Publicaties

taal

9-Vlagjes
6 min leestijd

Klaar om zaken te doen

In 2019 viert de oudste vakgroep Nederlands in het Verenigd Koninkrijk, verbonden University College London, haar honderdjarige bestaan. Maar valt er wel wat te vieren?

Voor abonnees
taal

Wartaal spacet meer dan Achilles. Het Nederlands van “De Jeugd van Tegenwoordig”

Schrijver Kees 't Hart was van meet af aan gefascineerd door het bizarre Nederlands van de rapgroep De Jeugd van Tegenwoordig, die hits scoorde met 'Watskeburt' en 'Hollereer'. Dankzij een ‘krankzinnig toeval' kreeg hij de kans om een tijdje met hen op te trekken. In dit artikel tracht hij greep te krijgen op hoe deze rappers hun teksten schrijven en wat ze ermee willen uitdrukken. Hij constateert dat Vjèzze Fur, Willie Wartaal en P. Fabergé heel wat literaire procedés gebruiken, maar belandt ook in een ‘labyrinth aan mogelijkheden en verwijzingen'.

Voor abonnees
taal

Een commandotraining voor neerlandici. Pleidooi voor een terugkeer naar de top

De auteur vertrekt in dit artikel van een gestencilde publicatie uit 1968 die hij toevallig aantrof in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek. Frappant aan deze tekst, geschreven door neerlandicus Wytze Hellinga, is het grote wetenschappelijke elan en een enorm vooruitgangsgeloof. De publicatie toont een neerlandistiek die niemand meer uit eigen ondervinding kent: een sterk expanderend vak, niet alleen qua studentenaantallen, maar ook qua personeel. Van daaruit stelt de auteur zich drie vragen. Welk punt markeert Hellinga in de ontwikkeling van de neerlandistiek, of beter gezegd, wat is er met het elan van 1968 gebeurd? Hoe kijken we inmiddels aan tegen de alomvattende vakopvatting die Hellinga toen met zoveel aplomb tentoonspreidde? In welke richting hebben de wetenschappelijke ambities van de neerlandistiek zich ontwikkeld? En in het verlengde hiervan komt een vierde vraag: laat zich op basis van recente ervaringen een visie destilleren op een kansrijke toekomst voor de neerlandistiek?

Voor abonnees
taal

Sms-taal: + of - ? De invloed van nieuwe media op geletterdheid

Is sms-taal een bedreiging of juist een impuls voor het Nederlands? Wie de krant in de gaten houdt, leest met enige regelmaat berichten over de slechte invloed van dergelijk taalgebruik op de ontwikkeling van het Nederlands bij kinderen en jongeren. Tegelijkertijd laten sommige taalkundigen een veel minder somber geluid horen, variërend van “chatten stimuleert het schrijven, maar onze leerlingen moeten ook de formele schrijfconventies leren”, tot een lofzang op het afwerpen van het juk van de schrijftaal. Dit artikel vat de conclusies samen van het bestaande onderzoek over de mogelijke invloed van sms-taal op onze schrijfvaardigheid.

Voor abonnees
taal

Meer Engels? Neen, meer excellentie

De auteur betoogt in dit artikel dat het decreet dat een versoepeling beoogt van de taalregeling voor het Vlaamse hoger onderwijs, schadelijk is voor het Nederlands als cultuurtaal. Als alternatief pleit hij voor internationaal toegankelijke doctorale scholen geassocieerd aan de excellentiecentra van de Vlaamse universiteiten.

Voor abonnees
taal

DE ONTFRANSING IN DE VLAAMSE RAND ROND BRUSSEL

Ontfransing is de trendbreuk in de verkiezingsuitslagen van Franstalige lijsten in de Vlaamse Rand: bij de lokale en provinciale stembusgang in België op 14 oktober 2012 gingen deze lijsten voor de allereerste keer sinds de vastlegging van de taalgrens (1962-'63) vrijwel overal achteruit, en boekten Vlaamse lijsten vrijwel overal winst. Dit betekent op middellange termijn het einde van de Franstalige partij FDF (Féderalistes Démocrates Francophones), en de definitieve beveiliging van Vlaams-Brabant. Het spook van de “olievlek” – of een uitbreiding van Brussel op Vlaams gebied – zal kunnen verdwijnen.

Voor abonnees
taal

ZIEKE ZINNEN ZULLEN ZEGEVIEREN. Hoe Nederhop het Nederlands voortdurend vernieuwt

In Nederland en Vlaanderen wordt er al tientallen jaren gerapt in de moedertaal: nederhop. Hiphop is een muzieksoort waarin het vooral draait om de teksten. Toch hebben rappers meestal geen zoetgevooisde stemmen. Ook zijn er geen ingenieuze gitaarsolo’s of spetterende drums om zich achter te verbergen: “Alles wat ik heb, zijn m’n ballen en m’n woord”, aldus veel rappers. Volgens Brainpower moet de rapper “zo ongeveer in zijn eentje het feest gaande houden. Dan ga je niet zeggen ‘Ik ben een kamerplantje en kots me maar uit.’ Nee, je bouwt een toer.” Als het vooral om je woorden draait, kun je maar beter een grote mond hebben.

Nederland en België zijn geen Amerika en niet elke rapper komt uit een getto, maar ook bij ons is het belangrijk om street credibility, straatgeloofwaardigheid, te hebben en verbale spierballen te tonen op een beat. In de Lage Landen is er geen diepe rivaliteit tussen steden of kusten, zoals in Amerika. Vlaamse rappers werken gewoon samen met Nederlandse.

De term nederhop is verzonnen door Def P, de frontman van de Amsterdamse groep Osdorp Posse. Hij experimenteerde aan het eind van de jaren tachtig al met rappen in het Nederlands.

Nu, een aantal decennia later, is nederhop een geaccepteerd muziekgenre. Vlaamse rap wordt vaak gezien als “het kleine, zieke, gehandicapte en vooral stotterende broertje van onze noorderburen”, aldus de website Vlaamserap.be, maar de scene groeit.

In de nederhop wordt veel geleend uit het Engels, maar ook vaak creatief vertaald.

