Publicaties
De boeken van A.H.J. Dautzenberg zijn één lange ode aan het wilde denken
0 Reacties
literatuur

De boeken van A.H.J. Dautzenberg zijn één lange ode aan het wilde denken

Polemist, provocateur en querulant: A.H.J. Dautzenberg is het allemaal, maar deze veelschrijver is ook de schepper van een oeuvre dat zijn gelijke niet kent in de Nederlandstalige literatuur. Met sardonisch genoegen zet hij de lezer voortdurend op het verkeerde been.

“Er komt een leuk boekje naar je toe”, schreef A.H.J. Dautzenberg mij een paar maanden geleden. Sinds ik de auteur een vijftal jaar terug in zijn thuisstad Tilburg interviewde, houdt hij mij met wisselende regelmaat op de hoogte van nieuwe publicaties, ook van de kleinere, bibliofiele uitgaves, zoals Drie wandelsprookjes, het boekje in kwestie. Wanneer ik het kleinood in handen heb, blijkt het verkleinwoord meer dan gerechtvaardigd: het is een onooglijke hardcover in een strak A5-formaat, met vinnige sprookjes geïllustreerd door schilder-tekenaar en mede-Tilburger S. Lloyd Trumpstein.

De drie verhalen zijn onversneden Dautzenberg: geëngageerd, absurdistisch, intellectueel uitdagend en stilistisch verfijnd. Benen die onder het wandelen ruzie met elkaar krijgen, een huilende wijngaard die om verlossing smeekt en een kloostertuin waarvan de gistende lijkenlucht een helend effect heeft op karakterstoornissen: welkom in de wondere wereld van Anton Dautzenberg.

Engagement en provocatie

De econoom en taal- en letterkundige Antonius Hedwig Jozef “Anton” Dautzenberg (Heerlen, 1967) debuteerde in 2010 met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien is hij een vaste waarde en een regelmatig in de media opduikende BN’er. Hij schreef in tien jaar tijd meer dan twintig boeken: romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Op de valreep van 2019 verscheen Geestman, een experimentele roman van het soort dat tegenwoordig te weinig te lezen valt. P.F. Thomèse noemde elke publicatie van de Limburger “een baksteen door de glanzende etalageruit van de Nederlandse winkel vol tevredenheid”.

Dat elke nieuwe Dautzenberg hoe dan ook stof doet opwaaien, heeft veel te maken met zijn extraliteraire interventies, stuk voor stuk acties die hem niet in dank worden afgenomen. Zo blies hij de literaire hoax nieuw leven in door gefingeerde interviews te publiceren, doneerde hij een nier aan een onbekende (en schreef er in 2011 de roman Samaritaan over), en werd hij lid van de vereniging Martijn om de heksenjacht op pedofielen aan te klagen.

Dat engagement komt niet uit de lucht vallen. Dautzenberg lijdt naar eigen zeggen aan een Messiascomplex: hij kan niet anders dan het opnemen voor de underdog, de onderdrukten van deze wereld. Een van de resultaten van deze afwijking is zijn bromance met de verguisde “fraudeprofessor” Diederik Stapel, een psycholoog die jarenlang had gesjoemeld met onderzoeksgegevens. Met Stapel schreef hij De Fictiefabriek (2014), een “bevrijdingsroman in brieven” waarin de twee geslagen honden steun vinden bij elkaar en op beklijvende wijze de kracht van fictie verkennen. De samenwerking met Stapel kostte Dautzenberg zijn baan: omdat hij té controversieel werd bevonden, werd hij door de Fontys Hogeschool ontslagen als stagedocent.

De door Dautzenberg samengestelde en ingeleide bloemlezing Vuur! (2015) verzamelt Nederlandstalige schrijvers die het maatschappelijke engagement niet schuwen, van Erasmus en Multatuli, over Menno ter Braak en E. du Perron tot Auke Hulst en Arnon Grunberg. De verzameling wil tegelijkertijd een hommage én een aansporing zijn. Dautzenberg zelf past ook in het rijtje, hij is zonder meer een vuurvreter en verzet zich steevast tegen wat hij het “opschonend realisme” van onze tijd noemt: de neiging om alles door een roze bril te zien en beter voor te stellen dan het is.

