapt. Ideaal zou zijn een financiering die de wederkerige relatie tussen universiteit en samenleving bevordert. Een financiering dus die rekening houdt met de noden van Nederland, zonder dat te beperken tot de wensen van de arbeidsmarkt, en die de samenwerking bevordert tussen de universiteit en andere instellingen in het onderwijsgebouw. In de praktijk is eerder het tegenovergestelde het geval: een systeem dat de onderlinge concurrentie bevordert.

Universiteiten lijken op rijke voetbalclubs die overal talent inkopen in plaats van het op te leiden

Het huidige bekostigingsstelsel zit vol perverse prikkels, vindt Verbrugge. In de zogeheten eerstegeldstroom (de rijksbijdrage van de overheid) is een steeds groter percentage afhankelijk gemaakt van studentenaantallen – momenteel 72 procent. “De vaste voet werd sinds de jaren 1990 steeds verder omlaag gebracht. Dus wat krijg je dan? Investeringen in de kwaliteit van het onderwijs? Die hebben geen prioriteit. Universiteiten willen toch vooral zoveel mogelijk studenten. Zodra een paar universiteiten daarop inzet, moet de rest wel volgen. De financiering ligt ook niet vast, bijvoorbeeld voor een periode van vijf jaar. Nee, de financiering wordt nu jaarlijks aangepast aan die studentenaantallen, zodat universiteiten voortdurend bezig zijn met de concurrentiestrijd in termen van kwantiteit.”

Mede daardoor investeren universiteiten sterk in marketing, werving en communicatie. “Daarbij hebben ze zich vooral gericht op het aanboren van nieuwe doelgroepen. De instroom vanuit het hbo is vergemakkelijkt. Je hoeft alleen nog maar een half jaar premaster te doen en je kunt de master in. Vroeger moest je na je hbo in jaar twee van de universiteit beginnen. Het moge duidelijk zijn dat dit niet tot hetzelfde resultaat leidt. Universiteiten hebben dus hun kwaliteitsdoelstelling naar beneden bijgesteld.”

Buitenlandse studenten

Toen die markt was uitgeput, gingen universiteiten buiten de grenzen zoeken. “Sinds een jaar of vijftien worden daarom masters verengelst, en er kwamen speciale bacheloropleidingen voor buitenlandse studenten. Dat waren eerst vooral international business administration-achtige studies, want daar zat het grote geld. Maar tegenwoordig gaat het om alle mogelijke studies. Ook psychologie en filosofie bijvoorbeeld. Of er kwamen geen specifieke vakprogramma’s, maar ‘interessant-en-leuk-programma’s’ zoals Literature & Society.”

En heeft dat de onderwijskwaliteit vergroot? “Een universiteit als Yale heeft 6.000 undergraduates en 7.500 postgraduates. Niet meer. Alleen de beste studenten zijn welkom. Mijn eigen universiteit heeft zo’n 29.000 studenten, de Universiteit van Amsterdam meer dan 34.000. Toen ik aan de Vrije Universiteit kwam werken in 2002 bedroeg het aantal studenten ongeveer de helft. Onze universiteiten zijn in schaal vele malen groter dan Amerikaanse, Engelse of Franse topuniversiteiten. En bij veel studies in Nederland mag vrijwel iedereen die aan vrij minimale eisen voldoet zich inschrijven. Daardoor zijn veel universitaire instellingen in wezen diplomafabrieken geworden, met gestroomlijnde ‘studeerbare’ programma’s voor studenten uit de hele wereld. Vele honderden Duitse studenten psychologie – die in Duitsland zelf zijn afgewezen, omdat men daar wél een strenge selectie en numerus fixus hanteert – komen in ons land studeren. De meeste van hen blijven hier niet. De Nederlandse belastingbetaler investeert dan zo’n zestigduizend euro per student in vele tienduizenden studenten, ten koste van de kwaliteit van de opleiding van de Nederlandse studenten. In Twente en Maastricht bestaan opleidingen als psychologie voor meer dan 80 procent uit buitenlandse studenten. Integratie in de Nederlandse samenleving is vrijwel afwezig. Dat valt maatschappelijk niet meer te legitimeren.”

De Nederlandse Organisatie voor Weten-schappelijk Onderzoek heeft een strijd om geld geïntroduceerd

Ook in de tweedegeldstroom, de subsidies van onderzoekfinanciers, is de concurrentie verhard. “Ooit gaf de voorganger van NWO alleen extra beurzen voor een bepaald type onderzoek. Nu moeten wetenschappers zelf voor hun onderzoeksfinanciering zorgen. De NWO, die tegenwoordig een veel groter budget heeft, heeft zo een strijd om geld geïntroduceerd, waarvoor een hele industrie is opgetuigd. En dat frustreert veel wetenschappers, omdat het aantal aanvragen veel groter is dan het beschikbare budget – zeker bij geesteswetenschappen. Slechts twee op de tien aanvragen worden momenteel gehonoreerd.”