Rappers schelden ook vaak: door Def P kwam moederneuker in Van Dale, een vertaling van het Engelse motherfucker.
Rappers gebruiken vaak breed uitgewerkte vergelijkingen en spelen daarin met figuurlijke en letterlijke woordbetekenissen. Zo worden veel rapmetaforen tegelijkertijd ook woordspelingen.

Nederhoppers vormen ook neologismen, nieuwe woorden. Ze combineren bijvoorbeeld woorden of stukjes woorden die we al kennen
Ook voorzetsels worden in de nederhop soms anders gebruikt. In de hiphop kan iemand aan zijn. Aan is dan ineens een bijvoeglijk naamwoord en een eigenschap. Als je aan bent, ben je stoer.

Nederhoppers vernieuwen de taal: ze lenen, vertalen en maken woorden, jongleren met woordbetekenissen en battelen met letterlijk en figuurlijk taalgebruik. Rappers hebben een tien voor taal.

"

Voor abonnees
taal

HEEFT HET NEDERLANDS ALS CULTUURTAAL NOG TOEKOMST?

Met het oog op de internationalisering van het hoger onderwijs rukt het Engels steeds meer op als wetenschaps- en onderwijstaal. Op de Erasmus Universiteit Rotterdam is onlangs voorgesteld dat voortaan vanaf het derde jaar alle bacheloropleidingen alleen nog in het Engels onderwezen worden. Vanwaar dat snel oprukkende Engels op steeds meer terreinen?

De socioloog Ernst Zahn brengt dat in verband met de Nederlandse identiteit als praktisch ingestelde handelsnatie. Als zodanig, stelt hij, heeft Nederland de eigen taal minder hard nodig als middel tot zelfexpressie en symbool van nationale eenheid. Veel Nederlanders denken er inderdaad ook zo over. Voor hen heeft de eigen taal voornamelijk een instrumentele functie. De in 2013 overleden taalkundige P.C. Paardekooper noemde Nederlanders dan ook moedertaalmasochisten die met hun opvallende voorkeur voor Engelse leenwoorden steeds meer lijden aan anglomanie. Dat verklaart waarom de Vlaamse strijd voor handhaving van het Nederlands als cultuurtaal in België van Nederlandse zijde zo weinig gesteund is; waarom de publieke invloed van de Nederlandse letterkunde zo bescheiden is; waarom Nederland in tegenstelling tot andere koloniale mogendheden geen koloniale taalpolitiek gevoerd heeft (uitgezonderd in Suriname); waarom de verengelsing van het taalgebied daar sneller oprukt dan in andere landen op het continent; en waarom het belang van het leren van Nederlands door migranten er jarenlang veronachtzaamd is, ja het pleiten daarvoor aanvankelijk zelfs als cultureel racisme veroordeeld werd.

Hoe belangrijk is het in stand houden van het Nederlands als cultuurtaal voor de toekomst van de Nederlandse identiteit? Dit is een vraag die zich steeds meer opdringt, nu we Nederland zich opnieuw bezint op zijn identiteit als natie.

"

Voor abonnees
taal

VAN TAALGEBOUW TOT TAALGEBRUIKER. Bedenkingen bij het mogelijk laatste Van Dale-woordenboek

In 1999 was het nog een gebeurtenis van nationaal belang, en dat ook nog eens in minstens twee landen: de nieuwe, dertiende druk van het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal werd zowel in Nederland als in Vlaanderen aangekondigd alsof er meer aan de hand was dan dat een commerciële uitgever een update maakte van zijn paradepaardje. Wie het nieuws volgde, kreeg allicht de indruk dat de Nederlandse taal zélf, grondig opgepoetst, een nieuwe release doormaakte.

Vrijwel alle kranten plaatsten artikelen over het woordenboek op hun voorpagina. De tv-journaals besteedden aandacht aan de 8.878 “nieuwe woorden” die onze taal zouden zijn binnengedrongen (waaronder klapstoelcontract en afroepeconomie – wie kent ze nog?), aan de woorden die verdwenen waren, en aan het feit dat labels als germanisme en gallicisme niet langer gebruikt werden.

Binnen een dag was de gehele eerste druk van 65.000 exemplaren dan ook uitverkocht – een gebeurtenis die zelf ook weer het nieuws haalde. Zo bleef er dagenlang aandacht voor een van de best geslaagde marketingcampagnes uit het Nederlandse uitgeverijwezen.

Achteraf was het waarschijnlijk het hoogtepunt in het bestaan van Van Dale Lexicografie. Toen in 2005 de veertiende druk verscheen, bepaalde de uitgever nog weliswaar dat het boek niet voor negen uur des ochtends over de toonbank mocht gaan op de dag van verschijnen en werd de pers al maanden van tevoren bewerkt met informatie over bijvoorbeeld het feit dat het woordenboek nu een heus leeslint kreeg (en dat ook het woord leeslint, dat altijd over het hoofd was gezien, werd opgenomen in de eregalerij). Maar het mocht al niet meer baten. Naar verluidt werden na enkele maanden stapels onverkochte woordenboeken geruisloos door de boekhandel teruggestuurd naar de uitgever.

Die het dus pas nu, tien jaar later, aandurft om weer met een nieuwe druk te komen – een druk waarvan je zou kunnen vermoeden dat het weleens de laatste zou kunnen zijn. En dat in een markt waar de meeste concurrenten zijn verdwenen: Koenen en Verschueren, ooit belangrijke namen, zijn er niet meer. Kramers is opgegaan in Prisma (van Het Spectrum), dat daarmee feitelijk nog de enige concurrent is van Van Dale, en zich bovendien vooral begeeft op de markt van de goedkope pocketuitgaven, zodat de concurrentiestrijd niet eens zo scherp is.

Wie heeft er nog behoefte aan een papieren woordenboek? Veel commentaren wijzen er natuurlijk op dat het internet de markt veranderd heeft. Dat lijkt ook een aantrekkelijke reden voor scepsis. In 2005 was dat nog niet zó sterk doorgedrongen dat het de markt beïnvloedde – de technologische nieuwigheid was toen dat je Van Dale ook op cd-rom kon kopen –, maar inmiddels is er waarschijnlijk bijna niemand meer die niet af en toe iets op het internet opzoekt.