De culturele elite en de geborneerde goegemeente moet er dan ook regelmatig aan geloven. Provocatie, polemiek en querulantisme gaat Dautzenberg nooit uit de weg, integendeel, hij gaat graag tegen de stroom in en roept op tot waakzaamheid, rechtvaardigheid en bewustzijn. We hoeven niet alles te slikken wat een uitverkoren groep opwerpt, zo stelt hij. Vraag maar aan Ed Schilders , A.F.Th. van der Heijden, Rob Schouten, Wiel Kusters of wijlen Joost Zwagerman, die allemaal ten prooi vielen aan Dautzenbergs scherpe pen.

Een andere belangrijke exponent van Dautzenbergs maatschappelijke betrokkenheid is Quiet 500, “de glossy die schuurt”. Met dit voor het eerst in 2013 verschenen magazine geven sociaal ondernemer Ralf Embrechts en Dautzenberg de stille armoede in Nederland een gezicht. De niet mis te verstane verwijzing naar de Quote 500, waarin juist de rijkste Nederlanders worden geportretteerd, kreeg veel media-aandacht en viel niet in dovemansoren: een hele community stond op en verschillende Quote 500-ers droegen hun steentje bij. In 2016 verscheen de tweede Quiet 500 en mocht Dautzenberg voor dit breed gedragen initiatief de Impact Award in ontvangst nemen, een prijs voor kunstenaars wier werk maatschappelijke impact heeft.

Dubbele bibliografie

Gezien de felheid van zijn doorgaans gegronde en goed onderbouwde aanvallen, belandt Dautzenberg vaak in het oog van de storm en krijgt hij veelal de wind van voren. Kijk je echter voorbij al die ongerichte mediaruis en richt je je op zijn literaire productie, dan kun je alleen maar besluiten dat zijn oeuvre er stáát én dat het op dit moment zijn gelijke niet kent in onze letterkunde. “A.H.J. Dautzenberg” een merk noemen is een brug te ver, maar je kunt hem wel degelijk omschrijven als een eenmansschrijversgilde. Wie Dautzenbergs productie wil bijbenen, moet bij de pinken zijn: hij schrijft met een verbazingwekkend gemak en publiceert, zo lijkt het wel, aan de lopende band.

Zo verscheen alleen al in 2019 een dichtbundel met “tinnitusgedichten” (Niet het krassen van de kraai), en de eerder vermelde roman Geestman en Drie wandelsprookjes. Tussendoor maakte hij met Diederik Stapel voor het Zuidelijk Toneel het theaterstuk De achterkant van, en startte hij een gastredacteurschap bij het oude studentenblad Propria Cures (de eerste bijdrages zijn vlijmscherpe maar hilarische brieven aan Joost de Vries, schrijver en redacteur bij De Groene Amsterdammer). Sinds augustus 2019 is Dautzenberg ook de negende stadsdichter van Tilburg, een twee jaar durend “experiment” dat hij documenteert op de regelmatig geactualiseerde website De Tao van de T.

Op zijn website etaleert Dautzenberg een dubbele bibliografie. De eerste is een droge opsomming van al zijn publicaties, inclusief bijdragen aan tijdschriften en kleinere edities zoals de wandelsprookjes. De tweede bibliografie, genaamd ‘Het wilde denken’, is zijn “officiële” lijst met korte verhalen, essays, gepubliceerde romans en opgevoerde toneelstukken. ‘Het wilde denken’ verzamelt ook samenvattingen of stukken van recensies, inclusief de negatieve, en opmerkingen bij projecten waar de auteur niet langer achterstaat, zoals het toneelstuk Een avondje armoede (2018).