Dat kwam natuurlijk door de tijdgeest. “Marktwerking, open competitie, make them buy it”, somt Verbrugge op. “En geen wetenschapper die ertegen kon protesteren. Want anders werd gezegd: wie protesteert, presteert niet. Je zou bang zijn om beoordeeld te worden. Destructieve bijeffecten die al jaren geleden werden voorspeld, zijn uitgekomen. Toename van bureaucratie, verspilling van tijd en geld, toenemend conformisme en ga zo maar door. Zo héb je wetenschappers die met tien vrienden van over de hele wereld een tijdschrift opzetten en vervolgens zeggen dat ze in hun heel specifieke vakgebiedje dé topspecialist zijn. De algemene vorming van dit soort onderzoekers – ook in hun eigen vakgebied – laat niet zelden te wensen over. Wat heeft de samenleving daaraan?”

Een gevolg van de sterk internationaal georiënteerde tendens om in internationale tijdschriften te publiceren, is dat het Nederlands op de universiteit niet meer meetelt. Inmiddels is officieel zo’n 80 procent van onze masteropleidingen en 30 procent van de bacheloropleidingen aan de universiteit volledig Engelstalig. Bij veel opleidingen die nog wel zeggen een Nederlandstalige bachelortrack te hebben zie je dat men het Nederlands verder uitkleedt. En die percentages groeien alleen maar. In het verlengde daarvan kiezen universiteiten geheel voor het Engels, zoals de Universiteit Twente, die sinds 1 januari 2020 ook voor de bestuurlijke correspondentie het Engels verplicht heeft gesteld.

Je kunt bij een Engelstalige opleiding bestuurskunde niet meer over de Nederlandse situatie praten

“Natuurlijk moeten wetenschappers internationaal georiënteerd zijn”, haast Verbrugge zich te zeggen. “Maar dat is altijd zo geweest. Begin twintigste eeuw, toen de universiteiten volledig Nederlandstalig waren, kwamen Einstein en Freud naar Leiden en wonnen Lorentz en Van der Waals Nobelprijzen. Johan Huizinga werd wereldwijd gelezen. Het idee was toen alleen niet: we moeten met z’n allen één taal spreken. Nee, we moeten buitenlandse talen tot in de finesses beheersen om zo van andere onderzoeksculturen kennis te kunnen nemen en mee te doen met het debat. Daarnaast moeten we ernstig werk maken van de ‘vertaling’ naar het Nederlands om ons eigen onderwijs en onze eigen samenleving te dienen. Lorentz en Huizinga waren nationale helden.”

Door het binnenhalen van inmiddels 125.000 buitenlandse studenten is de band tussen universiteit en Nederland ook steeds losser geworden. “Je kunt bij een Engelstalige opleiding bestuurskunde of economie niet meer over de Nederlandse situatie praten. Hoe het zit met de boeren en hun vertegenwoordigende organisaties. Wat het Malieveld is. Hoe een specifiek Nederlandse instelling als de waterschappen werkt. Je kunt alleen een technocratisch denken overbrengen dat planetair te gebruiken is. Nogmaals:
bevordert dat de kwaliteit van bestuur en cohesie van onze samenleving?”

Concurrentie beperken

Toch lijkt het denken over de universiteit te veranderen. Het zichtbaarst is dat wellicht in het adviesrapport van de Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en Onderzoek dat in mei 2019 verscheen. Die commissie-Van Rijn, genoemd naar zijn voorzitter Martin van Rijn, pleitte onder meer voor minder concurrentie tussen universiteiten en hogescholen en meer samenwerking. In het najaar van 2019 werden zijn voorstellen aangenomen door de Tweede Kamer.

“Ik ben het met veel opmerkingen van Van Rijn eens”, reageert Verbrugge. “Hij stelde voor om de concurrentie te beperken. Heel goed. De vaste voet is daarom verhoogd. Nog maar 60 procent van de overheidsfinanciering is vanaf komende studiejaar afhankelijk van studentenaantallen. En 100 miljoen euro onderzoeksgeld wordt overgeheveld van NWO naar de universiteiten zelf. Alleen: het gaat niet ver genoeg. Hooguit 30 tot 40 procent moet afhankelijk zijn van de hoeveelheid studenten. Pas dán verdwijnt de hijgerigheid rond aantallen.”

Je zou kunnen vastleggen: is een bachelor Engelstalig, dan wordt hij niet gefinancierd

Stupide is daarentegen het voorstel om geld over te hevelen van de geesteswetenschappen naar bètawetenschappen om daarmee het terechte probleem van de tekorten bij technische universiteiten op te vangen. Het is een verzuchting die breed onder wetenschappers en universitaire bestuurders leeft. “Waarom noodlijdende faculteiten nog verder onder druk zetten? Het is voor een samenleving óók belangrijk dat er een studie Duits bestaat. Beter is het één miljard van het huidige begrotingsoverschot van 14 miljard in de universiteit te steken – en dan relatief veel daarvan in de bèta-opleidingen.”

