Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Aangeboren wreedheid. ‘De huisvriend’ van Heleen Debruyne
0 Reacties
recensie
literatuur

Aangeboren wreedheid. ‘De huisvriend’ van Heleen Debruyne

Door te graven in haar familieverleden onderzoekt Heleen Debruyne in De huisvriend haar eigen evolutie van meisje naar vrouw en moeder. Daarbij stelt ze scherpe vragen over ouderschap, verantwoordelijkheid voor je eigen lot en de mogelijkheid om een andere weg in te slaan dan je voorbestemde levenspad.

Schrijfster en radiomaakster Heleen Debruyne (1988) was zwanger toen ze de verhaalstof voor een nieuw boek in de schoot geworpen kreeg: de dagboeken van haar overleden grootvader, die getuigen van een moeizaam huwelijk en een mislukt schrijverschap. En hoe zat het eigenlijk met die vreemde “huisvriend” Bertie, die nu en dan in de dagboeken opduikt en die door bezorgde moeders met een argwanende blik werd nagestaard?

De huisvriend is een gefictionaliseerde memoir, waarin Debruyne in het verleden graaft om een ontstellend familiegeheim bloot te leggen: “Ontrafelen hoe de huisvriend heeft kunnen doen wat hij deed is een obsessie geworden.”

Net als in haar debuut De plantrekkers (2016) vormt de provinciestad Roeselare – “een onooglijke plek” die “beelden opriep van eindeloze regenachtige dagen en lelijke, bleke mensen” – het grauwe decor waartegen haar personages ten onder gaan aan hun onvermogen zich uit de ellende te werken en waar zwijgen en verzwijgen een comfortabel bestaan in de luwte waarborgen.

Als volleerde toneelmeesters hielden Debruynes grootmoeder Trees en huisvriend Bertie zich op in de coulissen en hielden de touwtjes strak in handen tijdens het drama dat zich voltrok in de kindertijd van Debruynes vader Koen. Toch lijkt het erop dat zij niet bang hoeven te zijn voor echte represailles: al drie jaar staat de roestvrijstalen urn van de grootmoeder in het tuinhokje, “als straf”. Wanneer je aan de urn schudt, hoor je nog wat rammelen – maar mopperen of haar geheimen prijsgeven kan Trees niet meer. “Voor ik zelf een kind krijg moet ik haar begrijpen”, schrijft Debruyne. “Ergens in haar leven schuilt een les over het moederschap.”

Omdat ook haar ouders er liever het zwijgen toedoen, probeert Debruyne de gebeurtenissen in het Roeselare van de jaren 1960 te reconstrueren aan de hand van de weinige herinneringen die ze nog aan haar grootouders bewaart en de aantekeningen en brieven van haar grootvader – een gemeenteambtenaar en de oprichter van de plaatselijke heemkundige kring die ervan droomt een gewaardeerd auteur te worden. Zijn kleindochter leest over een huwelijk dat maar bleef aanslepen en over een schrijverschap dat hem slechts gevoelens van miskenning en mislukking opleverde.

Aanvankelijk heeft Debruyne nog sympathie voor haar grootmoeder, want “zij was, nu ik het zo bekeek, ook slachtoffer van het patriarchaat. Of van mijn grootvader. Met haar vergooide intelligentie.” Trees is een kille, afstandelijke vrouw, gevangen in een liefdeloos huwelijk, die zich door haar drukdoenerij en gevatte praatjes belangrijk en graag gezien wil maken.

Tot Debruyne ontdekt dat haar vader tot ver in zijn tienerjaren willens en wetens aan huisvriend Bertie, een pedofiel, werd uitbesteed, in ruil voor exuberante bedragen waarmee haar grootmoeder plezierreisjes, etentjes en dure avondjurken financierde.

Gaandeweg het boek – wanneer ze de verhalen over Bertie hoort – gaat Debruyne zich realiseren dat haar grootmoeder ook dader was: “Ik ben bang dat ‘de omstandigheden’ bij mijn grootmoeder een slap excuus zijn voor een aangeboren wreedheid.”