Dautzenberg is geëngageerd, absurdistisch, intellectueel uitdagend en stilistisch verfijnd

Tussen de mainstreamuitgaves door zit Dautzenberg niet stil. Heel geregeld publiceert hij bij kleine, onafhankelijke en bibliofiele uitgeverijen (een aantal mooie teksten zitten onder meer bij Hof van Jan, een “stichting tot behoud van (typo)grafisch erfgoed”). Voor een auteur met Dautzenbergs eruptieve creatiedrang is het internet vanzelfsprekend één grote speeltuin. Op het web zijn dan ook tientallen teksten van hem te vinden: van verhalen en zkv’s (“zeer korte verhalen”) tot essays en opiniestukken.

Underground, onder de radar en in een parallel circuit, zo is Dautzenberg ook gestart. Als Troy Titane publiceerde hij een hele reeks cartoons, samen met tekenaar Bandirah. De uitgaven bij De Blauwe Bloem zijn inmiddels heuse collector’s items. In 2008 droeg Dautzenberg Titane in een YouTube-video ten grave (zie hieronder). De auteur heeft duidelijk een voorliefde voor het grafische: sinds 2017 publiceert hij regelmatig in het Tilburgse stripblad Wobby en in 2014 maakte hij, opnieuw met Bandirah, een hoofdstuk van het geflipte compilatieboek Fauser.

Theater en concrete poëzie

Vaak wordt over het hoofd gezien dat Dautzenberg ook een theaterman pur sang is. Naast de eerdergenoemde stukken De achterkant van en Een avondje armoede schreef hij ook Horrible Homeless Man (De Eenzamen, 2015), het “zeer korte toneelstuk” Barmhart (Zuidelijk Toneel, 2014) en De wet-deel 1 (Wunderbaum/KVS, 2014), dat in Brussel in première ging. Algemeen gesproken zijn al die stukken goed tot uitstekend ontvangen.

Dat Dautzenberg van vele markten thuis is, bewijst hij ook door genreoverschrijdend te werken. Zo maakte hij samen met schrijvers Maartje Wortel en Pepijn Lanen (ook bekend van De Jeugd van Tegenwoordig) de muziektheaterinstallatie PSSST (2015), bewerkte hij de song ‘Golden Hands’ van Smutfish, maakte een prozagedicht voor de virtuele band DANZMAN, hield hij feestredes voor bevriende dichters, ging hij tekeer in de noise-opera De stad Dis (2007), transponeerde hij het middeleeuwse dierenepos Van den vos Reynaerde naar deze tijd in een dertiendelig feuilleton voor het NRC (Van de Vos, 2016) en schreef hij samen met Stapel, zijn vaste bioscoopvriend, Van licht en donker (2017). Die essaybundel is een langgerekte liefdesverklaring aan de cinema – Dautzenberg is een hartstochtelijke cinefiel en bekijkt meer dan vierhonderd films per jaar, voornamelijk in zijn “thuisbioscoop”.

In de beste traditie van het literaire experiment vindt Dautzenberg wanneer nodig gewoon een genre uit. De eerder genoemde tinnitusgedichten werden in 2013 voorafgegaan door een uitzonderlijke reeks snookergedichten: Na de punt (asterion). Beide bundels lijken visueel en qua vorm op concrete poëzie, maar genereren op een alternatieve manier betekenis.

In het eerste geval bestaan de gedichten uit de fonetische weergave van de “schrille horrorklanken” veroorzaakt door de “auditieve kanker” waaraan de auteur al jaren lijdt. In het tweede geval zijn de woorden en letters vervangen door snookerballen – Dautzenberg is een fervente kijker van snookerwedstrijden op televisie. In zijn recentste roman Geestman is een bundel “natuurgedichten” opgenomen, geschreven door “het vogeltje”, een op Vergilius geïnspireerde dichtersfiguur, die het hoofdpersonage tegen het lijf loopt in een droomwereld: de betekenis ligt hier in esthetisch en harmonisch op de bladspiegel geplaatste geometrische vormen.