Ook de nadruk op Engelstalig onderzoek neemt af. “Onderzoek wordt sinds een paar jaar anders beoordeeld. Bij onderzoekvisitaties wordt de maatschappelijke taak wél meegenomen. Ik zie het aan mijn eigen onderzoeksgroep praktische filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In het verleden waren we altijd ‘matig’, het afgelopen jaar waren we voor het eerst ‘excellent’. En dat komt omdat wij nadrukkelijk een maatschappelijk uitgangspunt nemen. For what it’s worth, zeg ik erbij. Ik hecht niet zo veel waarde aan zulke beoordelingen.”

Daarnaast wil de minister van onderwijs een prijs van 2,5 miljoen euro instellen om excellent universitair onderwijs te belonen. Academici moeten zo worden aangespoord om hun beste krachten niet alleen in onderzoek te steken. Belachelijke symboolpolitiek, vindt Verbrugge dat. “Ik heb ook twee keer zo’n prijs gewonnen. Dat heeft niets betekend voor mijn carrière. De minister kan beter onderwijs structureel belangrijk maken in de academie: door je prestatie op dat gebied serieus te laten meewegen in beloningen en benoemingen, ook in het bestuur van de universiteit.”

Beleid handhaven

In deze tekenen ziet Verbrugge dan ook slechts halve maatregelen: de vaste voet marginaal verhoogd, de invoering van een onderwijsprijs. “Het onderwijs is een mammoettanker. Om dat schip op een andere koers te krijgen is meer nodig dan een klein zetje. Dan moet de overheid ten eerste bereid zijn om het eigen beleid serieus uit te voeren en te handhaven. Dat gebeurt nu niet. Ook moeten forse maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld door financiële consequenties te verbinden aan overtredingen die universiteiten begaan.”

In deze tekenen ziet Verbrugge dan ook slechts halve maatregelen: de vaste voet marginaal verhoogd, de invoering van een onderwijsprijs. “Het onderwijs is een mammoettanker. Om dat schip op een andere koers te krijgen is meer nodig dan een klein zetje. Dan moet de overheid ten eerste bereid zijn om het eigen beleid serieus uit te voeren en te handhaven. Dat gebeurt nu niet. Ook moeten forse maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld door financiële consequenties te verbinden aan overtredingen die universiteiten begaan.”

Er is met de internationa-lisering iets in gang gezet dat zich maar moeilijk laat terugdraaien

Maar voordat de overheid zo radicaal de universiteit reorganiseert, is het toch nodig dat de overheid een visie op onderwijs formuleert. “En dat zie ik nog altijd niet gebeuren. Op het ministerie bestaat wel het besef dat de huidige structuur moet worden herzien, maar of men bereid is de relatieve autonomie van universiteiten terug te draaien, harde voorwaarden te stellen aan financiering en streng toezicht te houden, is zeer de vraag. Er is met de internationalisering iets in gang gezet dat zich maar moeilijk laat terugdraaien. Toch zal het moeten gebeuren, wil de maatschappelijke samenhang niet verder onder druk komen te staan en het onderwijsgebouw nog meer in de problemen komen.”

De grootste kans zit volgens Verbrugge in een toenemende maatschappelijke druk, “zodat de overheid het zich niet meer kan permitteren om keuzes voor zich uit te schuiven”. Er is bijvoorbeeld steeds meer verzet tegen het proces van verengelsing en de bekostiging van buitenlandse studenten. Kijk naar het recente onderzoek van de Taalunie naar de Staat van het Nederlands. Op de vraag of niet-taalvakken in een andere taal dan het Nederlands mogen worden gegeven, antwoordde in 2016 nog 60,9 procent van de Nederlandse respondenten positief. In 2018 nog maar 54,5 procent.

“Ik zie dat ook om me heen”, zegt Verbrugge. “Toen Twente het Engels voor bestuurlijke correspondentie invoerde, werd ik uitgenodigd door Buitenhof [toonaangevend Nederlands opinieprogramma, MD] om te discussiëren met de bestuursvoorzitter van de universiteit. Dat was vijf jaar geleden onmogelijk. Toen had geen tv-programma er interesse voor. Sinds onze rechtszaak in 2018 is het onderwerp wekelijks nieuws, worden er Kamervragen gesteld, verschijnt er een essaybundel als Against English. En krijgt BON veel bijval.”

Zo’n individuele kwestie als de doorgeslagen verengelsing, redeneert hij, kan als breekijzer fungeren voor fundamentelere herzieningen. “Want zo werkt het. Het grote publiek kent de details van het onderwijsstelsel niet. Begrijpelijk. Maar ze slaan wel aan op slogans. Je ziet dat daardoor een sentiment aan het ontstaan is van: het is eigenlijk heel gek wat we aan het doen zijn. En als een politicus het aansprekend oppakt, kunnen de dieperliggende oorzaken van dit proces van eenzijdige verengelsing aan de orde komen. Ik ben dus helemaal niet zonder hoop. Hoe dan ook zal ik blijven strijden voor wat maatschappelijk van groot belang is en wat me zeer aan het hart gaat.”

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.