"

Voor abonnees
taal

ODE AAN EEN BASTAARD. Over de taal van de toekomst

De bastaardtaal is de taal van de eenentwintigste eeuw, want wij zijn de bastaardkinderen van een verknipte, chaotische eeuw waarin het individu het zelf uit te zoeken heeft. De taal past zich aan aan wie we zijn. Waar de taal eerst moet beantwoorden aan de wetten van de grammatica, moet hij nu ook beantwoorden aan de wetten van de straat, de wetten van de migratie, de wetten van de liberalisering. De bastaard is op z’n qui-vive. Wie u hoort, is wie ik ben.

De bastaardtaal omarmt nieuwe woorden met de snelheid van het licht. Kapsalon voor een overvloedige vleesschotel met friet en kaas, terroroehoe voor het gevleugelde dier dat de buurt met zijn afschrikwekkende geluid onveilig maakt en dan is er het aanspoelstrand, de kusten waar de vluchtelingen uit Noord-Afrika aanspoelen. Elke dag is er aanvoer van nieuwe woorden op de taalafslag, als vers gevangen vis. Opgebruikte woorden worden met hetzelfde gemak weer teruggegooid in de taalzee.

Het Nederlands gaat over een snelweg waar hard wordt in- en uitgevoegd. De kwikzilveren woorden voegen via de opritten van de media en het straatrumoer in op de maatschappelijke snelweg. Aan het einde van het jaar sommen de dagbladen de nieuwe woorden op. De lijstjes zijn een herinnering aan de wereld waarin we leefden. Dit is wie we waren, wat ons bezighield, wat ons stoorde. Die woorden zijn de spiegel van waar we het afgelopen jaar in geloofden, hoe we de werkelijkheid naar onze hand zetten en wat we ervan vonden.

Het Nederlands plooit zich opvallend soepel naar onze linguïstische wens om de werkelijkheid trefzeker te benoemen; de kracht van de bastaardtaal is dat-ie nooit om woorden verlegen zit, vandaar de gewoonte om snel naar een Engels leenwoord te grijpen als het moment erom vraagt. Criticasters hebben ongelijk wanneer ze zeggen dat deze anglicismen een zwaktebod zijn. Het is geen gemakzucht, het is de krachtige, zelfverzekerde manier waarop het Nederlandse aan woordje-pik doet. De bastaardtaal kent net als de rivieren en de zeeën geen grenzen.

Onze bastaardtaal is een mengeling van uitheemse en lokale woorden, van woordjes uit het woordenboek en woorden uit een liedje, woorden uit het verre verleden en woorden uit het ultrakorte heden, woorden in de wolken gevonden, laag-bij-de-grondse woorden. De bastaardtaal is de thermometer in de bips. De bastaardtaal is een weergave van hoe het met de taal gesteld is.

HET WISSELGELD VAN DE STRAAT

Ooit leefde de gedachte dat de bastaardtalen exotische varianten van het Nederlands zijn. Dat is waar. Ze ontstaan wanneer de formele taal in het dagelijkse verkeer tekortschiet. Het is de sluiproute naar het gevoel. Om de oorsprong van de bastaardtalen te begrijpen, moeten we naar het buitenland.

We beginnen in de voormalige koloniën. Voor de Surinamers was in de slavernijtijd het Nederlands de taal van de meester. Het spreken van de taal werd een verzetsdaad op zich. Wie Nederlands sprak, kon de machinaties van de machthebber doorzien. Aan de andere kant vermenselijkte de taal de macht, het maakte haar kwetsbaar. In de taal van de machthebber de machthebber van repliek dienen was de eerste stap naar bevrijding en emancipatie. De elite van het onafhankelijke Suriname legde er eer in om beter Nederlands te spreken dan de Nederlanders. Taal werd een prestigekwestie. De Surinaamse Nederlander Ricardo Pengel, arts aan het Radboud-hospitaal in Nijmegen, vertelde me hoe hij in Paramaribo de Nederlandse geografie leerde: “Ik kende alle plassen en rivieren en kanalen uit mijn hoofd. Toen ik bij aankomst in Nederland voor het eerst die rivieren zag, begreep ik pas wat ik in Paramaribo had geleerd.”

De Surinamers die na de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland kwamen, namen hun Surinaams-Nederlands mee, doorspekt met woorden en uitdrukkingen van de marrons, de voortvluchtige slaven, en de Javanen, de Chinezen en de Hindoestanen. Onder dat Nederlands liet het Sranan Tongo, het Surinaams, als een opgewonden standje van zich horen. Het wilde en kon niet vergeten worden. De taal van de Surinamers was als de moksi metti, het Surinaamse volksgerecht, waarin verschillende vlees- en groentesoorten met elkaar worden gecombineerd. Moksi metti betekent gemengd vlees. In het Surinaams-Nederlands reist men in één zin door drie culturen.

Opgroeiend in Rotterdam kreeg mijn moedertong, het Berbers, gezelschap van het dominante en formele Algemeen Beschaafd Nederlands. Op school leerden we de correcte uitspraak, alle woorden goedgekeurd door pedagogen. Thuis schakelden we over naar het Berbers, maar dat kon de gestage insluiping van het Nederlands niet voorkomen. Wat in de ene zin begon, kon in de andere zin afgemaakt worden. Wie al te correct sprak, daar werd op neergekeken. Prestige hing nauw samen met street credibility. Buiten heerste er een andere werkelijkheid. Op straat danste het rauwe, stugge Rotterdams met het Nederlands van de Surinamers. Wat seggie? Als ie val dan leggie! Ja toch?

Op straat bevrijdde het Nederlands zich van de knellende banden van de formaliteit om vrijuit zijn polyfone lied te zingen. Het mocht er domweg zijn. In de bastaardtaal gaat levendigheid voor formalisme, timing voor doordachtheid en humor voor ernst. De bastaardtaal is het wisselgeld van de straat dat waardevoller wordt naarmate het vaker van eigenaar wisselt. Zonder de bastaardtalen heeft het Algemeen Beschaafd Nederlands geen bestaansrecht, sterft het uit. De bastaard gunt zijn vader en moeder in de hunkering naar erkenning geen moment rust.