Fantasie en werkelijkheid

“Critici verwijten mij dat ik in mijn werk geen onderscheid maak tussen fictie en werkelijkheid, en laat dat nu net mijn hoofdthema zijn: de ‘werkelijkheid’ onderzoeken door haar te duiden, te manipuleren, te transponeren, te vermenigvuldigen of te negeren (…).” Dat schrijft Dautzenberg in het voorwoord van zijn pamflet Rafelranden van de moraal (2013), een felle aanklacht tegen de “Nieuwe Braafheid”, waarin de schrijver probeert aan te tonen hoe verworvenheden als tolerantie en vrijheid van meningsuiting bedreigd worden.

Op de titelpagina van Rafelranden van de moraal staat dat het boek een novelle is, hoewel het overduidelijk geen fictie betreft. Het boek is opgedragen aan Marthijn Uittenbogaard, voorzitter van de pedofielenvereniging Martijn, een organisatie waar Dautzenberg in 2011 lid van werd en die sinds 2014 wettelijk werd verboden. Met zijn lidmaatschap wilde de auteur protesteren tegen de “heksenjacht” op pedofielen, hoewel hij het gedachtegoed van Martijn niet ondersteunt en het uitoefenen van pedofiele neigingen verwerpt. Zijn standpunt kwam hem op veel kritiek en zelfs doodsbedreigingen te staan. Die intimiderende dreigementen herschikte Dautzenberg tot gedichten en hij bundelde het geheel in Smerig gezwel wat je bent (2012), dat gratis op zijn website te downloaden is.

Bij Dautzenberg moet je altijd op je hoede zijn

Dautzenberg neemt graag een loopje met de werkelijkheid en zet de lezer met sardonisch genoegen op het verkeerde been. Bij hem moet je altijd op je hoede zijn, want voor deze auteur dient een schrijver te fabuleren. Een eerste manifestatie van Dautzenbergs mythomanie kwam er met een reeks nepinterviews. Een aantal werd verzameld in het pamflet Rock € Roll Economie voor en door leken verklaard (2011), waarin onder meer rocker Ian ‘Lemmy’ Kilmister en voetballer Ronald de Boer opgetrommeld worden als respectievelijk euro- en beleggingsspecialist. Een interview met Arnon Grunberg, waarbij de interviewer vooral focust op een mee-eter op het linkerjukbeen van zijn gesprekspartner, blijkt eveneens verzonnen. Dautzenberg nam het stuk op in zijn verzamelbundel Vijftig verhalen (2018), een best of samengesteld door de auteur ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag.

Mystificatie en autobiografie

“Ik geniet van transgressie, van het verkennen en overschrijden van ogenschijnlijke grenzen. Verwarring zaaien, raadsels vergroten, ongemakkelijke vragen stellen, ik kan er geen genoeg van krijgen”, schrijft Dautzenberg in Rafelranden van de moraal. Een hoogtepunt van deze drang tot mystificatie is Dautzenbergs debuutroman Samaritaan (2011), waarin een man de strijd met een logge bureaucratie aangaat nadat hij heeft besloten aan een onbekende een nier af te staan. Opvallend is niet alleen dat de roman geheel uit dialogen bestaat, maar ook dat de auteur in het echte leven eveneens een nier afstond. Hoewel Dautzenberg de nierdonatie al in gang zette voor Samaritaan verscheen, werkte hij de verwarring of hij nu wel of niet een nier had afgestaan in de hand door later in zijn verhalenbundel En dan komen de foto’s (2015) het Reviaanse zelfinterview A.H.J. Dautzenberg2 op te nemen, waarin hij – hoe kan het anders – alles ontkent.

In het bejubelde Extra tijd (2012) brengt Dautzenberg een ontroerende ode aan zijn overleden vader. De roman verhaalt de laatste levensdagen van de terminaal zieke Gustaaf Meulenberg, gezien door de ogen van zijn zoon Marcel. De zoon heeft veel trekken van Dautzenberg: econoom, drie minuten oudere tweelingbroer, Limburger... Marcel vreest dat zijn vader zal sterven wanneer diens favoriete voetploeg Roda JC zou degraderen. Het spel met de grens tussen werkelijkheid en fictie drijft Dautzenberg ten top door het opvoeren van een mysterieuze doodsfiguur in de vorm van een zwarte cowboy (de vader is gek op westerns) en door een losse katern bij de roman te voegen: Windkracht nacht, de dichtbundel die Marcel Meulenberg schreef na de dood van Gustaaf.

