Publicaties
Bedrijven of vrijplaatsen?
0 Reacties
maatschappij

Bedrijven of vrijplaatsen?

In Onder rectoren licht Remy Amkreutz de Vlaamse universiteiten door

“Zum kotzen’. En ik houd mij in.” Met die uitspraak van Rik Torfs eindigt het eerste van drie delen uit het goed geïnformeerde en vlot geschreven boek Onder rectoren van De Morgen-journalist Remy Amkreutz. Hij onderzoekt daarin de recente machtsstrijd achter de schermen van de vijf Vlaamse universiteiten.

Torfs, ex-rector van de KU Leuven, deed die uitspraak na het lezen van het commentaar dat De Standaard-hoofdredacteur had gepubliceerd naar aanleiding van zijn ontslag als columnist bij diezelfde krant. De Standaard, aldus Torfs, had slinks meegeholpen aan zijn verkiezingsnederlaag in Leuven tegen Luc Sels in 2017, door kort voor de rectorverkiezingen verslag uit te brengen over wankele klinische studies van professor geneeskunde Stefaan Van Gool, en daarbij te insinueren dat toenmalig rector Torfs de heisa over diens persoon binnenskamers had willen houden. Op die manier suggereerde de krant een gebrek aan wetenschappelijke integriteit en gevoel voor publieke transparantie bij Torfs, op dat ogenblik haar meest gelezen columnist.

Daarmee is de teneur samengevat van het hele eerste deel dat, onder de veelzeggende titel ‘Strijd’, de laatste rectorverkiezingen aan de universiteiten van Antwerpen (‘Het beleg van Antwerpen’), Gent (‘De Gentse opstand’) en Leuven (‘De slag om Leuven’) als heuse veldslagen in beeld brengt.

Vooral aan die twee laatste universiteiten ging het er ongemeen hard aan toe. Amkreutz laat de protagonisten in dit machtsspel uitvoerig zelf aan het woord en laat hen zo hun eigen persoonlijkheid etaleren, die geen verder commentaar behoeft: de een is macho, de ander speels-ironisch, nog iemand breedsprakerig,weer een ander tactisch terughoudend en een laatste jongensachtig nonchalant. Maar ijdelheid en machtswellust zijn nooit ver weg, en hun ambities halen het doorgaans van fijngevoeligheid en menselijke empathie. Dat alles is natuurlijk niet onbekend, maar wanneer Amkreutz dit haantjesgedrag vakkundig in de etalage plaatst, levert het niet echt een fraai beeld op.

Uitvoerig wordt het gevecht om politieke invloed in de coulissen van de macht belicht

Deel twee, ‘Macht en onmacht’ focust aanvankelijk meer op inhoudelijke vraagstukken dan op persoonlijke ambities en tactische spelletjes. Zijn universiteiten lichtbakens (“waar twijfel en verwondering vooropstaan”) of bedrijven (“waarin studenten niet meer zijn dan klanten en de omzet primeert”)? Moet universitair onderwijs algemeen vormend zijn of hypergespecialiseerd, op maat gesneden van de arbeidsmarkt? Een duidelijk antwoord op deze vragen komt er in dit boek niet. De meningen zijn verdeeld, er tekenen zich twee kampen af, waarbij het opvalt dat die nauwelijks met elkaar praten. Opnieuw Torfs: “Je hebt allrounders nodig die verbanden kunnen leggen. Als je de samenleving als een optelsom van expertises ziet, laat je de mens ontredderd achter. Maar op het hoogste niveau wordt daar niet over nagedacht. In de raad van bestuur […] ging het niet over zulke diepere problematieken. Er werd niet overlegd over wat de universiteit moet zijn.” Pijnlijk herkenbaar, aan alle universiteiten.

Bij gebrek aan inhoudelijke reflectie, komt natuurlijk veel ruimte vrij voor de pragmatici. Gaandeweg krijgt in dit tweede deel daarom opnieuw het politieke spel het hoofdaandeel. Uitvoerig wordt het gevecht om politieke invloed in de coulissen van de macht belicht. Daarbij ontleedt Amkreutz vooral het bestuur in de schaduw, daar waar de “echte” macht huist: niet de rectoren delen de lakens uit, maar niet verkozen beheerders en associatievoorzitters. In Vlaanderen zijn immers alle hogescholen geassocieerd met universiteiten, met aan het hoofd van deze associaties een nooit rechtstreeks verkozen voorzitter.De oud-rector van de KU Leuven en zelfbenoemde associatievoorzitter voor het leven André Oosterlinck ontpopt zich daarin als de spin in het web. Samen met zijn pragmatische geestgenoten aan andere universiteiten en hogescholen bekijkt hij het universitaire landschap als een schaakbord, waar pionnen worden uitgezet en de macht wordt verdeeld. Het kraken van carrières hoort daarbij als collateral damage. Amkreutz schrijft in de openingsbladzijde dat hij pas echt interesse kreeg in het academische reilen en zeilen toen hij hoorde over het “ontslag” van Marc Vervenne als rector van KU Leuven. (Vervenne kreeg onverwacht een negatieve evaluatie op het einde van zijn eerste ambtsperiode, waardoor hij zich niet meer kandidaat stelde voor een tweede termijn.)