EEN TE VEROVEREN TAAL

In de straat waar de slagerij van mijn vader was gehuisvest, de West-Kruiskade, regeerden de stoere Surinaamse mannen. Ze stonden voor de winkel, koningen van de straten. Hun Nederlands klonk stoer. Ze droegen Panama-hoeden uit Venezuela op hun hoofden, gouden kettingen hingen om de halzen en dikke, zilveren ringen knelden de worstenvingers af. Hun taal was net zo zwaar beladen. Hun stemmen bromden laag als een kettingzaag die de boom velt, wanneer ze lachten dan hoorde ik de boom vallen. Wanneer ze lachten, trilden de draden boven het tramspoor. Op hete zomerse woensdagmiddagen viel er niks te doen in de winkel en luisterde ik hun gesprekken af. In het begin was het onbegrijpelijk omdat het zo ver afstond van het Nederlands dat ik gewend was, maar beetje bij beetje raakte ik eraan gewend en begon ik het zelfs te begrijpen. Wat gebeurde, was dat ik het Nederlands als een vreemde taal ging beschouwen, een taal die ik te veroveren had. En net toen ik alles meende te begrijpen, keerden ze zich van me af en verdwenen om nooit meer terug te komen waarna er andere mannen voor in de plaats kwamen en het spel van voren af aan begon. Wanneer ze wat te bespreken hadden in de clan dan gingen ze over op hun geheimtaal, dan sloot de deur zich en voelde ik me weer de buitenstaander die ik altijd was geweest. Taal kon een geheimtaal zijn. En ik begreep dat een taal die wil overleven elke keer opnieuw geboren moet worden.

De dikke w’s van de stoere mannen met gouden kettingen om hun hals hoorde ik terug in het Antwerps van mijn neefjes in Wilrijk, alsof ze een en dezelfde uitspraakschool hadden bezocht. Die dikke w werd in de journaals en het formeel verkeer onderdrukt, dan moest-ie dun zijn als een waterige soep. Mijn neefjes hielden zich niet aan grammatica, ze mixten Marokkaans en Berbers met Antwerps, een potpourri van Vlaamse ongedurigheid. Het nieuwe België. Om mij een plezier te doen, kuisten ze in mijn aanwezigheid hun taal, dan gingen ze zich netter voordoen en werden saaier. Ik vond dat maar niks, maar hoe kon ik ze overtuigen zichzelf te zijn? De mogelijkheid om zo snel van “taal” binnen een taal te switchen, daar waren ze trots op. Het gaf hun macht.

Wanneer de taal reizen gaat, neemt ze de schutkleuren van de nieuwe omgeving aan. In dat Nederlands van de tropen en het Nederlands van mijn neefjes vonden Spaanse, gewestelijke, Antwerpse, Portugese en Afrikaanse woorden moeiteloos hun plek. Het absorptievermogen van het Nederlands was een teken van zijn vitaliteit. Dat een taal zo ruimhartig kan zijn, stootte ook op weerstand: een bastaard is nog geen aangenomen kind, er wordt met schaamte over gesproken en de buitenwereld mag het niet weten.

“Jij hebt hier niks te zoeken”, blafte Oeroeg tegen zijn Nederlandse vriend in de gelijknamige novelle van Hella Haasse – deze dreiging die de vriendschap tussen Oeroeg en de ik-persoon de doodsteek geeft, wordt uitgesproken in het Nederlands, niet het Bahasa. De laatste woorden tussen twee vrienden zijn vervuld van bitterheid. Vijf woorden die de tragische overgang van Nederlands-Indië naar Indonesië, van een sentiment naar een realiteit, niet beter hadden kunnen samenvatten. Het Nederlands wordt bij Hella Haasse van vriendschapstaal de taal van de vijand. De geschiedenis trekt een ander jasje aan. De Nederlanders verdwenen, met achterlating van de plantages, de balkons en stoffige woorden. Op doorreis door Java op weg naar de achtergrond van Oeroeg in de theeplantages rond Bogor passeer ik winkeltjes waarvan de uithangborgen verwijzen naar de Hollandse bedrijvigheid van weleer. Alsof er niks is veranderd. Een apotheek is een apotik. Een garage is een bengkel (winkel) en het kerkhof, de plek waar de taal voorgoed te ruste gaat liggen, een kerkop. Het Nederlands van een oude Molukker met wie ik in gesprek raak is stoffig, vormelijk en veel te beschaafd voor het gemoedelijke gesprek dat we hebben. Zo klonk het vijftig jaar geleden, wat ik hoor is een levend fossiel.

TOCH WEER DE LIEFDE

Nooit zal ik de man vergeten die het beroemdste tangocafé van Buenos Aires runde. Hij had pretoogjes en droeg een mooie Latijnse snor zoals alleen in die streken mogelijk is. Daar was ik met mijn Argentijnse uitgever – jonge knul, staartje, zwak linkerbeen bij het voetbal – gaan zitten om bij te komen van de interviews die ik had gegeven. Boven ons hing een foto van hetzelfde tafeltje met daaraan gezeten de twee heilige monsters uit de Argentijnse literatuur: Borges en Sabato.

“Zou de eigenaar hier ook een poster van hebben?”, en ik stapte op de man achter de bar af. “Heeft u hier een poster van en, zo ja, kan ik die kopen?”, mompelde ik in het Engels, hopend op een goede afloop. “Uit welk land komt u?”, vroeg hij geamuseerd. “Nederland”, antwoordde ik en tot mijn grote verbazing ging hij over in vloeiend Nederlands. “Die foto hangt daar niet zomaar, ze hebben hier in dit café een slepende ruzie bijgelegd”, en hij overhandigde me een poster. Voor niks. Over die poster had ik niks te zeggen, wel over zijn beheersing van de taal van Maas en Waal. “Hoe kunt u zo goed Nederlands spreken?” Z’n ogen glommen. “Het is toch een wereldtaal?” Daar had hij me. Door Nederlands dit predicaat mee te geven, los van het feit of het waar was of niet, had hij van mij een provinciaal gemaakt en werd hij de echte wereldbewoner. Snel stelde hij me gerust. De eigenaar van het café vertoefde een deel van het jaar in Brabant. “Bij mijn liefje.” Kwam het toch weer door die liefde. En de tango danste verder. Hoe zou het Nederlands klinken als het door Argentijnen werd gesproken? Of door Ghanezen? Of door Russen?