Debruyne schrijft scherp, haar observaties zijn genadeloos

Debruyne gaat slim aan de slag met de bits and pieces die ze uit haar grootvaders nalatenschap wist te redden van de stortbelt. Ze schikt en herschikt, fantaseert, suggereert, reflecteert, bekritiseert, en beroept zich op het werk van (feministische) denkers en schrijvers. Herinneringen, dagboekfragmenten, brieven en persoonlijke bespiegelingen – korte essays bijna – over klasse en privilege, seksualiteit, pedofilie en ouderschap verbindt ze naadloos met elkaar.

Debruyne schrijft scherp, haar observaties zijn genadeloos: met één haal van haar pen karakteriseert ze haar personages en legt ze wonden bloot. En waar er geen wonden zijn, brengt de auteur ze zelf toe. Tegelijk is er rake humor. Grappig zijn snedige opmerkingen in de kantlijn. Over tante Madeleine, die nooit trouwde en zich in een klooster terugtrok, laat ze haar moeder zeggen: “Snap je niet wat ik bedoel. (…) Het was een lesbienne.”

Hoe anders zijn de fragmenten uit dagboeken van haar grootvader, “een getormenteerde vreemdganger”, “een verlegen type met een rechtendiploma en melancholieke neigingen”. Ze getuigen van sleur, twijfel en van overspel. Zelfs met zijn maîtresse beleeft hij geen grootse avonturen. Hun ontmoetingen beschrijft hij kuis en sec: “’s Avonds is Trees gaan turnen en komt Lieve op bezoek”, “Lieve brengt de grasmachine terug”, “Lieve is verdrietig (…). Ik troost haar…” De grootvader heeft de moed niet zich aan de sleur te onttrekken en iets nieuws op te bouwen. “Hij durfde nog niet ontsnappen. De nood was niet hoog genoeg, het burgerlijke keurslijf knelde al bij al behoorlijk comfortabel.” Ondertussen wordt zoontje Koen heen en weer geslingerd tussen een afwezige vader, een afzijdige moeder en een opdringerige Bertie, die hem uit eten neemt en hem in bed tegen zich aantrekt.

Debruyne benadert niet alleen haar grootouders met een kritische blik, maar ook zichzelf. Zo vraagt ze zich vaak af of ze wel voldoende van haar ongeboren kind houdt. Stopt ze niet af en toe ongewassen frambozen in haar mond, en brengt ze het kind zo niet in gevaar, ondanks de vele waarschuwingen in de zwangerschapsboeken die ze leest? Maakt haar dit niet net zo egoïstisch en gevoelloos als haar grootmoeder? Ze werpt prangende vragen op voor zichzelf: wat betekent het om moeder te worden? Wat is een goede en wat is een slechte moeder, en bestaan die wel? Kan een slachtoffer ook dader zijn, en andersom? En in navolging van Roxane Gays bestseller: ben ik een slechte feministe wanneer ik mijn mening over het huwelijk en ouderschap bijstel (“Voor de belofte van gedeelde zorg offer ik graag mijn illusie van onafhankelijkheid op”)?

En er is nóg een vraag die zich opdringt tijdens het lezen: hoe ver kun je gaan in het beschrijven van persoonlijk trauma zoals haar vader dat heeft meegemaakt? Heeft Debruyne eigenlijk wel het récht om het verleden van haar vader tot literatuur om te werken? In De huisvriend doet hijzelf er het zwijgen toe. Misschien is het oprakelen van het verleden in dit geval nóg pijnlijker dan het doodzwijgen ervan. Debruyne is zich daarvan bewust: “Als ik niet toegeef dat ik een morbide nieuwsgierigheid voel, tot in de details wil weten hoe die rare eenzaat hem betast heeft, zou ik een huichelaar zijn. Maar het is niet mijn recht om te gaan graven in andermans selectieve geheugen, om mijn vaders krakkemikkige dam tegen zijn nare herinneringen stuk te slaan.” Tegelijk is het juist de Vlaamse zwijgcultuur die ervoor zorgde dat een kind jarenlang met een pedofiel samenleefde: “Iemand draagt daar verantwoordelijkheid voor.”

De huisvriend is een beklemmend boek waarin Debruyne korte metten maakt met de leugens die we onszelf en elkaar voorhouden, en waarin ze haar eigen evolutie van meisje tot vrouw en moeder aftoetst aan de valkuilen waarin haar grootouders zijn blijven steken.

Heleen Debruyne, De huisvriend, De Bezige Bij, Amsterdam, 2021, 208 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.