In Wie zoet is (2015) kruipt Dautzenberg in het hoofd van een getormenteerde eenzaat met een Sinterklaasobsessie. Het Martijnverhaal zindert duidelijk nog na in deze ingenieus vertelde postmoderne roman. Op het einde volgt een verantwoording, die stelt dat het verhaal gebaseerd is op ware feiten: die verklaring maakt nog deel uit van de roman zelf en is dus louter fictioneel. Fictie en realiteit vloeien nog maar eens in elkaar over. Of zoals Dautzenberg in een interview stelde: elke roman is tot op zekere hoogte autobiografisch, ook Wie zoet is, dat helemaal “onderkelderd” is, inclusief autobiografische kelders.

Dé apotheose van Dautzenbergs autobiografische proza is het bijzonder goed onthaalde dagboek Ik bestaat uit twee letters (2018), dat in de reeks Privé-domein verscheen. Dautzenberg schreef het in de aanloop naar zijn vijftigste verjaardag. Niet eerder gaf de auteur zich zo bloot: hij schrijft honderduit over zijn huwelijk, zijn zeventien jaar durende verslaving aan antidepressiva, zijn moeilijke relatie met zijn tweelingbroer, zijn emotieloze opvoeding en jeugd (zie “Indianen huilen niet”, een uitspraak van de vader uit Extra tijd), het Reveschrijn in zijn “gloppenhol” in Tilburg-Noord, het NSB-verleden van zijn grootouders en de nasleep van zijn buitenliteraire acties zoals Martijn en de nierkwestie.

Maar Dautzenberg zou Dautzenberg niet zijn als hij een ordinair egodocument had geschreven. In Ik bestaat uit twee letters zet hij het genre volledig naar zijn hand en maakt er een bont amalgaam van verschillende tekstsoorten van, gegoten in de mal van een journaal. Zo wemelt het boek van zkv’s en brieven. Andere documenten die Dautzenberg naadloos in het geheel verwerkt zijn: een recept (‘Eilandsoep’), bewerkte cartoons uit zijn favoriete magazine Donald Duck, gedichten, een tiental foto’s, ontroerende telefoongesprekken met zijn overleden vader, partituren van liederen, reisverslagen, twee door Dautzenberg verzonnen en “vertaalde” verhalen van Daniil Charms en grafieken of schema’s ter illustratie van een psychologische toestand.

Ongebreidelde verbeelding

De zkv’s in Ik bestaat uit twee letters zijn stuk voor stuk bewijzen van Dautzenbergs sterkte op de korte baan. Daarin kan hij ongegeneerd zijn fabuleringsdrang botvieren. En dat doet hij, grandioos: zijn verhalen zijn brutaal, gruwelijk, hilarisch en herkenbaar. Nu eens zijn het grotesken (zonder vulgair te zijn), dan weer autobiografische schetsen (zonder sentimenteel te zijn) of meer maatschappelijk verankerde verhalen (zonder belerend te zijn). De verhalen zijn hoe dan ook de perfecte introductie tot Dautzenbergs werk. Zoals op de binnenflap van Vijftig verhalen, een gulle selectie uit zijn drie eerdere verhalenbundels aangevuld met niet eerder gebundeld werk, staat vormen zijn verhalen de slagaders van zijn oeuvre.

De verhalen uit zijn debuut Vogels met zwarte poten kun je niet vreten sloegen in als een bom. Nooit eerder waren in ons taalgebied kortverhalen te lezen over twee mannen die een katoenplantage beginnen in de Achterhoek, een diepgelovige vrouw die wakker wordt met een kraantje op haar rug of een topmanager die wordt ontvoerd door Eskimo’s. Literatuurpaus Theo Sontrop sprak van “een nieuwe meester-verteller”.