DE TOEKOMST VAN ALLE TALEN

Het is een wonderlijke gewaarwording om op onverwachte plekken toegesproken te worden in de taal van thuis. In sommige Berberdorpjes in de Rif wordt gevloekt in het Nederlands en worden dirhams geteld met een zachte g. Gezeten op zachte sofa’s in de Moorse migrantenpaleizen kijkt men naar de Nederlandse wereldomroep en droomt van een patatje met, een hoosbui en een sprintje op de fiets. Over het balkon schreeuwt de ene zus tegen de andere dat ze “een fles cola en een pakje tampons moet meenemen”. Niemand kan ze verstaan. Dachten ze.

Algemeen Beschaafd Nederlands is een mythe die elke avond opnieuw wordt verteld op de nationale televisie; de rest van de wereld spreekt het liefst zo dialectisch mogelijk. Je hoort de taal niet, je proeft ze. Op een zandstrand van Al Hoceima is het een kakofonie van gewestelijke uitspraken: Brabants, Limburgs, Randstedelijk, Gents en Antwerps, het kwettert door elkaar bij dertig graden in de schaduw en als ik m’n ogen sluit en de talen van alle kanten mijn oren binnenstromen, vloeit het samen tot een taal die ik niet meer begrijp, een nieuwe taal die ergens in de toekomst zijn vaste vorm zal vinden. Zo moet het de talen door de eeuwen zijn vergaan.

Een bastaardtaal wijkt af van de officiële taal; het is het illegitieme kind voortgekomen uit een ongewenste vrijage tussen de hoffelijke dame en de straatjongen, de rechter en het hoertje. In de hiphopmuziek schreeuwt de bastaardtaal om erkenning. In een vitale, luidruchtige en onbevreesde mix van straattaal, pidgin en formele grammaticale structuren waar naar hartenlust de hand mee wordt gelicht, eist de stem van het nieuwe, het ongepolijste, het aanstormende zijn plek op. Maar het bestaansrecht van de bastaardtaal is dat ze nooit officieel zal worden; ze schuwt formele erkenning zoals de vleermuis de dag. In die toegekende status kan ze niet leven. Alle pogingen van het Standaardnederlands om de taal gelijk te schakelen zullen uitlopen op de dood van de taal. Van deze ongemakkelijke verhouding profiteren beide partijen, als twee geliefden die in hun twisten elkaar karakterologisch tot grote hoogten opstuwen.

De bastaardtaal is de uitkomst van een diepe liefde tussen de taal en de mens. Het is de toekomst van alle talen.

"

Voor abonnees
taal

TATTA’S EN MOKRO’S. Straattaal in de Nederlandse literatuur

Tegen het eind van de vorige eeuw is in grotestadswijken met jongeren, vooral jongens, uit diverse culturen een nieuw type taalgebruik ontstaan met een sterke input van niet-westerse talen. Deze dynamische mengtaal met Nederlands als basis werd door taalkundige René Appel “straattaal” gedoopt. Daarmee kunnen de overwegend jonge sprekers solidariteit binnen de peergroup uitdrukken, zich afzetten tegen de gevestigde orde en elkaar verbaal aftroeven, een geliefde praktijk in de Amerikaanse hiphopcultuur waaraan veel jongeren zich spiegelen. Met enige vertraging sijpelt deze straattaal ook door in de literatuur. Hoe manifesteert die zich daarin? Hoe worden de sprekers via hun taalgebruik neergezet? En hoe worden deze boeken ontvangen door de literaire kritiek?

"

Voor abonnees
taal

PLEIDOOI VOOR HYGIËNE. Het besmettelijke jargon van de manager

Recensie van:

Rudi Laermans, Lieven De Cauter, Karel Vanhaesebrouck, Klein lexicon van het managementjargon. Een kritiek van de nieuwe newspeak, EPO, Antwerpen, 2016, 208 p.

Herman De Dijn, Irina Veretennicoff, Dominique Willems (e.a.), Het professoraat anno 2016. Reflectie over een beroep in volle verandering, Standpunten nr. 40, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Brussel, 2016, 35 p. Online: www.kvab.be/downloads/stp/professoraat-anno-2016.pdf.

"

Voor abonnees
taal

IEDER VUURTJE MOET WORDEN AANGEWAKKERD. Staat van de Unie 1 over Nederlands in de wereld

Liefde voor het Nederlands hebben buitenlandse sprekers van de taal zeker, zo bleek op het eerste Ons Erfdeel-colloquium ter gelegenheid van het zestigjarige bestaan van het tijdschrift. Maar er zijn voldoende middelen nodig om liefhebbers om te vormen tot promotoren van het Nederlands.

Voor de Indonesische masterstudente Amalia Astari was het de afwijzing van de faculteit rechten. Toen ging ze maar Nederlands studeren in Jakarta. “Wie weet opent deze taal een deur naar een interessant avontuur in de toekomst”, dacht ze destijds. Het bleek aanvankelijk helemaal niet moeilijk – met al die leenwoorden in het Indonesisch, zoals “parkeren” (parkir) en “boontjes” (buncis). Naarmate ze steeds meer Nederlandstalige boeken las, ging ze zich ook meer thuis voelen in de taal. Nadat ze in Nederland was geweest voor een zomercursus wist ze het zeker: in deze taal ligt haar toekomst, te beginnen in 2017 als docent aan de Universitas Indonesia.

Voor de Servische hoogleraar en vertaler Jelica Novaković was het de carrière van haar vader. Als dochter van een diplomaat kwam ze, drieëneenhalf jaar oud, in Den Haag terecht. “Nederlands was de eerste vreemde taal waarmee ik in aanraking kwam. En als je vaak van woonplaats en vriendenkring wisselt, heb je behoefte aan continuïteit. Het Nederlands bood me dat. Ik heb altijd mijn best gedaan om contact te houden met de taal en via de taal met de cultuur. Zo heb ik al vroeg leren kijken door een Nederlandstalige bril, wat een meerwaarde gaf aan mijn denkvermogen. Dat is wat taal doet. Iedere taal geeft een andere visie op de werkelijkheid.”

