Publicaties
De geschiedenis van de burgemeesters van Rijsel II
0 Reacties
De Franse Nederlanden

De geschiedenis van de burgemeesters van Rijsel II

Van 1896 tot 1944, oorlog en vrede

In de loop van maart worden in heel Frankrijk gemeenteraadsverkiezingen gehouden. In het noorden zal vooral naar het resultaat in Rijsel gekeken worden. Blijft de huidige burgemeester aan de macht? Dit leek ons een goed moment om de geschiedenis van de burgemeesters in Rijsel te belichten. Daarvoor is de historicus Éric Vanneufville de geschikte persoon. Hij publiceerde onlangs Une petite histoire des maires de Lille, 1790-2020. In drie korte bijdragen geeft hij een synthese van deze boeiende geschiedenis.

Géry Legrand, de Grand Géry, werd in 1896 opgevolgd door de socialist Gustave Delory, afkomstig uit de politiek groeiende arbeidersbevolking. Die steunde op de vakbondsbeweging die vroeger gelieerd was aan de Gentse militanten en waarvan de twee symbolen waren: de Internationale en haar componist Pierre De Geyter en het coöperatieve centrum "l'Union" in het hart van de Rijselse wijk Moulins.

De in 1896 gekozen lijst had als kernwoorden : "Orde en economie, licht en vooruitgang, liefdadigheid en solidariteit". De acties voor de arbeiders concentreerden zich vooral op sanitaire voorzieningen, voedselhulp en hulpverlening, volksgezondheid, openbare dienstverlening, kinderdagverblijven en de levering van kleding.

De bouw, in 102 dagen, van het "tijdelijke" theater, in de nasleep van de brand in 1903 van het Grand Theatre, stond in het collectieve geheugen gegrift. Delory verloor de verkiezingen van 1904 maar zette zijn humanitaire actie als parlementslid voort, ook onder de Duitse bezetting. Tijdens de oorlog werd hij gedeporteerd. In 1918 hij terug naar Rijsel, klaar om de dienst te hervatten.

Charles Delesalle was burgemeester van 1904 tot 1919. Deze vlasspinner was voldoende democraat om de “zuiveren” niet af te schrikken en genoeg liberaal om aanvaardbaar te zijn voor de burgerij. Hij zette zich in voor sociale werken en verhoogde de hulpkredieten. Hij startte met de bouw van het Nouveau Théâtre, bekend als de Opera, en van de Nieuwe Beurs, een kamer van koophandel in neo-Vlaamse stijl, aan het begin van de lanen naar Roubaix en Tourcoing.

Tijdens de Duitse bezetting protesteerde hij tegen executies, allerlei inbeslagnemingen en vorderingen. Uitgeput kwam hij niet meer terug in 1919 en zijn rivaal, Gustave Delory, won de verkiezingen. Deze laatste investeerde van 1919 tot 1925 in urbanisatie en in de sociale sector. Hij liet de benedenloop van de Deûle overdekken, ontwierp sociale woningen op de oude vestingwerken, plande de Cité Hospitalière, ging van start met de renovatie van de wijk Saint Sauveur rond het nieuwe stadhuis, dat door zijn opvolger zou worden ingehuldigd. Hij ontwikkelde een gemeentelijke liefdadigheidsinstelling, huldigde het goederenstation Lille-Délivrance in en voltooide de restauratie van de Opera.

Het was zijn plaatsvervanger Roger Salengro die hem bij zijn dood opvolgde. Salengro was in 1890 in Rijsel geboren, maar afkomstig uit een Duinkerkse familie en hij bracht zijn jeugd daar door. Hij cumuleerde voldoende mandaten om zijn plannen voor stadsvernieuwing kracht bij te zetten. Onder zijn bewind kwamen er in de stad rioleringen, elektrische verlichting, een waterstation in de haven, goedkope woningen, tuinwijken, scholen, waarvan een in de open lucht, groene ruimtes, de Cité Hospitalière Universitaire, een internationale beurs...

Voor jongeren creëerde hij middenscholen, middelbare scholen, professionele huisvesting en vakantiekampen. Hij had ook oog voor de sociale hulp en hulpverlening aan werklozen. Salengro lag, samen met de burgemeester van Roubaix, aan de basis van de Exposition du Progrès Social, die pas in 1939 haar deuren opende. Gehecht aan de lokale traditie zorgde hij voor het Vlaamse karakter van de place Rihour en noemde het stadhuis en zijn belfort "de kleine berg van stedelijk Vlaanderen".

Zijn tragische zelfmoord in 1936 - hij kon de lasterlijke berichten over hem niet meer verdragen - gaf aanleiding tot een ontroerende volksbegrafenis, in aanwezigheid van Belgische arbeidersdelegaties. Léon Blum begroette hem als "de Vlaming, de man van Rijsel".

Zijn plaatsvervanger, Charles Saint Venant (1936-1940) zette zijn werk voort en gaf voorrang aan openbaar en sportief onderwijs en sociale zaken. Hij realiseerde een dienst voor kraamzorg aan huis. Tijdens de Duitse bezetting werd hij uit zijn functie ontheven en sloot hij zich aan bij het verzet. Na de oorlog hervatte hij zijn militante en sociale activiteiten en hij was van 1949 tot aan zijn dood in 1953 opnieuw gemeenteraadslid.

Paul Dehove werd door prefect Carles, die Saint Venant had geschorst, tot burgemeester aangesteld (1940-1944). Als echte Rijselse socialist heeft Dehove tijdens de bezetting erg geleden. Hij durfde het aan de misbruiken van de bezetter aan te klagen en werd gedwongen om, onder bepaalde omstandigheden, zaken te doen met de vertegenwoordigers van het Vichy-regime. Hij probeerde door grote openbare werken de problemen met de bevoorrading, het welzijn van de kinderen en de strijd tegen de werkloosheid aan te pakken.

In augustus 1944 vraagt hij de prefect om hem en de leden van zijn gemeenteraad van hun opdrachten te ontlasten. Na de oorlog staat hij terecht, maar hij wordt vrijgesproken. Daarna hervatte hij, tot zijn dood in 1976, een aantal van zijn activiteiten.

Éric Vanneufville, Petite histoire des maires de Lille, Les Lumières de Lille, 2020, 154 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.