Publicaties
Cocreatie in het theater: wanneer de grens tussen publiek en performer wegvalt
0 Reacties
© Salih Kilic
© Salih Kilic © Salih Kilic
kunst

Cocreatie in het theater: wanneer de grens tussen publiek en performer wegvalt

Zitten, zwijgen en kijken! Ooit moest het publiek in het theater zo onzichtbaar en onhoorbaar mogelijk blijven. Van die eis blijft nog weinig over. Niet alleen wordt de aanwezigheid van het publiek in de meeste voorstellingen genoegzaam erkend, de toeschouwer mag ook aan het theater deelnemen of, sterker nog, het mee creëren. Een beschouwing vanuit een paar praktijkvoorbeelden.

Een geschiedenis van de vierde wand, met zevenmijlslaarzen aan. Die wand (een denkbeeldige muur tussen toeschouwer en publiek, waardoor de toeschouwer voor de toneelspeler als het ware onzichtbaar wordt) is een relatief recent verschijnsel. De kijker in het oude Griekenland werd door het koor rechtstreeks toegezongen en het publiek van Shakespeare kon nog hartelijk lachen om de vele direct tot hun gerichte terzijdes. Pas wanneer in de negentiende eeuw het naturalisme zijn intrede doet, en daarmee de drang om zo realistisch mogelijke situaties op het podium te brengen, komt er een wand te staan tussen de spelers en het publiek. Ibsens ongelukkige Hedda Gabler maakt zichzelf van kant zonder dat wij ook maar iets kunnen doen om haar tegen te houden.

De vierde wand is een relatief recent verschijnsel

Precies dat – onze passiviteit, ons onvermogen om te handelen – vuurt theatervernieuwer Bertolt Brecht in de twintigste eeuw aan om de vierde wand opnieuw te doorbreken, in de eerste plaats mentaal. Het publiek moet zich bewust worden van de sociale realiteit die buiten het theater heerst. De acteurs mogen zich niet langer inleven in hun rol, maar ernaast gaan staan en hun eigen handelen analyseren tegenover het publiek. In het Vlaamse theater wordt de erfenis van Brecht op twee manieren opgepikt: door een kortstondige opflakkering van activistisch politiek theater in de jaren 1970 (Het Trojaanse Paard, Vuile Mong en de Vieze Gasten) en door een meer gesublimeerde vorm van denkend spelen waarvan het Nederlandse Maatschappij Discordia de aanstoker wordt, met uitlopers in Vlaamse collectieven als Compagnie de Koe, tg Stan en Compagnie Marius.

Het doorbreken van de vierde wand zou je kunnen beschouwen als de minimaalste of misschien zelfs de mildste vorm van een vraag om engagement. Het prikkelt de toeschouwer intellectueel – ja, we hebben het tegen u – maar laat hem voor de rest grotendeels met rust. (Ik laat hier even de inzichten van Jacques Rancière buiten beschouwing over De geëmancipeerde toeschouwer en de stelling dat kijken ook een actieve daad is.)

Ervaren

In de jaren 1990 wordt dat plaatje complexer. Het postmodernisme brengt de opwaardering van de authentieke, subjectieve ervaring, en daarmee ook de opmars van het belevingstheater, waarbij kijken alleen niet langer volstaat. De kijker wil iets mee-maken (in de zin van: ervaren) en wordt daartoe ook fysiek ingezet in het concept van de regisseur. Het Gentse performancecollectief Ontroerend Goed plaatst in The Smile Off Your Face (2004) elke toeschouwer individueel in een rolstoel en rijdt hem geblinddoekt door een parcours vol smaken, geuren en aanrakingen.

De Nederlandse theatermaker Emke Idema gaat nog een stap verder: ze ziet haar toeschouwers niet als passieve maar als actieve medespelers. In de performances STRANGER (2012) en RULE (2014) gebruikt ze hen als levende pionnen op een reuzegroot schaakbord. ‘Gebruiken’ blijft evenwel het juiste woord, want hoewel je de indruk krijgt dat je als speler zelf het verloop van de voorstelling in de hand hebt, is dat niet écht zo. Idema’s concept is zo slim uitgedokterd dat de uitkomst van het spel beperkt blijft tot een beperkte set resultaten.

Dat geldt ook voor Fight Night (2013) van Ontroerend Goed: via stembakjes krijgt de toeschouwer het gevoel dat hij de verkiezingsstrijd op het podium kan beïnvloeden, maar uiteindelijk is elk mogelijk scenario al uitgestippeld. Het doel van de voorstelling is om het publiek bewust te maken van de mechanismen van kiezersbeïnvloeding. De afloop van het spel is bijzaak.

In al die vormen van theater is de toeschouwer een deelnemer binnen een bepaalde strakke set regels, ontworpen door de theatermaker. Van een werkelijke democratisering van de theaterruimte, waarbij een opening zou zijn voor het echt onvoorspelbare of onverwachte vanwege de toeschouwer, is geen sprake. Dit theater is participatief – toeschouwers mogen deelnemen, niet mee-maken, in de zin van mee creëren.