Voor de Australische schrijver en vertaler David Colmer was het de mengeling van onvrede met zijn woonplaats en een ontmoeting met een Nederlandse. Het beviel hem niet in Londen, maar omdat hij geen zin had om terug te gaan naar zijn geboorteland trok hij naar Berlijn. Om Duits te leren. Hij vond het immers maar niets dat hij, 26 jaar oud inmiddels, alleen maar Engels kon spreken. “Ik heb in een heel korte tijdsspanne Duits geleerd. Dat was fantastisch. En toen ik een Nederlandse vrouw ontmoette die ook in Berlijn woonde, heb ik er Nederlands bij gedaan. Inmiddels woon ik al vijfentwintig jaar in Amsterdam en kan ik eigenlijk alleen nog Duits lezen.”

TOEVAL

Zo is het voor iedere buitenlander toeval geweest dat hij of zij Nederlands ging leren. Maar kan de positie van het Nederlands in de rest van de wereld louter afhangen van toeval? Wie eenmaal de keuze voor de taal heeft gemaakt, moet haar ook optimaal kunnen leren en gebruiken. Ieder vuurtje moet worden aangewakkerd. Zoals David Colmer vertelde: “Ik volgde in 1996, toen ik al werkte als vertaler, de eerste zomercursus literair vertalen, gesponsord door wat nu het Nederlands Letterenfonds heet. Dat was voor mij een enorme stimulans. Bijna alle vertalers uit de generatie na mij hebben diezelfde zomercursus gedaan.”

En dan gaat het eigenlijk nog verder. Want hoe succesvol zou Colmer – winnaar van onder meer de Vondel Translation Prize – zijn geweest als de letterenfondsen in Vlaanderen en Nederland geen subsidies beschikbaar stelden aan buitenlandse uitgevers als tegemoetkoming in de vertaalkosten? Wat als er geen Vertalershuizen stonden in Amsterdam en Antwerpen, met respectievelijk vijf en twee plekken, waar vertalers zich kunnen onderdompelen in de Nederlandse taal?

Er moet beleid zijn voor het Nederlands in de wereld. Er moeten middelen voor worden vrijgemaakt. En daar moet goed over worden nagedacht. Daarom organiseerde Ons Erfdeel ter gelegenheid van zijn zestigjarige bestaan, samen met het Vlaams-Nederlands Huis deBuren, een debat over dit belangrijke thema. Deze goed bezochte bijeenkomst – het eerste van vier colloquia over verschillende domeinen van de Vlaams-Nederlandse samenwerking – vond op 10 november 2016 plaats bij deBuren in Brussel.

In zijn openingswoord legde Luc Devoldere, hoofdredacteur van alle publicaties van Ons Erfdeel vzw, het belang van een goede zorg voor de taal uit. Talen staan in machtsverhoudingen tegenover elkaar, stelde hij. Die verhoudingen moet je regelen. “Als talen met elkaar in contact komen, kunnen ze met elkaar in conflict komen. Je neemt niet ongestraft het woord in je eigen taal als je gesprekspartner die taal niet spreekt, laat staan begrijpt. Stel je voor dat je dat in een gesprek blijft doen: verwondering wordt dan onbegrip, onbegrip wordt irritatie, irritatie eindigt met weglopen of op de vuist gaan.”

Welke taal is in een dergelijke botsing dominant? Dat is niet automatisch de taal met het grootste aantal sprekers. Ook politieke, economische en culturele macht speelt een rol. En prestige. Maar het belangrijkste element is wellicht het belang dat de sprekers zélf aan hun taal hechten. “Van de zesduizend talen die vandaag op deze planeet worden gesproken, zullen er ongeveer drieduizend verdwijnen deze eeuw. Of een taal blijft bestaan als aparte taal, hangt uiteindelijk af van de taalgebruikers die hun taal de moeite waard moeten blijven vinden om ze in al haar functies te behouden.”

In Vlaanderen – dat deel uitmaakt van het meertalige België – wordt dat begrepen, in Nederland niet. Waarom zou de Frankfurter Allgemeine tijdens de Frankfurter Buchmesse van 2016, waar Nederland en Vlaanderen samen gastland waren, anders bevreemd opmerken dat het Engels in het Nederlandse hoger onderwijs wel erg ver oprukt? “Bij sommige literatuurstudies worden zelfs de Nederlandstalige werken niet meer in het origineel maar in het Engels gelezen.”

Devoldere: “In Nederland was de staat er eerst, en de natie en de taal ontwikkelden zich binnen de reeds bestaande staat. Aangezien Nederlands er vanzelfsprekend is, speelt het geen belangrijke rol in de Nederlandse zelfbepaling. In Vlaanderen daarentegen was de natie er eerst, en ze was bijna uitsluitend gebaseerd op taal, op een taal waarvoor moest worden gevochten: ‘De tael is gansch het volk.’” Het is dan ook niet voor niets dat Nederland zijn taal niet heeft achtergelaten in zijn kolonie en België wél – al was dat dan de andere officiële taal, het Frans.

Die botsing tussen Vlaamse overgevoeligheid en Nederlandse onverschilligheid leidt nog altijd met regelmaat tot wrevel. “Toen Harry Mulisch in 1995 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving, deed hij in het koninklijk paleis in Brussel in het bijzijn van de toenmalige koning Albert II nogal laatdunkend over de toekomst van het Nederlands: zijn dochter sprak al meer Engels dan Nederlands, en binnen twee generaties was het gedaan met dat taaltje aan de Noordzee. Hij zei dat uitgerekend in een paleis waar de huistaal nooit het Nederlands is geweest. De aanwezige Vlamingen konden er niet mee lachen.”

HARDE CIJFERS

Bijzonder is dat Nederland en Vlaanderen ondanks die verschillende opvattingen over hun taal in 1980 tóch een Taalunie hebben opgericht, memoreerde Devoldere nog maar eens. “Wees blij dat ze bestaat, want vandaag zou ze niet meer opgericht worden.” Welk beleid staat deze instelling voor om het Nederlands in het buitenland vorm te geven? Welke middelen maakt zij daarvoor vrij? Of beter gezegd: wat doet de Taalunie om de beleidsmakers die haar koers uitzetten te overtuigen om beleid te maken en geld beschikbaar te stellen?

