Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Augustin Goovaerts, de Belgische paleizenbouwer van Medellín
0 Reacties
© Felipe Restrepo Acosta
© Felipe Restrepo Acosta © Felipe Restrepo Acosta
geschiedenis

Augustin Goovaerts, de Belgische paleizenbouwer van Medellín

Kerken, scholen, hospitalen en zelfs slachthuizen en gevangenissen: Augustin Goovaerts heeft het allemaal en meermaals ontworpen. Toch is de in Brussel geboren architect amper bekend in België. Historicus Peter Daerden vloog naar Zuid-Amerika om deze paleizenbouwer te herontdekken.

Augustin Goovaerts werd in 1885 geboren in een kunstminnende familie – vader Alphonse was componist en musicoloog. Hij begon na zijn architectuur- en ingenieursstudies meteen met bekende vakgenoten en grootheden als Edmond Serneels en Victor Horta samen te werken. Een portretfoto van Goovaerts uit die periode toont een wat dandyeske, goedgebouwde kerel met vlinderdas en wuft kinbaardje. Boven een duizelingwekkend hoge celluloidboord kijkt hij de toekomst zelfbewust tegemoet, het leven lijkt hem met succes te bedelen.

Maar in 1914 eindigde deze belle époque. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog gaf Goovaerts zich op als vrijwilliger voor het Belgische leger. Bij een gevecht in Duffel (provincie Antwerpen) raakte hij gewond en werd hij gerepatrieerd naar een militair hospitaal in Calais. In plaats van naar het front terug te keren, bleef hij in Frankrijk om les te geven aan Belgische soldaten.

In 1916 trad Goovaerts in Liverpool in het huwelijk met Marie Desmet. Het koppel kreeg snel twee kinderen. Tot in 1919 leefde het gezin in Vernon, een stadje in de Seinevallei. Na de oorlog was er helaas weinig werkgelegenheid voor architecten in België. Goovaerts moest een vrouw en kroost onderhouden. Door een speling van het lot kwam hij in contact met Henry Jalhay, de consul voor Colombia in België. Wat bleek? De voorganger van Jalhay, de Colombiaan Pedro Nel Ospina, was naarstig op zoek naar de diensten van een architect om zijn stad Medellín te vernieuwen en er openbare gebouwen neer te zetten. Ospina was niet de eerste de beste, maar een invloedrijke politicus die een paar jaar later zelfs verkozen werd tot president van Colombia. Aan zijn dienstjaren in België – waar ook zijn kinderen hadden schoolgelopen – hield hij een uitstekende impressie van het land over.

Goovaerts werd gezien als een brave, gezagsgetrouwe katholiek, niet iemand die zijn grillen zou gaan botvieren

“Om de keuze voor Goovaerts te begrijpen moet je het land zelf begrijpen“, legt historicus Luis Fernando Molina Londoño me uit in hoofdstad Bogotá. “Colombia is een overwegend conservatief land en Antioquia, het departement waar Goovaerts zou gaan werken, het conservatiefst van al. Dat was honderd jaar geleden zo en nu nog altijd.” Hij kijkt me aan met een glimlach die ik minzaam zou kunnen noemen – hij is zelf afkomstig van de regio. “Goovaerts werd gezien als een brave, gezagsgetrouwe katholiek, niet iemand die zijn grillen zou gaan botvieren. Modernización sin modernidad is de slogan van die tijd. De Belg paste perfect in dat plaatje.”

Goovaerts greep de geboden kans met beide handen aan. Hij reisde met vrouw en kinderen naar Medellín, waar hij op 20 maart 1920 aankwam. Ter plaatse werkte hij als een bezetene, onder moeilijke omstandigheden – ik probeer me de Belgische reus een beetje voor te stellen, zwetend in zijn atelier zonder stromend water, de plafonds aangevreten door termieten, zijn plompe lijf bestormd door vlooien en muggen.

De Gaudí van Medellín

Mijn verkenning van Medellín begint in het stadscentrum. Op de hogere verdiepingen van het Palacio de la Cultura Rafael Uribe Uribe heb ik een mooi panoramisch zicht op de Plaza de las Esculturas. In het aanpalende Museo de Antioquia, nog altijd aan hetzelfde plein, bezoek ik de uitgebreide schilderijencollectie van Botero: een ironische spiegel van het Colombiaanse burgerdom.

Het museum verlatend volg ik de Carrera 52, loop de oude Veracruz-kerk voorbij tot ik iets verder uivormige torentjes metalig in de zon zie glimmen. Het voormalige overheidsgebouw Palacio Nacional is nu ingepalmd door winkels met sport- en vrijetijdskledij. Naar Zuid-Amerikaanse gewoonte zijn de verkopers erg vrijpostig – een armada van ¡a la orden!-kreetjes golft me om de oren. Dit gebouw met zijn arcaden en vele verdiepingen heeft ook een onvermoed lugubere kant: later lees ik dat het een geliefkoosde plek is om, vanaf de hoogste verdieping, de dood tegemoet te springen.