Intense vormen van verbinding

Sinds de eeuwwisseling en de afbrokkeling van het postmoderne gedachtegoed zien we echter dat die vorm van participatie voor sommige theatermakers niet ver genoeg gaat. Een hele generatie makers op zoek naar intensere vormen van (ver)binding durft niet alleen de uitkomst maar het hele ontstaansproces van een voorstelling in handen te leggen van de toeschouwers, die op die manier echte cocreators worden.

Cocreatie: de maker lost de regie over zijn voorstelling. Het betekent nog altijd niet dat de kijker het frame bepaalt – dat is wel degelijk uitgewerkt door de maker – maar wel dat de invulling ervan afhankelijk is van wat de toeschouwers aanbrengen en bijgevolg volstrekt onvoorspelbaar wordt.

Cocreatie: de maker lost de regie over zijn voorstelling

Choreograaf Seppe Baeyens maakte met Invited (2017) zo’n gecochoreografeerde voorstelling. Het publiek wordt door Baeyens’ dansers uitgenodigd om deel te nemen aan de choreografie. Zijn de woordloze aanwijzingen van de dansers eerst nog sturend, dan opent zich voor de kijkers gaandeweg steeds sterker de mogelijkheid om zelf te dansen. Op eigen initiatief, in een eigen tempo.

De democratisering van de dansruimte en het vormen van een gemeenschap zijn hier het onderwerp van de voorstelling, maar al doende: Baeyens toont niet wat er zou moeten gebeuren, maar laat het eenvoudigweg gebeuren. Aan het eind van Invited valt het onderscheid tussen performer en toeschouwer finaal weg.

Theater dat niet toont, maar doet – dat is eveneens de gedachte achter het werk van de Nederlandse Lotte van den Berg. In Building Conversation (2013) brengt ze kleine groepen deelnemers met elkaar in gesprek. Waarover de groep spreekt of wat de uitkomst is van de ontmoeting is afhankelijk van de samenstelling. Van den Berg faciliteert, de deelnemers creëren – zonder hun inbreng is er simpelweg geen voorstelling. Er zijn geen vooraf bepaalde betekenissen, alleen betekenissen die op het moment zelf ontstaan uit dat specifieke samenzijn.

In haar recentste voorstelling Dying Together (2018) vraagt Van den Berg haar publiek om in drie casussen waarbij mensen samen stierven zowel de daders als de slachtoffers te representeren. Elke toeschouwer is vrij om de rol die hem wordt aangeboden te aanvaarden, of af te slaan. Zijn Building Conversation of Dying Together nog wel theater? Ja, maar Van den Berg leunt wel erg dicht aan tegen een vormelijk nulpunt.

Het is interessant om even stil te staan bij het waarom van die snel evoluerende rol van de toeschouwer, van relatief ‘passieve’ kijker tot medemaker. Vanuit het standpunt van de toeschouwer houdt de activering een vorm van emancipatie in zoals die zich in de voorgaande decennia ook bij de toneelauteur, de regisseur en de acteur heeft voltrokken, allemaal stakeholders die op een gegeven moment in de theatergeschiedenis hun belang als scheppend onderdeel van het creatieproces hebben opgeëist.

Die vraag naar erkenning valt in de eerste plaats te begrijpen in het licht van de bredere gezagscrisis van de afgelopen drie decennia. Naast priesters, politici en vaders zijn ook acteurs in wezen autoritaire figuren: ze staan (letterlijk) op een piëdestal; zij spreken, de rest moet zwijgen. Positief bekeken leiden de nieuwe vormen van intense cocreatie met het publiek tot verrassende en creatieve nieuwe theatervormen. Pessimistisch beschouwd zou het een verkapte voortzetting kunnen zijn van een populistische afrekening met gezag.

Tijdelijke vereniging

Maar de vraag om intens en wederzijds contact lijkt ook uit te gaan van het theater en van de theatermakers zelf. In de hedendaagse praktijken van een nieuwe generatie zien we dat de aloude ‘representatie’ van een verhaal of een personage steeds vaker plaats ruimt voor een verlangen naar ‘presentie’, niet alleen in het spel van de performers zelf, maar ook in het samenzijn met het publiek.

De nood tot die tijdelijke vereniging, tot het vormen van die unieke gemeenschap in het hier en nu lijkt sterker dan ooit. Zegt dat iets over de manier waarop we elkaar in real life aan het verliezen zijn? Kunnen we elkaar alleen nog op die gedeelde scène – de plaats bij uitstek van de leugen, van het ritueel – echt ontmoeten, vasthouden, aanraken?

Mogelijk is het psychologie van de koude grond. Maar in geen enkel voorgaand tijdvak was de handreiking van het theater naar zijn publiek zo dwingend als vandaag.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.