Daarover sprak waarnemend algemeen secretaris Maya Rispens. Persoonlijke getuigenissen zoals van Astari, Novaković en Colmer zijn niet meer genoeg, legde ze uit. “Wij dachten altijd: dit zijn zulke overtuigende verhalen, daar hebben de ministers wel oren naar. De conclusie moet zijn: dat is niet zo. Dat weerhoudt ons er niet van om ze te blijven vertellen. Testimonials blijven belangrijk – ook van bijvoorbeeld een directeur van Shell die uitlegt dat hij Nederlandstaligen aanneemt omdat die bepaalde vaardigheden hebben. Maar we moeten ook andere elementen op tafel leggen om opnieuw de interesse te wekken van de mensen die beslissen.”

Die elementen zijn harde cijfers. De Taalunie is daarom een meerwaarde-onderzoek begonnen naar het Nederlands in de wereld. Waar en hoe is het Nederlands aanwezig in het buitenland, zowel in geografisch opzicht als in economische en maatschappelijke sectoren? Welke kwalitatieve en kwantitatieve meerwaarde levert de aanwezigheid van het Nederlands in het buitenland? In economisch opzicht, maar ook cultureel, sociaal of met betrekking tot imago en prestige. En: hoe kunnen de aanwezigheid en de meerwaarde verder opgevolgd en gestuurd worden? Hieruit moet kansen en mogelijkheden worden gedestilleerd.

Rispens verklapte meteen de conclusie: Nederlands télt internationaal. “Maar wees gerust: het is wel degelijk de bedoeling dit te onderzoeken, gegevens te verzamelen en een ernstige bewijsvoering op te stellen die beleidsmensen in Nederland en Vlaanderen zal overtuigen. Het moet ons bijvoorbeeld de kapstok bieden om aan de minister uit te leggen dat het weliswaar klopt dat Nederlandse bedrijven in het buitenland vaak in het Engels communiceren, maar dat ze nog steeds jonge studenten Nederlands van de schoolbanken plukken omdat ze interculturele inzichten hebben meegekregen die onmisbaar zijn in zakelijk verkeer.”

De hoofdschotel van de bijeenkomst was het gesprek van vier Nederlandstaligen uit het buitenland – naast de al genoemde drie ook de Ierse Annie Fletcher, hoofdconservator van het Van Abbemuseum in Eindhoven – over hun liefde voor het Nederlands. Want dat iedereen op het podium de liefde deelde, dat had Novaković direct gezien. “Dit gesprek wordt één zucht van verliefdheid”, zei ze tegen gespreksleider Clairy Polak. “Ook met mijn studenten begint het vaak met liefde. Beleidsmakers moeten daar oog voor hebben: het belang van irrationaliteit bij het verspreiden van het Nederlands in de wereld. Je kunt niet alleen centen tellen.”

Novaković gaf eerlijk toe niet precies te weten waarom jonge Serviërs voor Nederlands kiezen. Uit de jaarlijkse enquête onder beginnende studenten blijkt dat ze vaak positieve stereotypen over Nederland hebben. “Dat komt neer op wat zij verstaan onder onbeperkte vrijheid.” Maar misschien was het wel toeval of het gerucht dat de faculteit zulke leuke feestjes organiseert. “En dan is het aan ons docenten om pragmatisch te zijn en ook te laten zien dat er voor de twintig nieuwe studenten ieder jaar werk is. Als tolk of vertaler of zeg maar: taaldienstverlener.”

Met name Colmer bracht zijn liefde voor het Nederlands nuchter naar voren. Hij corrigeert buitenlanders die onze taal een kleine taal noemen. “Het is een middelgrote Europese taal. Er zijn allerlei talen in Europa met maar twee of drie miljoen sprekers. Het Nederlands heeft er bijna 25 miljoen.” En hij laat zich niet verleiden om de taal te vergelijken met het Engels of het Duits – ook al is het zijn werk, zou je kunnen zeggen, om talen te vergelijken. “De schoonheid van een taal ligt in de taal zelf. Buitenlanders zeggen vaak: al die harde g’s, vreselijk. Maar je moet in de taal kijken.”

Hij vindt het dan ook een slechte zaak dat het Nederlands in eigen land wordt weggeduwd door het Engels. “Nederlanders zijn niet zo goed in het Engels als ze denken en zeker niet zo goed als ze in het Nederlands zijn. Toen ik voor mijn dochter een middelbare school zocht, zag ik op internet een filmpje van een tweetalige school. Het Engels op dat filmpje was zo bedroevend dat ik ervan overtuigd was dat het Engels van mijn dochter daar alleen maar achteruit gaat. Er is blijkbaar niemand op die school, ook de leraren Engels niet, die dat in de gaten heeft.”

Toch zat met Fletcher ook iemand in het panel voor wie het leren van Nederlands instrumenteel is. Zij verhuisde twintig jaar geleden naar dit taalgebied met het idee dat Nederland een kosmopolitisch, multicultureel land is waar zij zich met haar eigen taal prima kan redden. Bovendien zijn niet woorden haar instrument, maar “beelden, kunst, symbolen”. Ze kan de lokale beeldende kunst prima begrijpen zonder kennis van het Nederlands. Net zo goed als ze kan werken met de Russische avant-gardewerken in de collectie van het museum zonder Russisch te spreken.

Waarom gaf zij zich dan toch op voor een taalcursus? “Ik miste veel. Ik had maar een heel oppervlakkig beeld van de cultuur en de maatschappij waarin ik leefde.” Het spijtige is alleen dat ze daarbij niet geholpen werd door het land en haar inwoners zelf – hoewel het gebrek aan trots op de eigen taal wel is afgenomen. Het onderwijs dat Fletcher aan kunstacademies geeft, kon ze altijd in het Engels geven. “En als ik op straat als West-Europese witte vrouw Nederlands probeerde te spreken, lachten ze me uit. Ze lachten echt. Ze vonden mijn accent superschattig, maar vonden het niet nodig om met mij Nederlands te praten. Het kon toch ook in het Engels?”

Colmer herkent dat. “Ik had het geluk dat ik zo’n zwaar Duits accent had dat niemand met mij Engels wilde spreken. Maar alle andere Engelstaligen merken dat Nederlanders je niet willen helpen. Als je in Italië drie woorden Italiaans spreekt zeggen ze: ‘o, wat goed’, herhalen ze ieder woord desnoods vijf keer, laten ze met mimiek weten wat het betekent. Je krijgt spontaan taalles. Dat heb je in Nederland bijna nooit.”