Deel drie oogt qua titel hoopvoller: ‘Broederschap’. Eigenlijk dienen de vijf Vlaamse universiteiten elkaar niet te beconcurreren, maar zouden ze op de lap grond die Vlaanderen heet, meer moeten samenwerken. Samen zijn ze sterker, vooral tegenover de politieke gezagsdragers, zo luidt het. Maar ook dat beeld van nakende eendracht wordt al vlug bijgekleurd. We lezen over de minachting van de toenmalige Leuvense rector Torfs voor de Limburgse universiteit in Hasselt, het jongste en kleine broertje dat ook groot wil worden. We worden uitvoerig ingelicht over het gesjacher rond levensbeschouwing, wanneer rond het jaar 2000 de associaties tussen universiteiten en hogescholen in de steigers staan en de strijd tussen André Oosterlinck en Karel De Gucht, toenmalig voorzitter van de VLD (Vlaamse Liberale Democraten), wordt geëvoceerd.

De Gucht had samen met de toenmalige liberale minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten, een strategie uitgewerkt om de hogescholen regionaal te associëren met de universiteiten. Oosterlinck zag meteen het gevaar voor de KU Leuven. In tegenstelling tot de universiteiten in Brussel, Gent en Antwerpen, heeft Leuven een klein hinterland en was de vrees dus gegrond dat haar associatie slechts een handvol hogescholen zou tellen. Om te verhinderen dat de KU Leuven de “universiteit van het Hageland” zou worden, speelde hij daarom het katholieke karakter van talloze hogescholen als tactisch bindmiddel voor de associaties uit. Daarbij werd hij geholpen door de christendemocratische toppolitici, die voor het eerst in de oppositiebanken zaten op Vlaams niveau. Alhoewel de christendemocraten op lokaal niveau voorstanders waren van een regionale associatie, drukte Oosterlinck met de Vlaamse partijtop van de christendemocraten de klerikale verankering door in het Vlaamse hoger onderwijs. “Alles wat ik deed om het de regering-Dewael [eveneens van liberale signatuur, GvH] moeilijk te maken, ging voor op de lokale belangen.” Kortom: levensbeschouwelijke gevoeligheden dienden als pasmunt voor de uitbouw van academische machtsconcentraties.

Dit boek handelt over het politieke beleid, niet over het leven zelf aan de universiteiten

Ook de “stadsuniversiteit”, het idee dat er een sterkere band moet komen tussen de universiteit en de stad die haar huisvest (het stokpaardje van de nieuwbakken rectoren), dreigt al vlug tactisch te worden gerecupereerd. De drie universiteiten in de drie “grote” steden Antwerpen, Brussel, Gent kunnen zo immers een front vormen tegen de grote broer in de kleine stad Leuven.

Amkreutz toont zich een uitstekend geïnformeerde onderzoeksjournalist, al kun je altijd wel wat kanttekeningen plaatsen en ook wel eens informatie toevoegen als je de situatie zelf van binnenuit kent. Ik sluit af met drie bedenkingen. Allereerst is het duidelijk dat de niet verkozen beheerders en in achterkamertjes aangeduide associatievoorzitters vaak de touwtjes in handen houden. Dat is vanuit democratisch oogpunt allesbehalve transparant en daarom is het hoogst verwonderlijk dat die situatie nauwelijks wordt aangekaart. Ten tweede: in weerwil van de grotere aandacht in de media voor hun individuele uitstraling is de macht van rectoren helemaal niet zo groot. Eén van hun geliefkoosde leuzen is: “De universiteit is als een tanker; het kost tijd om die te laten draaien.”

Tenslotte: dit boek handelt, zoals politicoloog Carl Devos terecht beklemtoont in zijn woord vooraf, over het politieke beleid, niet over het leven zelf aan de universiteiten. Rectoren kunnen niet zoveel veranderen, omdat universiteiten vandaag doorgaans meesurfen op maatschappelijke tendensen die ze zelf natuurlijk niet in een handomdraai kunnen wijzigen. En daar situeert zich de centrale vraag over het statuut van universiteiten, waarover in de machtscenakels inderdaad bijna nooit wordt gesproken: dienen zij zich voortdurend aan te passen aan allerlei maatschappelijke veranderingen of zijn ze veeleer vrijplaatsen waar men die evoluties kan overdenken en vanuit die reflexieve houding een in alle “academische vrijheid”overdachte positie kan innemen?Als Amkreutz mensen aan het woord zou laten die dat laatste type universiteit voor ogen houden, krijg je onder zijn vaardige pen ongetwijfeld een heel ander verhaal.

Remy Amkreutz, Onder rectoren. Achter de schermen van onze universiteiten,met een voorwoord van Carl Devos, Van Halewyck, Antwerpen, 2018, 224 p.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be