De veertig verhalen uit En dan komen de foto’s (2014) zijn eveneens een lofzang op de verbeelding. De bundel haalde de shortlist van de Biesheuvelprijs voor korte verhalen en werd door de jury geprezen als “een vrijplaats voor literaire hoogstandjes en maatschappijkritiek”. In zowel de verhalen als eerbetonen aan literaire helden zoals Gerard Reve, Marcellus Emants en J.M.H. Berckmans, demonstreert Dautzenberg zijn uitgeklaarde, directe en heldere stijl, een stijl in de lijn van Joop Waasdorps verhaal ‘Het kerstfeest der vissers’ (1988), een persoonlijke favoriet zo blijkt uit Ik bestaat uit twee letters: “Ik houd van zijn stijl, de effectieve soberheid waarmee hij zijn verhalen vertelt. Geen barokke beeldspraak. Geen processie van ellenlange zinnen die het ego van de schrijver moeten dragen.”

Ook met zijn derde verhalenbundel De dag dat de gieren buigen (2016) – “een ode aan de scheppingskracht van de geest”, volgens de achterflap – haalde Dautzenberg de shortlist van de Biesheuvelprijs, opnieuw zonder de hoofdvogel af te schieten. Bijzonder is hoe die bundel is opgebouwd: de verhalen zijn opgetekend door de zich onzichtbaar wanende, blinde schrijver Tamalone (een rechtstreekse verwijzing naar de gelijknamige zwerver uit de romans van Arthur van Schendel) die allerhande dialogen en verhalen “opvangt” en verzamelt in wat uiteindelijk De dag dat de gieren buigen vormt.

De Tamalone-figuur is een mooi voorbeeld van hoe de breed belezen Dautzenberg aan de slag gaat met de literatuurgeschiedenis. Zijn werk wemelt van de literaire verwijzingen, in het bijzonder naar de Nederlandstalige literatuur. Dat is ook het geval in het recente Geestman. Naar eigen zeggen liet de auteur zich inspireren door Nazomer (2003), het vijftigste boek van Willem Brakman (1922-2008), een bevreemdende en beklemmende roman over de discrepantie tussen een binnen- en buitenwereld. In Ik bestaat uit twee letters kondigde Dautzenberg aan dat hij bezig was aan een nieuwe roman, “een Druckkammerspiel dat zich afspeelt in een trein. Een Zugkammerspiel, haha”. In wat “een behoorlijk abstract boek” zal worden, wil de schrijver het spanningsveld tussen binnen- en buitenwereld verkennen, en “de destructieve (des)oriëntatie” die daardoor kan ontstaan.

Geestman is geen treinroman geworden maar een “reis im Kopf”, ver voorbij de poorten van het onderbewustzijn. Een man ontvangt via een internetdate een vrouw bij hem thuis. De man klimt in paniek uit het raam en ontmoet een vogeltje dat hem aanmoedigt in een regenplas te duiken: de start van een “groot vallen” in de trant van Alice in Wonderland en Jean Cocteau. Plots verandert de binnenwereld van de man in “een gebroken spiegel” en neemt de auteur van het dagboek Ik bestaat uit twee letters het over: de vertelling over de man wordt vervangen door dagboeknotities, een soort vervolg op Dautzenbergs journaal uit 2018, maar nu over de huwelijkscrisis waarin de auteur zich momenteel lijkt te bevinden. De binnen-­ en buitenwereld van de man annex auteur vallen steeds meer samen.

De speelse manier waarop Dautzenberg in Geestman met zijn eigen oeuvre omgaat, is kenmerkend voor een auteur die voortdurend zijn eigen werk bevraagt door er eindeloos creatief mee om te springen. Met Geestman – een indrukwekkend eerbetoon aan de kracht van de verbeelding en het wilde denkenhoudt Dautzenberg zijn lezerspubliek scherp en blijft hij verrassen. In zijn volgende werk zal hij dat ongetwijfeld opnieuw doen. Wie weet wordt het deze keer dan toch het fameuze Zugkammerspiel?

De boeken van A.H.J Dautzenberg verschijnen bij Atlas Contact en diverse kleinere uitgeverijen, zie www.ahjdautzenberg.nl
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.