DUBBELE AMBASSADEURS

En toch is het belangrijk buitenlanders te stimuleren Nederlands te leren. Al was het maar voor de buitenlanders zelf, vindt Novaković. “Ik kom uit een land dat vast is blijven zitten in één manier van kijken. Misschien is het een oplossing als we leren dat je op verschillende manieren naar hetzelfde kunt kijken. Misschien gaat er dan een lampje branden en kun je de zaken beter aanpakken. Taal is daarvoor cruciaal, omdat bepaalde waarden van de cultuur van die taal daarin zijn geïncorporeerd. En dan krijg je dankzij het Nederlands contact met twéé culturen: de Nederlandse en de Vlaamse.”

Een voorbeeld: “Ik heb Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan vertaald. Een prachtig boek over homoseksualiteit, iets waar men in Servië nog lang niet zo welwillend tegenover staat als in Nederland. Wie dit menselijke verhaal leest, kan daarna toch van mening veranderen over mensen met een andere geaardheid. Dat vind ik heel belangrijk. En dat boek is in het Nederlands ontstaan. Niet in het Engels of Duits, maar in het Nederlands.”

Het beleid waarmee Nederland en Vlaanderen de eigen taal stimuleren is goed. Geen van de aanwezigen op het podium kon concrete aanbevelingen doen aan de overheden van beide landen of kritiek uiten op de instellingen die het beleid uitvoeren. Colmer: “Als de Taalunie haar meerwaardeonderzoek doet, zullen de resultaten voor de Nederlandse literatuur in het Engels geweldig zijn. Het niveau van de vertalingen is heel hoog, dankzij de inzet op professionalisering van de letterenfondsen. Ik hoor van Britse uitgevers dat uit het Nederlands vertaalde boeken kunnen concurreren met de rest van het aanbod omdat de teksten niet door het gordijn van een slechte vertaling heen hoeven te schijnen.”

Alleen: de bezuinigingen. Hoe moeten buitenlandse neerlandici, vertalers en studenten daarmee omgaan? Dat is een serieuze worsteling. Hoe serieus, bleek uit het verhaal van Astari. “Tijdens mijn vorige stage als assistent van de docent aan de Universitas Indonesia kon ik nog zeggen: leer goed Nederlands, dan kun je een beurs krijgen om naar Nederland of België te gaan. Ook voor mij was dat zeer aantrekkelijk geweest. Maar nu wordt dat verblijf niet meer volledig vergoed. Ik ken een studente: heel slim, maar niet uit een rijke familie. Zij kon het zich niet permitteren om naar Nederland te gaan.”

Daar komt nog bij dat verschillende taalstudies in met name Nederland ophouden te bestaan. Indonesisch, slavistiek. Nederland en Vlaanderen worden daardoor pas echt afhankelijk van Indonesiërs en Oost-Europeanen die Nederlands spreken voor het onderlinge contact, nog meer dan mogelijk nu al het geval is. Alleen zij spreken beide talen. “Eigenlijk moeten wij nu een dubbele taak op ons nemen”, zei Novaković. “Wij zijn ambassadeurs voor Nederlands in Servië, maar ook ambassadeurs voor Servië in Nederland. En toch worden wij alleen door de Servische overheid betaald. Dat is pas een meerwaarde voor Nederland.”

Dan kunnen er nog zo veel mensen door wat voor toeval ook een liefde voor de taal opvatten, bij gebrek aan voldoende financiële steun is het beleid om die liefhebbers om te vormen tot ware promotoren voor het Nederlands onhoudbaar.

Maarten Dessing
Freelance literair journalist

"

Voor abonnees
taal

En weerom bloeien honderd Nederlandsen. Over de Atlassen van de Nederlandse taal

Recensie van:

Fieke Van der Gucht, Johan De Caluwe, Mathilde Jansen en Nicoline van der Sijs, Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Vlaanderen, Lannoo, Tielt, 2017, 272 pagina’s.

Mathilde Jansen, Nicoline van der Sijs, Fieke Van der Gucht en Johan De Caluwe, Atlas van de Nederlandse Taal. Editie Nederland, Lannoo, Tielt, 2017, 272 p.

Voor abonnees
taal

KRAAMKOST, TABLETBOCHELS EN LELIJKE GROENTE? Hoe zien nieuwe woorden eruit en wie gebruikt ze?

Ieder jaar kiest woordenboek Van Dale een Woord van het Jaar. In Nederland won sjoemelsoftware, software waarmee Volkswagen testresultaten manipuleerde waardoor auto’s veel schoner uit milieutests kwamen. Vlaanderen koos voor het woord kraamkost. Kraamkost? “Ik heb in het jaar 2015 iedere dag, van bij het ontwaken tot het slapengaan, Nederlands gesproken, geschreven, gelezen en ernaar geluisterd. Ik ben het woord ‘kraamkost’ geen enkele keer tegengekomen”, schreef Eddy Eerdekens, hoofdredacteur van TV Limburg in een column op de website van het tijdschrift Knack. “Nooit. Never. Jamais.” En dat was maar een van de reacties op deze keuze. Een niet erg bekend woord, lijkt het, en wat betekent het eigenlijk? Eten van een foodtruck, werd er volop getwitterd. Of suikerbonen. Nee, dat niet. “Het is het geld dat een bevalling en de kraamtijd kost, echt een verzekeringswoord”, zei een Belgische collega. Maar dat is het ook niet. Intussen beviel Kim Kardashian, televisiepersoonlijkheid en vrouw van rapper Kanye West, van haar tweede kind. Kim twitterde dat zij haar placenta ging opeten: dat zou erg gezond zijn. Is dat dan kraamkost? Het zou kunnen, want kraamkost is een “maaltijd als cadeau voor een pasbevallen moeder en haar gezin”, maar waarschijnlijk eten de gezinsleden dan toch iets anders.

Nieuwe woorden, of neologismen, zorgen wel vaker voor veel verbazing: wat betekenen ze precies, hoe zitten ze in elkaar en wie gebruikt ze?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be