Ik zit er helemaal in het Goovaerts-universum – dit is een van zijn bekendste creaties. Goovaerts is, alle verhoudingen in acht genomen, voor Medellín van eenzelfde belang geweest als Gaudí voor Barcelona. Zijn eerste prestigeproject, een luxueus art-nouveaucomplex in het centrum van de stad, kan ik helaas niet meer aanschouwen. Het Gonzalo Mejía-gebouw had een hotel en theaterzaal, waarvan de laatste, het Teatro Junín, met zijn vierduizend zitplaatsen het zevende grootste in de wereld was. Bij de inauguratie in oktober 1924 had een orkest, geleid door Goovaerts himself, de Colombiaanse nationale hymne gespeeld en werd een Charlie Chaplin-film vertoond – ondanks de tweeënveertig meter die het publiek van het scherm scheidde was de beeldkwaliteit haarfijn geweest.

In 1968 verdween het hele gebouw onder de sloophamer om plaats te maken voor de Coltejer-toren, een modernistisch gevaarte dat 175 meter de hemel in priemt. Het is bepaald cynisch dat de Belgische architecten uit Goovaerts’ tijd niet alleen in eigen land aan destructie zouden blootstaan – wat is er in Brussel allemaal niet van Horta en de zijnen vernietigd? – maar duizenden kilometers van huis daar evenmin aan ontsnapten.

Ook in de rest van de regio zette Goovaerts zijn handtekening als architect – in gemeenten met krachtige poëtische namen als Anorí, Yarumal, El Limón, Titiribí, Copacabana of Fontidueño, oorden die hij noodgedwongen op de rug van een ezel binnentrad, want er was autoweg noch spoorlijn. Wie tijd en geld heeft, zou eens kunnen investeren in een nieuw toeristisch netwerk, een soort Ruta Goovaerts, met alle locaties waar de vingerafdruk van de Belg bewaard is gebleven.

Toen ik besliste één plaats te bezoeken werd me meteen duidelijk welke sisyfusarbeid daarvoor nodig zou zijn. El Limón ligt nog altijd verbazend geïsoleerd, niet aan enige bushalte verbonden, maar alleen bereikbaar op een motorisch aangedreven lorrie, in slakkengang voortrollend door een bijna honderd jaar oude spoorwegtunnel. Bij het verlaten van de tunnel ontspint zich een filmsetachtig decor. Het charmante stationnetje ligt er wat verloren bij, de pakhuizen van weleer zijn verdwenen en treinen zijn hier in een eeuwigheid niet meer gesignaleerd. Het hotel dat Goovaerts in 1921 had laten optrekken – bedoeld voor de arbeiders die de aanpalende tunnel groeven – staat er gelukkig wel nog, de deuren, balkons en balustrades in een scharlakenrood dat zich door de zon laat strelen en wonderwel contrasteert met de vegetatie. Is het de onverwachtheid van de vondst, als een luchtspiegeling opduikend in dit niemandsland? In ieder geval voel ik een vreemd soort ontroering nu ik hier sta.

Een Amerikaans Brugge

Zolang hij voor particulieren werkte, kon Augustin Goovaerts op beide oren slapen. Voor de grote overheidsprojecten, trager in gang geschoten en academischer van stijl, waren meer obstakels te voorzien. Het regeringspaleis Palacio de Calibío moest Goovaerts’ meesterproef worden: hij had een project ontworpen van vijf verdiepingen met 315 kantoren, een groot salon voor de volksvertegenwoordiging en een verblijfplaats voor de gouverneur. Later werd het paleis een administratief centrum en herdoopt tot Palacio de la Cultura Rafael Uribe Uribe. Wandelend door de smalle gangen, onder neogotische bogen en art-decoverlichting, tussen stevige witte zuilen met bloemmotief en langs hoge houten deuren die met sober glas-in-lood zijn ingelegd, ervaar je er een heel specifieke sfeer die onmiddellijk een eigen tijdsbeeld opwerpt. Waar elders op deze tropische breedtegraad, vraag ik me af, walmt het Europese interbellum je zo in het gezicht?

Het paleis is vandaag de trots van Medellín en een vanzelfsprekende trekpleister voor toeristen. Maar tijdgenoten van Goovaerts namen het project onverbiddelijk op de hak, als een vijandig gezwel op Colombiaanse bodem. Met name in de liberale pers brak een steeds fellere polemiek los.

Goovaerts werd verweten dat hij verouderde opvattingen huldigde en geen voeling had met de lokale cultuur en omstandigheden. Om zich te onderscheiden van het vastgeroeste Bogotá wilde men in Medellín functionele overheidsgebouwen zien oprijzen, aangepast aan de nieuwe moderne tijden waarin de ratio overheerste. Maar wat kreeg men? Neogotiek! Middeleeuwse muren! Kerkachtige torens! Zijn critici speelden op de man, met een soms nauwelijks verholen nationalisme en antiklerikalisme. De krant El Heraldo de Antioquia hekelde de “uiterst bekrompen buitenlandse opvatting” van de Belgische intrigant.

Waar elders op deze tropische breedtegraad walmt het Europese interbellum je zo in het gezicht?

Een volksvertegenwoordiger sprak de vrees uit dat Goovaerts de stad tot een “Amerikaans Brugge” aan het transformeren was. Colombia’s invloedrijkste dichter, León de Greiff, noemde het nieuwe regeringsgebouw smalend “de abdij van Goovaerts”. Gezegd werd dat voorbijgangers op de site vaak een kruisteken sloegen, overtuigd als ze waren dat daar een kerk in aanbouw was. De toonaangevende schilder Pedro Nel Gómez omschreef de constructie als “preuts”.

Goovaerts werd ook belachelijk gemaakt door karikaturisten, een dankbaar slachtoffer gezien zijn negentig kilo en naar lokale normen kolossale lichaamsbouw. Hij was ernstig in zijn beroepseer aangetast, maar rechtte zijn robuuste ruggengraat en bleef onverstoorbaar verder werken.

In 1928 was Goovaerts’ afdruk op Antioquia onuitwisbaar geworden. Hij had als ingenieur-architect 74 scholen en colleges, 6 slachthuizen, 12 gevangenissen, 7 hospitalen en 17 monumenten en parken op zijn naam staan. Hij was betrokken geweest bij het ontwerp en de constructie van een dertigtal religieuze bouwwerken. Twee grootschalige projecten stonden in de steigers: het Palacio Nacional en het monumentale Palacio de Calibío (het huidige Palacio de la Cultura Rafael Uribe Uribe). Goovaerts trad in Colombia ook op als tutor en mecenas van jonge architecten. Een van hen liet hij op eigen kosten in Brussel architectuur studeren.

De storm van kritiek was echter nooit gaan liggen, en mogelijk was Goovaerts’ veer dan toch gebroken. Op 30 juli 1928 schreef hij, “het hart vol affectie voor Colombia”, zijn afscheidsbrief.

In België werkte Goovaerts nog aan een paar nieuwe, minder spectaculaire projecten. Op 15 augustus 1939 overleed hij aan de gevolgen van paratyfus en leukemie.

Permanente tentoonstelling

Internationaal is Goovaerts een onbekende architect gebleven. Zijn belangrijkste werken – vaak verminkt, onafgewerkt of eenvoudigweg afgebroken – bevonden zich in een regio die niet in de schijnwerpers stond en weinig tot geen buitenlands bezoek trok. In Colombia zelf nam de belangstelling voor Goovaerts pas eind jaren 1980 opnieuw toe. Toen ook zijn laatste grote werken met de sloop bedreigd werden, trad eindelijk een tegenreactie in beweging. Met resultaat: in 1988 werd gestart met een restauratie van het Palacio de Calibío.

De ooit zo vredige stad Medellín was ondertussen wel ten prooi gevallen aan een genadeloze geweldspiraal van bendeoorlogen, ontvoeringen en bomaanslagen. Te midden van alle ellende nam een jonge historicus, Luis Fernando Molina Londoño, de taak op zich om de architect van de vergetelheid te redden. Hij slaagde erin de nakomelingen van Goovaerts in België op te sporen. Toen hij in 1992 voor het eerst in België aankwam, werd hij bijna theatraal ontvangen: de Colombiaanse vlag was uitgerold en uit speakers klonk de nationale hymne. De gebeurtenis stond hem nog altijd glashelder voor ogen. "Ik was volkomen verrast, de tranen rolden over mijn wangen."

In een brief uit 1991, voor zijn eerste bezoek, hadden de Goovaertsen nog hun verbazing uitgedrukt over de jonge leeftijd van de Colombiaanse onderzoeker. In zijn antwoord legde Molina toen uit onder welke omstandigheden hij moest leven en werken: “Met betrekking tot mijn foto en het commentaar over mijn jeugdigheid, zou ik u willen zeggen dat het sterftecijfer bij de jongeren zeer hoog ligt in Medellín. Ik geloof zelfs dat ik mij met mijn dertig jaar als een ‘oudje' kan beschouwen. In Colombia is het normaal om, op de muren van de steden, de graffiti 'Christus leeft… als bij wonder' te zien.”

Goovaerts niet kennen is geen optie meer

Zovele jaren later is Medellín weer betrekkelijk sereen. De wereld heeft de stad herontdekt, het is er soms verbazend prettig toeven en de vriendelijke Paisas zullen je met open armen ontvangen. Ook de naam van Goovaerts duikt zoetjesaan weer op in reisgidsen en informatiebrochures. Sterker nog: wie het voormalige Palacio de Calibío bezoekt, krijgt nu een permanente tentoonstelling over de rijzige Belg voorgeschoteld. Goovaerts niet kennen is geen optie meer.

Bronnen

  • Sint-Lukasarchief Brussel.
  • Le Journal de la Famille Goovaerts.
  • Molina Londoño, Luis Fernando, Agustín Goovaerts y la arquitectura colombiana en los años veintes. Bogotá, 1998.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.